Liberaal Joodse Gemeente Gelderland, progressief en gastvrij.

22 september 2019 | 22 Elul 5779

Parasja van de week

Parasja van de week

Parasjat Ki  tetsee   Devariem/Deuteronomium 21:10 - 26  

Vaders en moeders, zonen en dochters

Deze parasja Ki Tetsee gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken en nog tal van andere zaken (1). 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasja, de meeste van alle parasjot.

Een van die vele bepalingen luidt (24:10 HSV): ‘De vaders mogen niet ter dood gebracht worden om de ​kinderen, en de ​kinderen​ mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders. Ieder zal alleen om zijn eigen ​zonde​ ter dood gebracht worden’. Het wordt zo gelezen, dat vaders niet vanwege de zonden van hun kinderen de doodstraf kunnen krijgen en omgekeerd de kinderen niet vanwege de zonden van hun vaders. De tweede zin beschrijft het achterliggende beginsel, dat ieder verantwoordelijk is voor zijn eigen daden.
In de Tanach zijn passages te vinden, die doen vermoeden, dat de bepaling oorspronkelijk is gericht tegen het verschijnsel, dat de overwinnaar in de strijd ook de nakomelingen van de overwonnene uitroeit uit voorzorg tegen weerwraak. Zo liet Koning Amazia van Juda de hovelingen, die zijn vader hadden vermoord ombrengen,  ‘maar  - zo vertelt 2 Koningen 14:6 -  de ​kinderen​ van die moordenaars bracht hij niet ter dood, zoals geschreven staat in het wetboek van ​Mozes, waar de Eeuwige geboden heeft: De vaders mogen niet ter dood gebracht worden om de ​kinderen​ en de ​kinderen​ mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders, maar ieder zal om zijn eigen ​zonde​ ter dood gebracht worden.’

Rabbijnse discussie kent het beginsel, dat de Tora niet in een alinea twee keer hetzelfde zegt. In dit geval redeneren, dat de algemene regel in de laatste zin ‘Ieder zal alleen om zijn eigen ​zonde​ ter dood gebracht’ al alle gevallen omvat, dus waarom dan de voorgaande regels over de vaders en de zonen? Wel, die brengen een bijzondere toevoeging, want mede is bedoeld: de vader kan niet de doodstraf krijgen op grond van getuigenis, door zijn zoon aangebracht, en omgekeerd kan een zoon niet de doodstraf krijgen op grond van getuigenis van zijn vader (2). Het gaat dus over de nul bewijskracht van getuigenissen van vaders tegen zonen en vice versa, ten goede of ten kwade. Dat wordt dan uitgebreid naar een ruime kring van familieleden en ook rechters kunnen familieleden niet in strafzaken berechten (3). De getuigenis van Astrid Holleder zou voor het Beet Din geen geldigheid hebben. De halacha (othodoxe Joodse wet) laat geen getuigenis van familieleden toe en gaat daarin veel verder dan het Nederlands recht. Dat kent de verschijnings- en getuigenplicht ook van familieleden, maar kent daarbij wel het verschoningsrecht voor familie leden, iets waar Astrid duidelijk geen behoefte aan had. (4). Waarin de halacha veel minder ver gaat is de regel, dat vrouwen in de meeste gevallen voor het Beet Din (religieuze rechtbank) sowieso geen getuigenis mogen geven (5), iets waarmee in deze moderne tijd de orthodoxie nog steeds worstelt; in reform kringen is de vrouw als getuige (en in vele andere zaken) gelijkgesteld aan de man, evenals in het burgerlijk en strafprocesrecht in Israël krachtens de Women’s Rights Act, 5711-1951.

Een andere vraag, die in de aandachtige lezer van de Tora opkomt staat in verband met de bekende verzen uit Sjemot/Exodus 20:5 en 34:7, waarin de Eeuwige wordt omschreven als degene, ‘die de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de ​kinderen​ en kleinkinderen, tot in het derde en vierde geslacht’.
Hoe valt dat te rijmen met de hierboven besproken redelijke uitspraak, dat iedere man alleen om zijn eigen ​zonde​ ter dood wordt gebracht, alleen hij kan voor zijn daden ter verantwoording worden geroepen? Moeten de zonen (voor zoon lees ook dochter) dan niet toch boeten voor de zonden der vaderen (voor vader lees ook moeder)? Is dat niet hoogst onrechtvaardig?
We moeten bedenken, dat de bepalingen in Devariem zijn gegeven in de sfeer van het strafrecht. De voorschriften in Devariem zijn gericht aan de rechters van Israel, in Exodus gaat het om aanduidingen van eigenschappen van de Eeuwige of wat ruimer gesteld om de werking van de voorzienigheid. Met deze verzen uit Exodus begeven we ons om zo te zeggen in de sfeer van de theologie. Rasji (veel geraadpleegd middeleeuwsncommentator) commentarieert nuchter, dat die vergelding alleen plaats vindt als de zonen volgen in de voetsporen van hun vaders. In overeenstemming met de Joodse overtuiging omtrent de vrije wil heeft de zoon altijd de keuze om het slechte voorbeeld van de ouders niet te volgen. De vergelding is van toepassing op wat de zoon zelf aan slechts doet in navolging van zijn vaders voorbeeld en is dus geen plaatsvervangende vergelding van de slechte daden van de vader.

De Tora gebruikt de typische woorden die passen bij archaïsch personalistisch beeld van een godheid, die boos is en persoonlijk vergelding zoekt. In mijn denken zijn in een wereld van fysische wetten en psychologische tendenties oorzaak en positief of negatief gevolg bruikbaarder termen dan zonde, straf en beloning. Toch zouden we onder de bewoordingen van de Tora een intuïtie kunnen vermoeden omtrent een principe, dat is uitgewerkt in de moderne systeemtheorie in de psychologie, het principe dat het individu altijd moet worden gezien in zijn sociale context, cq het kind in de context van het gezin. Nu zouden we waarschijnlijk andere dan bijbelse woorden gebruiken om het verschijnsel te beschrijven van de enorme invloed die de levenswandel van vader/moeder op zoon/dochter en kleinkinderen kan hebben, ten goede, maar ook ten kwade, een invloed die generaties lang kan doorwerken. Kinderen, die opgevoed zijn in een crimineel milieu lopen de kans zelf ook crimineel te worden. Een alcoholische vader of moeder brengt vaak kinderen groot, die ook alcoholist worden. Vergelding en woede zijn de termen die de Tora gebruikt om ons ervan te doordringen, dat slechte daden van de ouders een kwaadaardige moeilijk te keren doorwerking hebben op hun nakomelingen; ze sporen ons aan om vanuit dit besef alleen al ten behoeve van de kinderen op het rechte pad te blijven.  Maar niet alleen slechte daden en ondeugden van de ouders kunnen verstrekkende invloed hebben op de nakomelingen, ook andersoortige gezinsdrama’s kunnen nog generaties lang een merkbare en soms fatale doorwerking hebben. De loyaliteit van kinderen aan hun ouders maakt, dat ze de schuldgevoelens en het leed van hun ouders overnemen en daaronder onevenredig lijden; in zekere zin boeten ze voor hun (voor)ouders; tot op zekere hoogte is dat misschien onvermijdelijk.

noten

(1) ) Vele andere aspecten van deze parasja heb ik belicht in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 en op mijn website www.robcassuto.com
(2) bv Ovadja Sforno (16e eeuw) ad hoc
(3) Talmoed Sanhedrin 27b, Sefer Hachinuch 589:1
(4) Zie wetboek van Strafvordering art 271
(5) o.a. op grond van Talmud Shevuot 30a: ‘De getuige eed wordt toegepast bij mannen, maar niet bij vrouwen’  

 

 RC sept 2019

 

 

Nieuws

Parasjat Ki tetsee Devariem/Deuteronomium 21:10 - 26 Vaders en moeders, zonen en dochters Deze parasja Ki Tetsee gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken en nog tal van andere zaken (1). 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasja, de meeste van alle parasjot. Een van die vele bepalingen luidt Lees meer >>
De nieuwe 'Joods Nu' is uit met als thema Wie vindt een plek in onze kille?. Hierbij een uitgebreide versie van de bijdrage van ons lid Elco Aronstein over Over Joodse traditie(s), cultuur, religie en identiteit. Lees meer >>

september

  • <  
  •   >
z m d w d v z
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30