Liberaal Joodse Gemeente Gelderland, progressief en gastvrij.

22 november 2019 | 24 Heshvan 5780

Parasja van de week

shiviti

Parasja van de week

Haftara bij de parasja Wajera

2 Koningen 4:1-37

In de haftara 2 Koningen 4:1-37, die aan de parasja Wajera (Genesis/Bereshiet 18 – 23) is toegevoegd, wordt verteld over twee wonderen verricht door de profeet Elisja, aan wie Elia tegen het einde van diens leven de profetenmantel had overgedragen. Hij zou twee keer zoveel wonderkracht als zijn voorganger Elia hebben gekregen.

Het is de tijd, dat Israël verdeeld was in een noordelijk en zuidelijk rijk. Alom werden afgoden vereerd, zoals de Ba’al, geintroduceerd door koning Achav onder invloed van zijn vrouw Izewel. Dankzij de grote inzet van de profeet Elia waren er nog zevenduizend mensen die de knieën niet gebogen hadden voor de ​Baäl, zoals 1 Koningen 19:18 vermeldt.
Een daarvan was de weduwe van een van Elia’s volgelingen, die in grote materiele nood Elisja te hulp riep. Deze zorgde ervoor, dat het kleine beetje olie, dat de vrouw nog had tot zo’n grote hoeveelheid vermenigvuldigd werd, dat ze haar schulden kon betalen. 

De link tussen de haftara  en de parasja Wajera is te vinden in het daarop volgend verhaalde mirakel. Gemeenschappelijk thema is de profetische belofte van een zoon aan een oud echtpaar. In Wajera zijn dat Avraham en Sara. Aan hen voorzeggen drie engelen (Gen/Ber 18:10): Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw ​Sara​ een zoon hebben. In de haftara lezen we, dat de profeet Elisja tot een kinderloze vrouw in Sjoenem met een oude echtgenoot en een kinderwens zegt (4:16): Op deze zelfde tijd over een jaar zult u een zoon omhelzen. En in beide gevallen wordt inderdaad een jaar later een zoon geboren.

De context van Elisja’s belofte is echter wel een andere dan die bij Avraham en Sara.  De welgestelde vrouw uit Sjoenem had voor Elisja, die bij zijn rondreizen vaak bij haar te gast was, een bovenkamer laten maken met een ​bed, een ​tafel, een stoel en een ​kandelaar​. Haar kinderwens werd door de dankbare profeet vervuld. Maar daar hield zijn bemoeienis als ware wonderdoener nog niet op. Een van zijn grootste mirakels voltrok hij aan de zoon van de vrouw uit Sjoenem, toen de jongen de puberleeftijd had bereikt.  De knaap hielp bij het maaien en kreeg een zware hoofdpijn. Hij werd naar huis gebracht en stierf op de knieën van zijn moeder, die hem op het bed in het kamertje van Elisja legde. De wanhopige moeder liet een ezel zadelen en spoedde zich naar Elisja, die zich op de berg Karmel bevond. De profeet was door het verdrietige nieuws aangedaan en zond zijn dienaar Gehazi vooruit. Die legde in opdracht van zijn meester diens staf op het gezicht van de dode jongen. Dat hielp niet en Elisja wist dat zijn hoogstpersoonlijke optreden vereist was. (2 Koningen 4:33) Toen ​Elisa​ binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de Euwige. Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Deze profetische reanimatie-handeling bleek te helpen en de jongen werd wakker uit de dood.
Mogelijk is nog een parallel uit de parasja Wajera te vinden rond het bijna-offer van de eveneens aan een lang kinderloze Sara laat geboren zoon Isaac (Jitschak). In het bekende verhaal heeft Avraham, gehoorzaam aan een door hem gehoord goddelijk bevel, zijn zoon op het altaar gelegd en hij staat op het punt om met een mes zijn zoon om het leven te brengen, als een stem de vader gebiedt daarmee op te houden. Isaac is weliswaar niet uit de dood opgestaan, maar wel van een welhaast zekere dood door tussenkomst van een engel van de Eeuwige op het nippertje gered.

Opmerkelijk is, dat veel van de wonderen van Elisja rond voedsel, water en opwekking uit de dood in een of andere vorm terugkomen in de evangeliën, zie bijv. de opwekking van Lazarus en het dochtertje van Jaïrus. (2)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajera zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) bv Marcus 5:40 over het dochtertje van Jaïrus: Hij (Jezus) stuurde hen allen weg, nam de vader en de moeder van het ​kind​ en hen die bij Hem waren, mee en ging het vertrek binnen waar het ​kind​ lag. En Hij pakte de hand van het ​kind​ en zei tegen haar: Talitha, koemi! Dat is vertaald: Meisje (Ik zeg je), sta op. En meteen stond het meisje op en het liep, want het was twaalf jaar

 RC nov 2019

 Haftara bij de parasja Lech Lecha

Jesaja 40:27- 41:16

We roepen even de parasja Lech Lecha in herinnering. Abraham, die hier voor het eerst in de geschiedenis verschijnt, wordt geroepen door de Eeuwige om Charan te verlaten en op weg te gaan met zijn Sara naar Kena’an, dat ooit aan zijn nageslacht zal toevallen. Daar drijft weldra een hongersnood hem naar Egypte waar de mooie Sara, door de farao werd ingepalmd maar weer met schadeloosstelling ongedeerd teruggegeven Als welgesteld man keert hij terug naar Kena’an, waar hij een succesvolle oorlog uitvecht met de vier koningen, die neef Lot hadden meegenomen. Omdat Sara maar geen zoon kreeg werd haar slavin Hagar aan Abraham als bijvrouw gegeven. Hagar baarde Ismael. De pasja besluit met het gebod tot en de uitvoering van de besnijdenis. (1)

De haftara bij Lech Lecha is uit Jesaja (Hebreeuws: Jesjajahoe), de verzen 40:27 tot 41:16. Na een forse berisping over Israëls kleingelovigheid volgen vele verzen van bemoediging en optimisme. De Eeuwige presenteert zich in de visie van de profeet als een machtige heerser over hemel en aarde, die de vijanden van Israël verslaat en verjaagt, hun afgoden ontmaskert als machteloze beelden en Israël, hoe klein het ook is, beschermt.

Waarom deze passages als haftara zijn gekozen berust niet alleen op het voorkomen van Abrahams naam in vers 41:8: ‘Ik heb jou ​(Israël) uitgekozen. Je stamt af van mijn vriend Abraham’.  Aanleiding gaf ook het vers 41:2;

‘Wie heeft uit het oosten een rechtvaardige opgewekt, hem geroepen om te gaan, volkeren aan hem overgeleverd en hem koningen doen overheersen?’ (2)

De rabbijnen van de Talmoed meenden, dat deze rechtvaardige mens uit het oosten doelt op Abraham, die immers uit het oosten kwam. (3) Bekende middeleeuwse commentatoren als Rasji (1040-1105) en Radak (David Kimchi, 1160-1235)) namen dit over. Wie zijn de hier genoemde koningen anders dan de vier koningen die Abraham heeft verslagen toen hij Lot te hulp kwam (Gen. 14). De wonderlijke daden, die in deze en volgende verzen worden beschreven zijn de daden die de Eeuwige voor de rechtvaardige mens uit het oosten – Abraham dus in deze uitleg - heeft verricht. Ze zijn een hoopgevend voorbeeld. Zoals God Abraham tegen zijn vijanden heeft geholpen, zo zal hij dat ook doen voorzijn benarde volk Israël, de afstammelingen van Abraham, doen, dat is de impliciete boodschap van deze profetische poëzie.

De commentator en dichter Abraham Ibn Ezra (1089-1167) is een andere mening toegedaan. Hij volgt een meer historiserende benaderingen (4) en kiest voor de uitleg dat het hier Cyrus (Kores) betreft, de koning van de Meden en Perzen, die bestemd is om het onderdrukkende Babylon te verslaan en die de Joden hun vrijheid terug zal geven. Cyrus wordt later in Jesaja’s profetieën zelfs met name genoemd, zoals in 45:1:
‘Zo zegt de Eeuwige tot zijn ​gezalfde, tot Kores (Cyrus), wiens rechterhand Ik gevat heb om volken vóór hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren vóór hem te openen, geen ​poorten​ blijven gesloten.’
Ibn Ezra’s veronderstelling lijkt aannemelijk. Immers de schrijver van deze verzen – ook wel deuteron-Jesaja genoemd – leefde waarschijnlijk in de tijd, dat onder de druk van Cyrus oprukkende legers het Babylonische rijk wankelde en de door de Joodse ballingen vurig verhoopte val van Babylon aanstaande was.

Het volgende vers trekt nog onze aandacht, 41:14: Vrees niet, gij wormpje Jakob, gij volkje (5) Israël! Ik ben het, die u help, luidt het woord van de Eeuwige, en uw Verlosser is de Heilige Israëls’.

Dat ‘wormpje’ lokt tot uitleggingen. Rasji: Israel is zwak als een worm, die geen kracht heeft, behalve in zijn mond. Radak weidt verder uit: de sterke mond vreet zich door de sterkste ceders, die mond is het krachtige gebed van Israël, dus dat ‘wormpje’ is eigenlijk een compliment! Maar Ibn Ezra plaatst het beestje weer in de historische context: de Babyloniërs keken op Israel neer als op een worm, maar desondanks hoeft het niet te vrezen nu Cyrus in aantocht is. 

noten

(1) Verschillende commentaren op Lech Lecha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) De vertaling is van mij en geeft de bedoeling van het wat duistere Hebreeuws m.i. beter weer
(3) Bv Talmoed tractaten Bava Batra 15a:9 en Sanhedrin 108b:21
(4) Hij lijkt met zijn historiserende benadering een vroege voorloper van Baruch Spinoza (In zijn Theologisch-politiek tractaat) en de moderne bijbelwetenschap
(5) ‘volkje’ lijkt een merkwaardige vertaling (zowel van de HSV als de NBV) van metee Jisrael. Letterlijk staat er ‘mannen van Israel’. Dat verkleinwoord staat in verband met dat metee vaak voorkomt in de samenstelling metee mispar en dan betekent het ‘weinigen (in aantal)’. Misschien speelde deze connotatie bij de vertalers mee. De Willibrord vertaling vertaalt gewoon ‘mensen van Israël’.

RC nov 2019

 Parasjat Noach   Beresjiet Genesis 6:9-11:32

Bij de parasja Noach: Haftara Noach        Jesaja 54:1-55:5

De haftara (wekelijkse lezing uit de prefeten) die aan de sidra (of parasja) Noach is toegevoegd is Jesaja hoofdstuk 54 en 55 tot vers 6. In poëtische termen wordt gesproken over een verlaten, kinderloze vrouw die (weer) in genade zal worden aangenomen door de echtgenoot, die haar ooit in boosheid heeft verstoten. De echtgenoot is de Eeuwige, maar wie is die vrouw? De algemene rabbijnse opinie is: Jeruzalem (Rasji) dan wel het volk Israel (Ibn Ezra). In vele krachtige en gepassioneerde beelden wordt bezongen hoe de Eeuwige zijn woede laat varen. haar weer tot vrouw zal nemen, haar nooit meer verlaten en het haar verder nooit meer aan iets zal ontbreken.
54:6 Je was een verlaten, wanhopige vrouw
toen de Eeuwige je terugriep.
Kan iemand de vrouw van zijn jeugd verstoten? – zegt je God.
7Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
8Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ​liefde,

Waarom is dit stuk van Jesaja aan de sidra Noach vastgeknoopt? Dat zit hem in de passage  van het volgende vers 54:9: 
Dit (deze gelofte) is voor mij als bij de vloed van ​Noach:
zoals ik heb gezworen dat het water van ​Noach
nooit meer de aarde zou overspoelen,
zo zweer ik dat mijn toorn jou niet meer treft
en dat ik je nooit meer bedreig.
De vergelijking is duidelijk. De verwijzing is naar Ber/Gen 9:11: ‘Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten’. Zoals de Eeuwige, na de eerste verdorven mensheid te hebben vernietigd met de rampzalige vloed, aan de enig overgebleven familie Noach heeft gezworen  nooit meer de mensheid met een dergelijke catastrofe te verdelgen, zo heeft de Eeuwige eerst zijn handen van Israël afgetrokken (door het in ballingschap te laten wegvoeren), maar nu weer gezworen zich weer om het verlaten en wanhopige volk te bekommeren,  als het ware een nieuw verbond sluitend (zie 55:3).

Laten we deze passages eens in een historische context plaatsen. Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Jesaja de eerste leefde ten tijde van koning Hizkia (8e eeuw BCE) en de tweede ruim tweehonderd jaar later tegen het einde van de Babylonische ballingschap.. Deutero-Jesaja heeft de hoofdstukken 40 tot 56 voor zijn rekening genomen, zo neemt men aan (sommigen veronderstellen nog een derde Jesaja, die de laatste hoofdstukken heeft geschreven).  Hij kende de wanhoop, de ellende en de heimwee van de ontheemden, die weggerukt uit hun thuisland treurden aan de rivieren van Babylon. Een door haar man in de steek gelaten en van haar kinderen beroofde vrouw, dat is het krachtige beeld, dat het gevoel van de profetische dichter vertolkt, een beeld dat hij al eerder heeft gebruikt (bv 49:19, 51:18-20; kende men toen nog niet de wanhoop van de man, die door zijn vrouw en kinderen is verlaten?). Maar naast de wanhoop kende hij ook het vurig verlangen naar de terugkeer naar een thuis, waar de zorgen over veiligheid en levensonderhoud voorgoed voorbij zouden zijn., sterker nog, waar de vrijheid en waardigheid van zijn volk zou zijn hersteld. Dat verlangen zal zijn verhevigd door de politieke omstandigheden van die tijd; het rijk van Babel wankelde en Cyrus, de koning van de Meden en de Perzen, maakte zich klaar om Mesopotamië te veroveren. De hoop op terugkeer naar het land en op hernieuwde welvaart vertaalt zich in het beeld van de verstoten vrouw die in haar positie als geliefde echtgenote wordt teruggenomen. We herkennen de situatie van de Judeeërs aan de Eufraat en de Tigris van toen als archetypische situatie van vluchtelingen en bannelingen van alle tijden en zeker ook van nu. Ik laat graag aan de lezer over om actuele voorbeelden voor ogen te halen. 

 Het hartstochtelijk verlangen van de profeet schetst een ideaalsituatie van welvaart, bestendigheid, onkwetsbaarheid van de bruid, die utopisch of zelfs messiaans aandoet.
Heeft hij een messiaans Jeruzalem in gedachten als hij dicht:
2Ik maak je torens van ​robijn,
je ​poorten​ van ​beril,
je ​muren​ van kostbare edelstenen.
Refereert hij aan een messiaanse tijd als hij roept:
551Hierheen! Hier is water,
voor ieder die dorst heeft.
Kom, ook al heb je geen ​geld.
Koop hier je voedsel en eet.
Kom, koop voedsel zonder ​geld,
koop ​wijn​ en melk zonder betaling.

Deze utopie van soliditeit en solidariteit  krijg je niet cadeau, Jeruzalem zal wel moeten luisteren naar de stem van de Eeuwige:
Luister aandachtig naar mij,
en je zult ruimschoots te eten hebben
en genieten van een overvloedig maal.
Leen mij je oor en kom bij mij,
luister, en je zult leven.

Wat is dat luisteren? Het is Tora in ruime zin, onderricht in de zin van de Jesaja van hoofdstuk 1: 18.17:‘ Vermijd alle kwaad en leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta ​weduwen​ bij’.
De terugkeer van (een deel van) de ballingen naar Judea heeft inderdaad plaatsgevonden – met goedkeuring en met materiele steun van Cyrus -   maar de realisering van een messiaanse samenleving is niet gerealiseerd. De verheven en toch aardse beelden in deze verzen raken nog steeds een snaar raken in ons gemoed, dat verlangt naar uitbanning van uitbuiting, corruptie, honger, armoede en omarming van compassie en gerechtigheid in deze wereld.

De traditie ziet Jeruzalem ook op allegorische wijze. Je kan Jeruzalem, (of Tsion) zien als de heilige plek die in iedere Jood, cq in iedere mens, in principe is te vinden. Een plek, die geheven is boven de alledaagse zorgen en wanen, boven de tijd/ruimte, een plek waar de ziel zich even verbonden en verzoend kan weten. (1) Op dat niveau van uitleg is de terugkeer naar Jeruzalem de terugkeer naar die heilige plek, onze essentie, ons beste weten omtrent het goede, onze ziel, de we eens in de hectische rat race van de wereld hebben verlaten. Dan slaat de vertroosting van de verzen 54:7,8 niet zozeer op de geschiedenis van Israel, waar de Eeuwige zijn gezicht (presentie) meermalen voor meer dan een ogenblik heeft verborgen (en nog steeds verborgen houdt?), maar vooral op onze individuele weg van bewustwording, de weg van de banneling die thuiskomt.
Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ​liefde

noot

(1) In de kabbala wordt Jeruzalem veelal geassocieerd met de sefira Malchoet.

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8 

Er zij licht en er was licht

We gaan een gedachtenreeks spinnen rond dit vers uit Beresjiet/Genesis hoofdstuk 1.

1:3 God zei: ‘Er zij licht' en er was licht. (wa-jomer Elohim: jehi or) (1)
4 God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis;
5 het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. Een dag.

Volgens de modern orthodoxe commentator en expert oud-semitische talen Umberto Cassuto die vaak dicht bij de letterlijke bedoeling van de tekst blijft heeft de redacteur het licht als fysisch fenomeen voor ogen gehad. Dat is wel waarschijnlijk, maar toch is het is het interessant eens na te gaan, hoe deze gebeitelde pregnante woorden latere generaties geïnspireerd hebben er veel meer in te zien dan het zichtbare licht.

Dat is begrijpelijk, als je stil staat bij hoe het woord ‘licht' geladen is met associaties, die weliswaar gebaseerd zijn op de eigenschappen van het fysieke licht, maar daar verre boven uitgaan. Neem alleen al in het Nederlandse spraakgebruik uitdrukkingen als ‘het licht zien', ‘een lichtend voorbeeld' en de term ‘verlichting', welk laatste woord merkwaardigerwijs zowel een religieuze betekenis kan hebben en dan duidt op een staat van verheven vrede en diep inzicht, alsook een min of meer antireligieuze strekking heeft als ze duidt op 18-eeuwse omhelzing van het principe dat de rede en rationele analyse de enige manier is om waarheid te vinden. Altijd al heeft het begrip ‘licht' een centrale plaats ingenomen in het weergeven van essentiële ervaring op geestelijk gebied. Het hoeft het geen verbazing te wekken, dat het monumentale bijbelvers over de creatie van het licht ook allegorische en esoterische uitleg heeft gevonden. Van mijn prille bestudering van deze aspecten waag ik enkele bevindingen weer te geven.

In de midrasjverzameling op Genesis, Genesis Rabba (2), wordt geconstateerd, dat het licht van vers twee niet het licht is, dat later uitgaat van zon en maan. Zo staat het er:
‘Men onderwees, dat het licht, dat werd geschapen in de zes dagen van de schepping de dag niet kan verlichten, omdat dit licht het licht van de zon zou doen verdwijnen en ook de nacht niet, omdat het alleen geschapen was om de dag te verlichten. Waar is het dan gebleven? Het is opgeslagen voor de rechtvaardigen in de messiaanse toekomst, zoals is gezegd’ - en dan volgt een regel uit een messiaans visioen van de profeet Jesaja -  (30:26):dan is het licht van de maan als het licht van de zon, en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk’. 
We moeten er met de kennis van nu niet aan denken, dat de maan de zon wordt en de zon zevenmaal zo hard schijnt, maar dat fysiele aspect is hier natuurlijk niet bedoeld, het gaat om een verlichte staat van volmaakte vreugde en wijsheid, die aan het eind der tijden wacht. (3) Is er dan niets van dit primordiale scheppingslicht meer werkzaam in onze huidige wereld?

In de kabbalistische mystiek zijn tot in groot detail ideeën over het verborgen oerlicht te vinden. Gangbaar is de opvatting geworden (van de grote kabbalist R. Isaac Luria, 1534-1572) dat het primordiale spirituele licht, dat uit Ein Sof (het onzegbare ‘zonder einde’) als eerste scheppingsdaad is ontstaan, in een aantal dramatische fasen van vermindering tot een minieme fractie omhuld is geraakt in schillen (klipot) (4) : de psychische en materiele wereld, kortom onze daagse beleving van de complexe gebroken wereld van goed en kwaad. De verhulde overblijfselen van het licht, de lichtvonken (netivot) diep verborgen in ons en in de dingen, zoals wij die waarnemen, vragen erom verlost te worden door ons, zodat wij ons bewustzijn en daarmee de wereld in een meer volmaakte staat kunnen brengen, kunnen heel maken in de richting van het oorspronkelijke ideale plan van de schepper (5). Dat wordt in het Joods gedachtegoed tikoen olam genoemd, de reparatie van de wereld. Dat kan door (een programma van) spirituele oefening, waarin je je traint in een verruimd gewaar worden van hoe in alle gedachten, ideeën, gevoelens, ook de donkerste, een (goddelijke) vonk is verborgen, die bevrijd kan worden, waardoor die zaken naar een hoger plan worden verheven. Maar het kan ook door een daad te doen van liefde, hulp, steun aan medemens en milieu.

Dit concept van tikoen olam is vanuit de kabbala ontwikkeld tot een heel praktische leidraad in het liberale jodendom om het doen en laten van alledag een zin te geven.
Laat mijn gedachte, mijn daad of de manier waarop ik waarneem en aan het leven deelneem de wereld in het donker of breng ik meer licht aan de oppervlakte?

noten

(1) Een woordspelletje met het Hebreeuwse woord voor licht (or אור), verlichten (he’íer) stad (ier עיר) en huid (or עור): אור העיר האיר עור
(2) Genesis Rabba 3:7
(3) Cassuto moet niet zoveel hebben van deze esoterische uitleg. Hij meent, dat de “rabbijnse uitleg dat het licht verborgen werd ten gunste van de rechtvaardigen in de komende wereld “ niet overeenkomt met de bedoeling van het vers. Hij houdt het bij de psjat (letterlijke uitleg) Zie Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part one, p.26 ev en zijn betoog over de functie van zon en maan als markering van het alreeds geschapen licht van vers 3.
(4) Zie het concept van het ‘breken der vaten’(sjevirat ha keliem), een soort schitterend ongeluk, zoals bijv. samengevat in Marcus van Loopi, Kabbala als levenskunst, p. 257 ev
en in detail Moshe Miller op chabad.org
(5) Daarvoor wordt wel in de kabbala het beeld van Adam Kadmon (niet te verwarren met de Adam van het paradijs) gebruikt, een oerbeeld van de volmaakte mens, dat God gebruikte als blauwdruk voor de schepping.
Adam Kadmon doet, ontdaan van zijn metafysische kleed, denken aan het antropisch principe in de natuurwetenschappen, het idee dat er een nauw verband bestaat tussen ons mens-zijn en de eigenschappen van het heelal, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Antropisch_principe

 

RC okt 2019

 

 

 

 

Nieuws

Haftara bij de parasja Wajera 2 Koningen 4:1-37 In de haftara 2 Koningen 4:1-37, die aan de parasja Wajera (Genesis/Bereshiet 18 – 23) is toegevoegd, wordt verteld over twee wonderen verricht door de profeet Elisja, aan wie Elia tegen het einde van diens leven de profetenmantel had overgedragen. Lees meer >>
De nieuwe 'Joods Nu' is uit met als thema Wie vindt een plek in onze kille?. Hierbij een uitgebreide versie van de bijdrage van ons lid Elco Aronstein over Over Joodse traditie(s), cultuur, religie en identiteit. Lees meer >>

november

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
 
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30