Liberaal Joodse Gemeente Gelderland, progressief en gastvrij.

29 november 2020 | 13 Kislev 5781

Parasja van de week

shiviti

Parasja van de week

Parasjat Wajetsee Beresjiet /Genesis 28:10 – 32:4

Vertrekken en opnieuw beginnen

In deze parasja (1) vertrekt Jacob uit zijn vaderhuis te Berseba (Beër Sjeva) op de vlucht voor zijn op wraak beluste broer, wiens vaderzegen hij slinks aan vader Isaac had ontfutseld. Zijn bestemming is Paddan Aram (in het tegenwoordige Syrië) de woonst van zijn oom Lawan. Nav de vorige parasja belichtte ik het thema broederstrijd, dat door het hele boek Genesis (en de geschiedenis) heen speelt. Het thema dat ik nu graag naar voren haal is vertrekken en opnieuw beginnen, dat kenmerkend is voor Jacob, de geschiedenis van de Israëlieten en de Joden in breed verband.

Het vertrekken en opnieuw beginnen neemt een aanvang bij Jacobs grootvader Avraham (voorafgegaan door het vertrek van vader Terach uit Ur). Het afscheid van zijn vertrouwde familie in Charan is voor Avraham noodzakelijk om onafhankelijk van de religieuze praktijken van zijn familie een nieuw leven te beginnen naar zijn eigen inzichten over de Ene godheid van rechtvaardigheid en mededogen. Avraham vertrok in het gezelschap van zijn vrouw Sara, zijn personeel en zijn vee naar Kanaän en vaak brak hij op om weer elders in deze streken neer te strijken.

Zijn kleinzoon Jacob die zich ambitieus – als was het meer met list dan met eerlijke middelen - had opgeworpen als erfgenaam van Avrahams geloofsgoed stond misschien nog wel voor een grotere onderneming toen hij moederziel alleen uit Berseba vertrokken was en met een volstrekt open toekomst voor zich zijn moede lijf voor een eerste nachtrust onder de blote hemel neerlegde met een paar stenen om zijn hoofd als bescherming en hoofdkussen. Daar kreeg hij zijn beroemde droom over de ladder naar de hemel met de engelen die naar boven en beneden gingen. De meest eenvoudige uitleg van de engelen is misschien dat de naar boven gaande engelen vooral smeekbeden om bescherming waren van de eenzame man in een vreemde omgeving. De neergaande engelen waren dan de tekenen van bevestiging van die bescherming. Bescherming klonk ook door in de woorden die Jacob in zijn droom hoorde van de Eeuwige die bij hem (alav) stond (28:13).

De midrasj vertelt hoe Jacob in de droom door de Eeuwige een ver zicht in de toekomst werd gegund. (2) Laten we ons eens voorstellen dat hij gezien zou kunnen hebben hoe hij en na hem zijn nakomelingen tot in honderden generaties ver menigmaal zouden opbreken, inpakken (of zelfs dat niet), vertrekken, zich weer zouden vestigen en opnieuw beginnen.

Bij zijn oom Lavan zag Jacob zich uitgroeien tot een vermogend man met een groot gezin, maar na twintig jaar zag hij het moment aangebroken voor vertrek en een nieuw begin, dat zijn culminatie zou vinden toen tijdens zijn existentiële gevecht met de engel hem een nieuwe naam werd gegeven: Israël. Na bijlegging van het conflict met zijn broer Ezau zou na vele jaren Jacob nog eenmaal moeten opbreken om naar een heel nieuw land te gaan, Egypte. Daar was zijn zoon Jozef al eerder naar vertrokken om daar beginnend als slaaf op te klimmen naar vicekoning. Maar niet alleen Jacob vestigde zich op zijn oude dag nog in een vreemd land, ook zijn elf andere zonen deden dat door hongersnood gedwongen en bleven daar om gedurende vierhonderd jaar uit te groeien tot een grote menigte die na dat lange verblijf toch ook weer geroepen werd te vertrekken om te horen bij de heilige berg hoe Avrahams erfenis door bemiddeling van Mozes nu in een revolutionaire verbale vorm werd gegoten als basis voor een functioneren als een nieuw volk: de Tora.

Gesetteld in de streken waren de aartsvaders als nomaden hadden geleefd waren ze toch niet bestemd om daar voor altijd te blijven. Een vernieuwing vormden de profeten die steeds waarschuwden om de richtlijnen van de Tora te blijven volgen, maar dat mocht niet baten Na vijfhonderd jaar roerig verblijf in Kanaän  werden de Judeeërs afgevoerd in ballingschap naar het Babylonische rijk in Mesopotamië, een ballingschap die na zeventig jaren werd afgesloten met een terugkeer in Judea. Die ballingschap luidde die tegelijkertijd een vernieuwing in van het geloofs- en gedachtegoed in de vorm van de definitieve optekening daarvan onder leiding van Ezra, hetgeen het begin betekenden van een nieuwe praktijk van uitleg en commentaar. Vanaf het jaar 70, de verwoesting van de tempel te Jeruzalem begon het massale vertrek uit de Romeinse provincie Palestina. Het einde van de tempel en het verblijf in vreemde landen bracht wel weer een vernieuwing met zich mee, de mondelinge leer werd opgetekend en zo behouden voor volgende generaties: de Talmoed en de midrasj.

Tweeduizend jaar ballingschap nam een aanvang, tweeduizend jaar waarin steeds gemeenschappen van Joden – soms na vele eeuwen - door vervolging of verbanning werden gedwongen, soms na moordpartijen en met achterlating van vele doden, te vetrekken en elders opnieuw te beginnen. Maar steeds werd de geestelijke erfenis van Avraham en Mozes en de daaropvolgende leraren meegenomen en ieder generatie bracht weer nieuwe vernieuwende inzichten aan. De twintigste eeuw kende een ongekende opleving van antisemitisme en tegelijk in toenemende golven de terugkeer van Joden naar de plek van oorsprong. Het verbijsterende dieptepunt van de sjoa gaf niettemin een definitieve push aan de stichting van de staat Israël.

Vertrekken en opnieuw beginnen gaf zoals boven geschetst vaak een impuls tot creatieve vernieuwing van het gedachte- en geloofsgoed in de Joodse gemeenschap.  Is dat fenomeen nu met de massale terugkeer en thuiskomst in het zo lang beloofde land nu tot stilstand gekomen?  Om weer een nieuw begin te maken met de toekomst, om uit de verstarring van een volhardende en benauwende status quo of een proces van verval in routine en vastgeroeste posities te stappen naar nieuwe creatieve nieuwe verhoudingen moeten we in Israël (en als we Israël zien als pilot project voor de wereld ook in de wereld) beslist niet wachten tot geweld of noodzaak daartoe dwingt.

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA   , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) Bijv. De midrasj veronderstelt dat Jacob in de engelen die de ladder op en neer gingen zijn de komende rijken ziet die in de verre toekomst zullen opkomen en weer verzinken, zoals de Babyloniërs, de Meden en Perzen, de Grieken en de Romeinen. (Pirké de Rabbi Eliezer 35)
Gen 28:  ‘Je zult zo veel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is’ ontlokt het rabbijns commentaar, dat dit slaat op de behandeling van de Joden in hun verbanning als stof waar je op trapt, maar ook op stof als het positieve fenomeen: stof dat hoger opwaait dan de persoon die erop trapt, verwijzend naar dat de Joden hoger zullen rijzen dan de volken die hen vernederen. (Rabbeinu Bachya ad loc)

  

Parasjat Toldot    Beresjiet/Genesis 25:19-28:9

Twee naties

Genesis is mede een verslag van een fundamentele broederstrijd. Het is een strijd, die de ontwikkeling van het volk van Israël zal bepalen en die misschien wel iconisch is voor de ontwikkeling van de mensheid. Het is een strijd tussen twee polen: de pool van de grove macht van het fysieke en mentale geweld en de zachte kracht van de geest en moraliteit. Vaak lijkt de laatste ondergeschikt aan de eerste. De eerste manifestatie hiervan in de bijbel vind plaats als Kajin zijn jongere broer Abel (Hevel) doodslaat. Abrahams stuurt zijn oudste zoon Ismael (Jisjmael) vanwege diens spot om zijn jongere halfbroer Isaac weg de woestijn in. Het volgende bedrijf speelt zich in deze parasja (1) af als Isaacs vrouw Rebekka (Rivka) zwanger wordt van een tweeling. In de baarmoeder botsen de twee al tegen elkaar (2) en maken de moeder wanhopig. Ze vraagt raad aan de Eeuwige, die antwoordde (de midrasjiem zeggen bij monde van Avraham, resp via de jesjiewa van Sjem) (HSV 25:23):
Er zijn twee volken in uw schoot,
en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden.
Het ene volk zal sterker zijn dan het andere
en de meerdere zal de mindere dienen
.
(rav jaäwod jaïer)

In de boezem van Isaacs familie komt deze strijd tussen de macht, kracht, impulsiviteit en emotie enerzijds en geest, overleg, bedachtzaamheid weer boven en tot volle ontplooiing. Hij wordt nu belichaamd door Ezau (Esav) en zijn enkele minuten jongere tweelingbroer Jacob. Dat hij in de baarmoeder van Rebekka al is begonnen laat zien hoe fundamenteel deze tweespalt is. Moest Abel, de man van de geest nog het onderspit delven voor zijn impulsieve en sterke oudere broer Kajin en moest de vreedzame Isaac nog worden beschermd voor zijn onstuimige broer Ismael, Jacob zal het zelf moeten doen en hij zal uiteindelijk niet wijken voor de macht van Ezau, al is de strijd niet beslist en duurt hij nog steeds voort.

Samson Raphael Hirsch (1808-1888, grondlegger van de moderne orthodoxie) ziet (3) de twee broers twee soorten naties representeren. De ene staat bouwt zijn grootheid op grond van geest en moraliteit en het menselijke in de mens, de ander zoekt zijn grootheid in berekening en macht, geest en macht, moraliteit en geweld staan tegenover elkaar en al vanaf hun ontstaan zullen ze tegenover elkaar staan. De ene staat zal steeds machtiger zijn al de andere. De schaal zal voortduren nu eens naar de ene kant dan weer naar de andere kant doorslaan. De hele geschiedenis is niets anders dan een strijd over of de geest of het zwaard de dienst uit zal maken of zoals de Oude Wijzen zeggen: Jeruzalem of Caesarea (destijds de Romeinse hoofdstad van het bezette beloofde land).

Dat schreef de rabbijn in de 19e eeuw, nog onbewust van wat er allemaal komen zou. Ook nu in deze wereld van nieuwe politieke en maatschappelijke verschuivingen zien we deze worsteling plaatsvinden. Maar ook in onszelf kunnen we met enige reflectie de impulsieve, manipulerende amorele, egocentrische stem ontwaren naast een beter weten over wat de menselijkheid van ons vraagt.
Ik ontkom niet aan het beeld, dat ik in Barak Obama meer een persoon in de buurt van Jacob zie en Donald Trump als een manifestatie van Ezau

De meerdere zal de mindere dienen, rav jaäwod jaïer. Hirsch benadrukt dat rav niet de ‘oudere’ betekent (zoals in sommige vertalingen zoals de NBV) maar ‘groot in aantal en macht’. Uiteindelijk zal de machtige zich moeten schikken naar de geest en de moraliteit. Macht en geest kunnen niet zonder elkaar maar de macht zal de geest moeten erkennen en dienen. Dat is misschien ook de kern van de verzoening (misschien een groot woord, wederzijdse erkenning is misschien beter) die Jacob later met Ezau zal bereiken in de volgende parasja.

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA   , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) Wanneer botsten Ezau en Jacob in de buik van Rebekka? De vrome Oude Wijzen wisten: als Rebekka voorbij de Tora academie van Sjem kwam schopte Jacob om eruit te komen en als ze voorbij een heidense tempel kwamen wilde Ezau door schoppen uit de baarmoeder komen (Genesis Rabba 63:6)

(3) In zijn Tora commentaar ad loc

 RC 2020

Parasjat Chajee Sara             Beresjiet/ Genesis 23:1–25:18

Zinvol leven, rustig heengaan: in memoriam Jonathan Sacks

De parasja Chajee Sara (1) gaat over dood en nieuw leven. Het begin van de parasja beschrijft de dood en begrafenis van Sara en aan het eind de dood en begrafenis van Avraham. Daartussen in lezen we het ontroerende verhaal van hoe Avrahams knecht een vrouw voor Isaac (Jitschak), Rebekka (Rivka) vindt en naar Avrahams tenten brengt. Zo is de basis gelJonathan Sacksegd voor de continuïteit van Israëls bijzondere geschiedenis.
In de week van deze parasja over de dood van de aartsvader en de aartsmoeder, is ook - te vroeg - na een kort ziekbed overleden Lord Jonathan Sacks, zijn stem die inzake religieuze verdraagzaamheid en antisemitisme gezag had in de Joodse wereld en ver daarbuiten zal niet meer klinken. Aan de boeken en frisse, erudiete en ruimhartige visie op de Tora van deze emeritus opperrabbijn van het orthodoxe Jodendom in Engeland hebben velen waaronder mijn persoon nieuwe inspiratie opgedaan. (2)
Hij is als trouwe commentator op de parasja van de week niet meer toegekomen aan een nieuw commentaar op de parasja Chajee Sara voor 5781. Laten we eens kijken wat hij heeft geschreven in zijn commentaar van het jaar daarvoor, Dat gaat over hoe Sara en Avraham na een leven vol beproevingen toch in volle vrede zijn gestorven.(3)

Van Avraham weten wij dat hij in volle vrede is heengegaan omdat dat expliciet vermeld is in 25:8: ‘Toen gaf Abraham de geest en stierf in goede ouderdom, oud en (van het leven) verzadigd’.
Van Sara veronderstellen we dat op grond van Rasji’s uitleg van de Hebreeuwse tekst over haar heengaan, die letterlijk vertaald luidt: ‘Het leven van Sara was honderd jaren en zeventig jaren en zeven jaren, de jaren van het leven van Sara’. Waarom wordt dat nogmaals vermeld aan het eind, de jaren van het leven van Sara, nu zonder getallen? Dat is om aan te geven dat alle jaren voor Sara even goed waren (dus ook het laatste), annoteert de middeleeuwse meester.

Beiden overleden in een serene kalmte ondanks de tegenslagen die zowel Sara als Avraham te verduren hadden, tegenslagen die hen niet tot verbitterde slachtoffers maakten. Sara moest de gevaarlijke tijd in de harems van de farao en koning Avimelech doorstaan, waarin zij was terechtgekomen toen zij om haar echtgenoot voor represailles door deze machtige heersers te behoeden zich als zijn zuster had voorgedaan. Ook haar lange kinderloosheid ondanks alle goddelijke beloften aan haar en Avraham was een aanslag op haar moreel geweest. Ook moest ze lange tijd verduren dat haar noodgedwongen aan Avraham als bijzit afgestane slavin Hagar bij Avraham een zoon had en zij niet, tot eindelijk Isaac was gekomen. Sacks ziet als bittere pil voor Avraham, dat hij ondanks alle beloften van God van een hem toekomend land toch nog steeds een nomade is gebleven, een vreemdeling in Kanaän, die met veel moeite een eerste stukje grond van de Hethieten had losgekregen voor een graf voor zijn vrouw, de trouwe metgezel van zoveel jaren die hij moest verliezen. Ook het bijna-offer van zijn lang beloofde geliefde zoon (zie vorige parasja) deed hem niet van zijn rotsvast geloof vallen. Ondanks al deze beproevingen was zijn gevoel van goddelijke nabijheid ongeschokt, gezien de mededeling in 24:1, dat de Eeuwige Avraham in alles had gezegend.

Wat is de inspiratie die Avraham en Sara deed opbreken uit een vertrouwde omgeving naar een vreemd land, waar onzekerheid en onveiligheid hen wachtte?
Wat maakte, dat hun vastbeslotenheid niet wankelde en zij hun innerlijke rust konden bewaren?  Het is het geloof dat zij hadden in de betekenis van hun leven om, ondanks dat de schijn vaak tegenzat, voorlopers te zijn van een bijzonder volk, dat uit hen zou voortkomen, en om als zodanig pioniers te zijn van een levenswijze op basis van rechtvaardigheid en compassie, die de wereld als voorbeeld zou dienen. Dit weten waarom je leeft geeft een geestelijke rust die je de grootste ontberingen doet trotseren. (4)

Sacks zegt dan: ‘de kalmte van Sara en Avraham ten overstaan van de dood kwam voort uit een diepgaande kalmte ten overstaan van het leven. Avraham wist, dat alles wat hem overkwam, zelfs de slechte zaken, deel uitmaakten van de weg, waarop God hem en Sara had gezonden, en hij had het geloof om door de vallei van de schaduw van de dood te gaan zonder vrees voor het kwaad, omdat hij wist dat God met hem zou zijn.’
Ik ben ervan overtuigd, dat deze zinnen ook gegolden kunnen hebben voor Jonathan Sacks, hij ruste in vrede.

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA   , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) We laten evenwel in deze noot niet onvermeld dat de propagandist van religieuze tolerantie met zijn ruime stellingname in zijn boek ‘The dignity of Difference’  inzake het spreken van God in verschillende religieuze talen en meervoudige waarheden – een moeizame relatie had met het progressieve Jodendom in zijn land.
https://www.theguardian.com/global/2020/nov/08/lord-jonathan-sacks-obituary

(3) https://rabbisacks.org/to-have-a-why-chayei-sarah-5780/

(4) In zijn commentaren noemt Sacks vaak survivors van de Sjoa als voorbeelden van mensen, die ondanks de geleden verschrikkingen zich niet opstelden als slachtoffers van hun verleden, maar als scheppers van een zinvolle toekomst, zoals Israel Kristal, de oudste man van de wereld die op 114-jarige leeftijd overleed in Israël, Edith Eger, de psychotherapeut die haar ervaringen op 90-jarige leeftijd publiceerde (Edith Eger, The Choice, Rider, 2017), psychotherapeut Victor Frankl (Man’s search for meaning). De bekendste Engelse survivor en populaire voorman van de Reform in Engeland, Hugo Gryn (overleden 1996), voert hij niet op. Het doet pijn, dat hij onder druk van de rechtervleugel van de orthodoxie niet op diens begrafenis was.

RC 2020

Parasjat Wajera            Beresjiet/Genesis 18:1 – 22:24

Spreken en zwijgen

In de parasja Wajera worden een aantal sleutelgebeurtenissen verhaald uit het leven van Avraham. Na het bezoek van de drie ‘mannen' (engelen), die, gastvrij onthaald door Avraham, hem de geboorte van een zoon uit Sara aankondigen, de verzen komt er een opmerkelijke passage18:17 t/m 19 (HSV):
‘En de Eeuwige zeide: ‘Zal Ik voor  Abraham  verbergen, wat Ik doe? Aangezien Abraham gewis tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden. Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van de Eeuwige houden, om te doen gerechtigheid en gericht’.
‘Ik heb hem gekend' (jadativ) is een uiting van liefde en wil eigenlijk zeggen; ‘Ik houd van hem' en zo vertaalt Dasberg het ook. Andere vertalingen hebben gekozen voor (uit)gekozen. Dat ‘opdat (lema’an) hij zijn kinderen etc' is geen opdracht van de Eeuwige, maar is eerder causatief op te vatten: Hij kende Avraham en wist dat hij zijn kinderen zou opdragen de weg van de Eeuwige te bewandelen, daarom koos Hij hem. En wat is de ‘weg van de Eeuwige' dan? Het doen van tsedaka en misjpat, ‘deugd en recht' vertaalt Dasberg,

Dan onthult  de Eeuwige zijn voornemen om de twee ontaarde steden Sedom en Amorra te vernietigen. De aartsvader trekt zich het lot aan van de onschuldigen, die mogelijk zouden worden meegesleept in het fatale goddelijke oordeel (18:22 ev). ‘Wilt U ook de rechtvaardige verdelgen samen met de boosdoener?' was Avrahams verbaasde – misschien wel verontwaardigde - reactie. We zien in Avraham het besef ontluiken dat religie en ethiek niet los van elkaar staan. Hij houdt zich bezig met wat gerechtigheid is en de morele afweging die daarbij hoort. Voor de eerste keer waagt de mens Avraham het erop de strenge godheid daarover te bevragen. In een lang gesprek pleit hij voor matiging van de goddelijke woede en rekening te houden met gerechtigheid en compassie. God moet een zucht van verlichting hebben geslaakt en wie weet even hebben geglimlacht – als ik even op de antropomorfe toer mag blijven - , toen Hij merkte dat zijn geliefde pupil met zijn vragen inderdaad bleek te beschikken over compassie, een besef van rechtvaardigheid en het vermogen om daar denkend uiting aan te geven en in daden vorm te geven. 

De principes van gerechtigheid en compassie – hoe vervormd soms ook in de contingente praktijk van het mensdom – vormen sindsdien het fundament in het Jodendom en, soms anders begrepen, in het Christendom en de Islam. Religie is niet alleen gehoorzaam het ritueel volgen maar ook daarmee verbonden moreel bewust leven. Avrahams leven geldt als een lichtend voorbeeld. Maar als ‘Jood avant la lettre' kan hij het debat niet nalaten. ‘Als God ons verstand heeft gegeven, heeft Hij ook de bedoeling gehad, dat we dit zouden gebruiken, zelfs als dat zou betekenen, dat we daarmee de hoogste bevelen zouden uitdagen', aldus de Joodse denker en ethicus Susan Neiman over Avraham.(3)

Een contrast met Avrahams dialoog met de Eeuwige over Sedom en Amorra lijkt het gebeuren rond het offer van zijn geliefde zoon Jitschak dat de Eeuwige van hem vraagt (22:1 ev). Zonder morren zadelt de vader zijn ezel en gaat met zijn zoon op reis naar de offerplaats op de berg Moria.

Het mainstream Jodendom ziet dit als een staaltje van Avrahams toewijding. Jewish Renewal-rabbijn Michael Lerner (4) daarentegen meent dat Avraham was bevangen in het halfduister van oude ‘heidense’ opvattingen en dat hij pas toen de engel bij het altaar hem toeriep het offer van zijn zoon te staken de ware stem van gerechtigheid en compassie hoorde. De grootheid van Avraham is niet (curs. ML) dat hij zijn zoon naar de berg Moria (….) neemt zodat hij hem kan offeren. Nee, de grootheid van Avraham is dat hij er niet mee doorgaat.

Emeritus opperrabbijn van Engeland Rabbi Jonathan Sacks (5) wijst op de gangbare familie opvatting in het oude Midden-Oosten - en ook vaak nog te vinden in het moderne veelal Islamitische Midden-Oosten - dat de vader de absolute macht heeft over zijn gezin, een macht over leven en dood. In Sacks' uitleg gaat de Tora tegen deze opvatting in. Het verzoek ging niet om een kinderoffer maar om iets heel anders: de Eeuwige wilde dat Avraham ervan af zou zien zijn zoon als zijn eigendom te beschouwen. Het verhaal wil ons bijbrengen, dat kinderen geen bezit van de ouders zijn maar individuen op zichzelf. Sacks noemt dit inzicht de geboorte van de mogelijkheid van individualiteit.

Mij intrigeert het zwijgen van de vader tijdens de bijna drie dagen durende reis naar de offerplaats.  Er is geen dialoog van Avraham met de Eeuwige over gerechtigheid, geen beroep op compassie. In hem moet de pijn hebben geschuurd van het besef, dat in het leven soms de allerliefste moet worden losgelaten.

noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA   , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) Jadativ van  jada, weten in het oud-Hebreeuws. heeft een rijke betekenisonderlaag van beminnen (tot en met het fysieke beminnen toe), zoals Rasji ook toelicht in zijn aantekening bij dit vers: het is een uiting van liefde

(3) In: ‘Is Morality Driven by Faith? ' Washington Post, okt. 2008 .

(4) Michael Lerner, Jewish Renewal: A Path to Healing and Transformation (1994), hfst 2, Abraham and the psychodynamics of childhood, controversieel en boeiend…

(5) Jonathan Sacks: http://www.rabbisacks.org/binding-isaac-vayera-5775/

Parasjat Lech lecha    Beresjiet/Genesis 12-18

Avraham en Hagar

Als Avrahams vrouw Sara maar steeds geen kinderen krijgt stelt zij haar echtgenoot voor dat hij dan maar een kind moest proberen te krijgen bij de Egyptische slavin Hagar.(1) Toen Hagar zwanger werd en hooghartig begon te doen naar haar meesteres maakte Sara haar het leven zwaar, dit met uitdrukkelijke toestemming van Avraham, die hierin de partij koos voor zijn vrouw ondanks dat eindelijk een eerstgeboren zoon op komst was. Hagar hield de pesterijen niet uit en vluchtte van Avrahams tenten weg. Een engel maande haar terug te gaan naar haar strenge meesteres en stelde haar de geboorte van een zoon in het vooruitzicht die een machtig man zou worden met vele nakomelingen. Het bezoek van de engel vond plaats bij de bron Be’er Lachai-Roï (Gen 16:14). Die bron zullen we later in dit verhaal nog een keer tegenkomen. Hagar krijgt een zoon, Ismaël (Jisjmael). Maar de relatie tussen Sara en Hagar zal er niet beter op worden als 14 jaar later Sara alsnog een lang verhoopte zoon krijgt: Isaac (Jitschak). Hoe liep het verder af met Avraham, Hagar en Isaac?

Als Sara meent te zien dat op het feest gegeven ter gelegenheid van het spenen van de peuter Isaac de puber Ismael hem bespot (metsachek, let op de woordgelijkenis met Jitschak = ‘hij zal lachen) dring ze er bij Avraham op aan de slavin en haar zoon weg te sturen.(21:10 ev)  Dat doet Avraham met grote tegenzin. Telkens kiest de aartsvader de partij van zijn vrouw (daartoe trouwens aangemaand door de stem van de Eeuwige). Hij stuurt de Egyptische en haar zoon met wat brood en een zak met water de woestijn in. Als het water op is en de jongen van dorst dreigt te sterven en Hagar om dit niet aan te zien een pijlschot verderop huilend neerzit komt een engel haar zeggen dat het kermen van de jongen is gehoord en haar ogen ontwaren opeens een waterput die zich vlakbij haar blijkt te bevinden. Na deze wonderbaarlijke redding groeit Ismael voorspoedig op en Hagar koos een Egyptische vrouw voor hem uit.

In de rabbijnse traditie heeft Ismael geen goede naam. Toch is er niets wat daar aanleiding toe geeft. Rabbijn Jonatan Sacks (2) wijst erop, dat de tekst van de Tora weliswaar Isaac als opvolger van Avrahams erfenis aanwijst maar beslist Ismael niet afwijst; ook aan hem wordt macht, land en een overvloedig nageslacht beloofd. In een late midrasj uit de 7e eeuw, de Pirkee deRabbi Eliezer (3), wordt de figuur van Ismael als goddeloos en losbandig voorgesteld – misschien wel om de persoon van Sara te disculperen van haar minder mooie jaloersheid. Maar het geschrift vertelt ook dat een bezorgde vader Avraham drie jaar na het vertrek van Ismael hem ging opzoeken, nadat hij de jaloerse Sara had bezworen niet van zijn kameel af te zullen stappen. Midden op de dag trof hij Ismaels vrouw aan, die hem zei, dat zijn zoon weg was om fruit te oogsten. De vermoeide reiziger vroeg om een stukje brood en wat water, maar dat weigerde ze. Avraham zei haar, zeg Ismael, dat een oude man uit Kenaän langs is geweest en dat de ontvangst niet goed was. Ismael begreep de hint, scheidde van zijn vrouw en nam een andere (‘Fatima’ wil de legende). Na drie jaar waagde Avraham het weer en zittend op zijn kameel hoorde hij wederom, dat Ismael niet thuis was en wederom vroeg hij een stukje brood en een slok water. Ditmaal voldeed de vrouw graag aan het verzoek en Avraham ‘stond op en bad voor zijn zoon en Ismaels huis werd vervuld met al het goede en met zegen. Toen Ismael thuiskwam vertelde ze dit alles en Ismael wist, dat Avraham hem liefhad, zoals een vader zijn zoon liefhad.’ Dit verhaal is in verschillende varianten in de Islamitische traditie overgenomen en bewerkt (4). Het biedt mogelijkheden voor een dialoog met de Islam. Ismael verwekte twaalf zonen, die vorsten zouden worden van twaalf stammen.

Een wat werd er van Hagar? De midrasj (5) vertelt nog over een happy end van haar relatie met Avraham.  Avrahams knecht Eliezer had in Haran de aanstaande vrouw van Isaac, Rebekka (Rivka), gevonden. Op de terugweg en bijna thuis was hij tegen de avond aangekomen bij de bron Be’er Lachaj-Roï  (Gen 25:62)- weet je nog, de bron waar de gevluchte Hagar de engel ontmoette die maande dat ze weer terug naar Sara moest. In een veld daar vlakbij trof hij Isaac aan. Waarom was Avrahams zoon bij die bron geweest? Omdat hij net Hagar had opgehaald opdat zijn vader en weduwnaar Avraham haar weer tot vrouw zou nemen, aldus deze legende. In de tekst van de Tora heet Avrahams nieuwe vrouw Ketoera(25:1ev), maar dat is dus niemand minder dan een teruggekeerde Hagar.
Was Sara hem ten behoeve van de geschiedenis van Israël als eerste echtgenote voorbeschikt, misschien was Hagar wel de romantische vrouw van zijn leven. Zo’n tweespalt zou zich herhalen bij zijn kleinzoon Jacob en diens vrouwen Lea, de minder geliefde, en Rachel, de innig geliefde. De bejaarde patriarch krijgt bij haar nog zes zonen (over dochters wordt niet gesproken), die op hun beurt de stamvader zullen zijn voor vele stammen.
Inderdaad, vele volken zijn uit Avraham voortgekomen

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Lech lecha zijn te vinden in mijn boek  REIZEN DOOR DE TORA  , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn  website  

(2) in zijn boek ‘Niet in Gods naam’, met name tav de rol van Avraham, Hagar en Ismael, zie hfst 6, ‘De halfbroers’

(3) Pirkee deRabbi Eliezer. Hfst 29

(4) Zie uitgebreid hierover Marcel Poorthuis, ‘Hagar’s Wanderings: Between Judaïsm and Islam’ Der Islam 2013; 90(2): 220–244

(5) In de midrasjverzameling Beresjiet Rabba (60:14)

 

Parasjat Noach Beresjiet Genesis 6:9-11:32

Hoe rechtvaardig was Noach ?

De vorige Parasja Genesis/Beresjiet eindigt met de constatering, dat de mensen alleen nog maar slechte en gewelddadige dingen deden en de Eeuwige spijt had van zijn schepping. Hij besloot tot een algehele eliminatie van mens en dier door een immense watervloed.  Alleen de man Noach, de enige rechtvaardige onder de verdorven mensheid, besloot Hij te sparen.
Zo wordt Noach in het begin van de parasja Noach (1) geïntroduceerd: 6:9: ‘Dit zijn de generaties van Noach. Noach was een rechtvaardig man, onberispelijk (een iesj tsaddiek tamiem) onder zijn generaties (be-dorotav), Noach wandelde met God.’

Je zou zeggen dat de kwalificatie van Noach als een rechtvaardig en onberispelijk bijna niet te overtreffen is. Toch zetten de Oude Wijzen een paar stevige kanttekeningen bij de persoonlijkheid van deze redder van mens en dier.

Rabbi Jehoeda (2e eeuw) haalt uit dat ‘onder zijn tijdgenoten' (be-dorotav, ‘in zijn generaties') een sterke relativering van Noachs goede eigenschappen. Had Noach geleefd in de generaties van Mozes of Samuel dan was hij niet opgevallen als een bijzonder rechtvaardige; onder de blinden wordt de eenogige helderziend genoemd en de kleuter een geleerde. In een verdorven wereld is valt een klein beetje rechtvaardigheid al snel op.
Maar - zoals het in het rabbijns discours vaak toegaat - heeft zijn collega rabbi Nechemja een tegenovergestelde mening: als hij in die generatie destijds al een rechtvaardige was, hoeveel te meer zou hij dat niet in de tijd van Mosjee (Mozes) zijn geweest! (2). Als je in een verdorven wereld rechtvaardig leeft, wat voor power heb je dan niet om desondanks rechtvaardig te zijn!

De twee genoemde rabbijnen gaan verder met de grootheid van de persoonlijkheid van Noach te vergelijken met die van zijn nakomeling van tien generaties later: Avraham.
Van Noach hebben we net gelezen dat ‘hij rechtvaardig was en dat hij wandelde met God' (6:9). Dat is toch niet niks. Maar wanneer Avraham in de volgende parasja wordt geïntroduceerd staat er weliswaar niets over zijn karakter of goede eigenschappen, maar wel (in het vers, waarin de Eeuwige hem een verbond aanbiedt (17:1)): ‘Wandel voor mij uit en wees onberispelijk', een opdracht voor de toekomst, hij moet het allemaal nog waarmaken.
Maar de twee geleerden ontwaren niettemin een markant verschil ten gunste van Avraham. Rabbi Jehoeda ziet het wandelen met God van Noach als minder groots dan  het wandelen voor God uit van Avraham: de morele kracht van Noach was zwak als een kind, waarvan de vader zegt: wandel bij mij. De morele kracht van Avraham was groot als van een volwassene, waarvan de vader zegt: wandel voor me uit. Rabbi Nechemja ziet dat ook ongeveer zo als hij Noach vergelijkt met een vriend van de koning; de vriend zakt weg in de modder en de koning zegt: wandel met mij hier is de grond stevig. Abraham is de vriend van de koning, die vanuit zijn raam de koning ziet wandelen in een donkere steeg en hem met een licht bijlicht; de koning zegt dan: kom je huis uit, vriend, en loop met je licht voor mij uit.(3)

Maar er is nog iets met dat wandelen met God: het klinkt nogal geïsoleerd, zo signaleert onder anderen R. Levi Jitschak van Berditchev (18e eeuw) (4). Het bewijst Noachs afstandelijkheid naar zijn medemensen. Hij wandelde met God maar niet met zijn medemensen, sterker nog hij had moeten proberen ze tot ommekeer te brengen en de rechte weg te wijzen. En mocht dat niet gelukt zijn, dan had hij toch in gebed om coulance kunnen vragen. (5)

Men wijst dan op het contrast met Abraham en Mozes in situaties waarin de catastrofale vernietiging van grote collectieven aanstaande was. Abraham trok zich het lot aan van mogelijk onschuldige burgers in de verdorven steden Sodom en Gomorra en pleitte voor compassie. (Gen/Ber 18:22 ev). Mozes trachtte na de zonde van het gouden kalf Gods woede van het volk van Israel af te wenden en riep Zijn barmhartigheid in; Mozes bood zelfs aan dat in plaats van het afvallige volk van de Israëlieten hìj zou worden uitgeschreven ‘uit het boek dat U geschreven hebt’ (Ex/Sjem 32:32). Zijn levenswerk was gericht op de gemeenschap en het bouwen van een fundament van recht en omzien naar de ander. In de tijd dat Noach zijn ark bouwde – de midrasj weet te melden dat dat 120 jaar duurde - zweeg de man (5). Hij was alleen bekommerd om de redding van zichzelf en zijn familie. (6) Zo zien we een zekere volwassenwording van moreel besef van Noach naar Avraham en dan naar Mozes.
Parallel daaraan zien we ook hoe de Eeuwige ‘opgroeit’ in Zijn verhouding tot de mensen.(7) Bij Noach is de Eeuwige slechts een zender van goddelijke mededelingen. Bij Avraham is de Eeuwige een partner in de dialoog geworden als Hij op Avrahams moedige vragen over gerechtigheid antwoorden geeft. Tot Mozes heeft Hij zich gericht als interactieve inspirator bij de uitvaardiging van een complex van richtlijnen voor een rechtvaardige samenleving.

RC 2020

Noten

(1) Verschillende commentaren op de parasja Noach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .

(2) Midrasj Beresjiet Rabba, 30,9

((3) Midrasj Beresjiet Rabba, 30,10

(4) In zijn Tora commentaar Kedushat Levi

(5) Een andere midrasj voert Noach wel sprekend op. Talmoed Sanhedrin 108b: ‘Noach de rechtschapene placht de mensen van zijn generatie te berispen en hij deed uitspraken die streng als fakkels waren en zij behandelden hem met verachting’

(6) Vgl  Talmoed Kidushin 40a onderscheidt twee soorten rechtschapenheid: ‘Iemand die zowel goed is naar de hemel als naar mensen is een goed rechtschapen person. Iemand die goed is naar de hemel maar slecht naar mensen is een rechtschapen person maar niet goed’.

(7) Deze kant van de zaak haalde ik uit het commentaar op My Jewish Learning

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8 

man en vrouw schiep hij hen

De schepping van de mens, man en vrouw, wordt in Genesis/Beresjiet hoofdstuk 1 in vers 27 uiterst summier weergegeven, bijna zakelijk, in de context van de weliswaar ontzagwekkende, maar toch ook functioneel omschreven ontvouwing van de zes scheppingsdagen. (1) De termen, die hier gebruikt worden voor man en vrouw, ‘zachar' en ‘nekewa' zijn Hebreeuwse woorden die verwijzen naar de functie van voortbrenging en verwijzen naar de opdracht om samen over de aarde te heersen en haar te bevolken. Man en vrouw worden in deze korte introductie als nevengeschikt opgevoerd. ‘Man en vrouw schiep hij hen' (1:27 ) is een indicatie van de volstrekte gelijkwaardigheid van man en vrouw. De uitwerking van de man- en vrouwschepping in meer detail vindt plaats in Genesis 2. Wat is daar te zeggen over hun relatie?

De introductie van de vrouw in Beresjiet 2 komt voort uit een gemis, een inzicht dat er iets mankeert, dat er iets in de schepping nog niet goed is.(2) De Eeuwige constateert dat het niet goed is dat de mens alleen is. Dat gemis als een functioneel te duiden als de behoefte van de mens aan praktisch partnerschap en tegelijk als een emotioneel te duiden verlangen naar liefde en geborgenheid van de nietige mens in een overweldigende kosmos. Dat is een ander perspectief dan het eerste hoofdstuk biedt op de mens als onderwerper en heerser over de aarde met haar dieren en planten.
2: 18 ‘De Eeuwige God zei: Het is niet goed dat de mens alleen is’ – dan volgt: ‘ik zal een helpervoor hem (Adam, de mens) maken die bij hem past',in het Hebreeuws: ezer ke-negdo.

Wat is af te leiden uit dat ezer ke-negdo, in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald als:een helper die bij hem past? Dasberg kiest: passende hulp'. Maar deze vertalingen zijns ‘te harmonisch'. De Herziene Statenvertaling vertaalt: ‘Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem’. Inderdaad is ezer ke-negdo als je hetletterlijk vertaalt ‘een helper (als) tegen hem’ een paradoxale uitdrukking die een spanningsboog in zich bergt, een term die de suggestie van ambivalentie wekt. Bijbelcommentator Umberto Cassuto (3) vat ‘ezer ke-negdo' niet zo paradoxaal op en interpreteert ‘ke-negdo' als ‘gelijk aan', ‘evenwaardig aan' en ‘ezer ke-negdo' als ‘soul mate'. Maar anderen hebben de ambivalentie van de uitdrukking meer gehonoreerd in de sfeer van een dialogische relatie.

Met name de middeleeuwse meester Rasji tekent aan bij ‘ezer ke-negdo': ‘als hij het verdient – een helper, als hij het niet verdient – tegenover hem, om met hem te strijden'.
De Maharal (16e eeuw) heeft daarover gezegd (geciteerd door Nechama Leibowitz in haar commentaar (4)): ‘deze uitleg bevat een diepe waarheid. Man en vrouw vertegenwoordigen twee tegengestelden. Als de man het verdient smelten zij samen tot één geheel. In alle gevallen smelten twee tegengestelden samen om één geheel te vormen wanneer zij het verdienen, dat wil zeggen als de Almachtige die vrede maakt tussen tegengestelden hen verbindt en verenigt. Maar wanneer zij het niet verdienen, dan heeft het feit dat zij tegengestelden zijn tot gevolg dat zij “tegen hem” is'. Een relatie-ethiek in een notendop!

De Joodse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) redeneert ongeveer in deze trant: Eveneens komt het er in de tussenpersoonlijke relatie niet op aan mij en de ander te-zamen te denken, maar tegenover elkaar te staan, en elkaar in 't gezicht te kijken. De werkelijke vereniging of het werkelijke te-zamen is niet het te-zamen van de synthese, maar dat van het van aangezicht tot aangezicht' (5).

Volgt in hoofdstuk 2 het relaas van een zoektocht naar een partner. Onder de dieren die de Eeuwige schiep en aan de mens toonde was die niet te vinden. De geschikte partner werd gevonden in een medemens die tijdens een diepe slaap uit de mens  - uit zijn rib of zijde, tsela - werd afgesplitst en hem werd getoond.
Verheugd roept de mens uit:
2:23 ‘Deze keer is zij het!
been van mijn been,
vlees van mijn vlees.
Ze zal vrouw – ‘iesja' – genoemd worden,
want uit een man – iesj – is zij genomen'
(7)

Van oudsher zagen commentatoren zagen in de creatie van de vrouw uit 'Adams rib'  een overduidelijke aanwijzing naar de ondergeschiktheid, zo niet inferioriteit van de vrouw. De bewoording weerspiegelt natuurlijk de patriarchale optiek van waaruit de Tora is geschreven.  Dat dat helemaal niet onvermijdelijk in de teksten ligt opgesloten en ook andere duiding mogelijk is hebben moderne bijbelgeleerden (met name vrouwen) proberen aan te tonen; daarover een andere keer.
Overigens wekken de lyrische welkomstwoorden van Adam – de mens - sterk de indruk dat vreugde overheerst en de machtsstrijd over wie de baas is en wie de ondergeschikte niet aan de orde is of in ieder geval nog niet begonnen.

noten

(1) Verschillende commentaren op de parasja Beresjiet/Genesis zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .

(2) Dan was alles dan toch niet ‘zeer goed’ (1:31)? Gaat men uit van dat het paradijs drama van hfst 2 en 3 plaatsvond op vrijdagmiddag van de zesde dag – waarvoor Umberto Cassuto pleit - en dat van de schepping van de mens niet wordt gezegd dat die goed was (de goedheid van de mens moet deze steeds waarmaken) dan klopt het; als God daarna zegt van de hele schepping dat alles zeer goed was, dan is dat eerder principeverklaring dan een feitelijke weergave van de realiteit

(3) Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Genesis, part one, from Adam to Noah, The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998,

(4) Nechama Leibowitz Studies in Bereshit/Genesis, WZO, Jerusalem, 1981, 4 e ed.

(5) 'Ethisch en oneindig', gesprekken met Philippe Nemo

 

Overdenking Simchat Tora 5781 
opgedragen aan Marina Irene Pool zichrona livracha

Het zijn bijzondere tijden waarin we ons met deze Simchat Tora bevinden. Er is meer eenzaamheid gekomen en ongerustheid en angstigheid steken soms de kop op. Gelukkig kunnen we zoomen maar het is toch behelpen zonder fysieke nabijheid. En bij sommigen is er sprake van erger verlies: van werk of zelfs geliefden. Zitten we midden in een wake up call voor de wereld? Een oproep aan ons om de vanzelfsprekendheid van ons gedrag onder de loep te nemen? Is daar in het kader van Simchat Tora iets over te zeggen? Ik doe een poging.

Op Simchat Tora sluiten we de jaarcyclus van Toralezing af met het verslag over de zegeningen van Mosjee over de stammen Israels en het relaas van zijn waardige dood. Onder Jehosjoea zullen de Israëlieten de Jordaan oversteken en de wereldgeschiedenis binnenstappen, die met vallen en opstaan, met veel wel en veel wee, ooit moge uitlopen op de messiaanse tijd. Mosjee mocht op de berg Pisga vlak voor zijn dood al een blik werpen op de loop van die geschiedenis tot het einde der tijden, aldus de middeleeuwse meester Rasji (ad 34:2)

Het verhaal over de schepping van de aarde en de mens in Beresjiet staat buiten de geschiedenis. Het is een cyclisch verhaal. Steeds wordt de wereld opnieuw geschapen, ieder jaar, iedere dag als we wakker worden. Steeds opnieuw krijgt de mens – ha-adam – volgens Beresjiet 1:26 de taak om ‘de aarde te onderwerpen en te heersen over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt’.

Hoe staat het met die taak van Adam? Wat is er van een goed beheer terecht gekomen? Dat is een relevante vraag in deze moderne tijd. We zijn ons met onze slimheid en onze prachtige techniek enorm ver gekomen, maar wel een flink eind losgeraakt van de natuur, de dieren en de planten, vervreemd van de aarde.  We hebben haar wel dankbaar gebruikt maar ook genadeloos geëxploiteerd en de aarde slaat terug met opwarming, droogte, overstromingen, uitsterven en met epidemieën. De band van Adam, de mens, met de aarde – adama – is gebroken. Die verbondenheid vinden we wel degelijk terug in het scheppingsverhaal, evenals in veel midrasj. En trouwens ook in de prachtige song Adama van Ofta Haza op tekst van Ehud Manor: Adama ani kesjoeva lekolech, Aarde, ik let op je stem. De volgende woorden uit de midrasj op het boek Kohelet (Prediker) zullen jullie bekend voorkomen: Eens voerde God Adam, de eerste mens, langs de bomen van de tuin van Eden. ‘Zie hoe schitterend ze zijn geschapen’, zei Hij. ‘Zorg goed voor hen, want als je Mijn schepping verwaarloost is er niemand na jou die het verloren gegane kan herstellen’. Herkennen jullie dit?..... Inderdaad uit de alternatieve tweede alinea van het Sjema. Ik wandel graag langs bomen in het bos. Toen ik nog veel hardliep in de bossen bij Nijmegen had ik een favoriete boom, waaronder ik rustte en mediteerde, een oude eik bij de zogenoemde drie meertjes op de St Jansberg bij Mook, beetje heidens misschien, maar ook wel des Adams. Ik voelde me even verbonden.

Over bomen gaat het ook in pasoek 19 van hoofdstuk 20 in het boek Devariem. Het gaat als volgt: ‘Als je gedurende langere tijd een stad moet belegeren om die door middel van oorlog in te nemen, vernietig de vruchtbomen dan niet door de bijl erin te slaan, want je kunt ervan eten, vel hem dus niet. '
Met hulp van de onvolprezen website sefaria.org gaan we iets van de rabbijnse discussie daarover bekijken.
De Rabbijnen gingen deze tekst breed uitleggen: als je vruchtbomen in de meestal door schaarsheid beheerste oorlogsomstandigheden al niet mag omhakken, hoeveel te meer niet in tijd van vrede, dus ging dit verbod gelden voor alle vruchtbomen (1). En van daaruit redenerend werd het ook van toepassing geacht op alle producten die door mensenhanden werden bereid uit aardse grondstoffen zoals kleding, vaten, meubels, en ook nodeloze verspilling ging eronder vallen. Dit principe kwam te boek te staan onder de titel ‘Bal Tasjchit', תַּשְׁחִית בַּל ‘vernietig niet'. Een voorbeeld uit de Talmoed. In het traktaat Shabbat (2) zegt Rav Zutra: Iemand die een olielamp bedekt of iemand die de bedekking van een naftalamp weghaalt schendt het principe van bal tasjchit. Wat bedoelt hij? De middeleeuwse meester Rasji legt uit: Beide handelingen maken dat de olie of nafta sneller verbrandt en vereisen meer brandstof dan nodig is om het licht aan te houden. Het is verspilling van energie.

Maimonides vat in de twaalfde eeuw in zijn grote werk Misjnee Tora de rabbijnse casuïstiek nog eens samen: niet alleen iemand die een vruchtboom omhakt, maar ieder die vaten breekt of kleding verscheurt, een gebouw vernietigt, een bron doet verstoppen, of voedsel vernietigt schendt het principe van Bal Tasjchit.(3) Het accent ligt sterk op het teloorgaan van economisch of maatschappelijk nut

Ook in sefer ha-Chinuch (4)– de middeleeuwse behandeling van de 613 geboden – staat zoiets maar het boek heeft als motivatie voor het verbod ook oog voor liefde en respect voor de schepping an sich: het dient om ons te leren om het goede lief te hebben, ervan te genieten en je aan het goede te hechten. En daardoor hecht het goede zich aan ons en zullen we ons ver houden van slechte en destructieve zaken, aldus ongeveer de tekst en dan: Zij die zich hieraan houden hebben de vrede lief en zijn gelukkig om het welzijn van wat leeft en brengen het bij de Tora. Ze vernietigen zelfs niet een korrel mosterdzaad in de wereld. Zij zijn verdrietig door alle verlies en vernietiging die ze zien en als zij het kunnen voorkomen zullen ze dat doen met al hun kracht. Als ik dit lees moet ik denken aan Greta Thunberg, die kleine bijna bijbelse profetes.

R. Samson Raphael Hirsch, de gangmaker van de moderne orthodoxie, spreekt vanuit zijn 19e eeuw ons in gewichtige zinnen ernstig toe: Onder het principe bal tasjchit moet een verbod worden begrepen om wat dan ook zonder enig doel te vernietigen, zodat het ‘vernietig niet’ in de tekst de meest omvattende waarschuwing wordt aan de mens om zijn positie die de Eeuwige hem gegeven heeft als heerser over de wereld en haar materie niet te misbruiken door wat dan ook op aarde te vernietigen of te verspillen op grillige, obsessieve of gewoon gedachteloze wijze. Alleen voor een wijs gebruik heeft de Eeuwige de wereld aan onze voeten gelegd, toen hij zei tot de mens: onderwerp haar, en heers over haar. (5) Daar kunnen we het mee doen!

In het moderne Jodendom geldt het principe van Bal Tasjchit als een van de pijlers onder de beweging van eco-kasjroet, Wat houdt dit principe in voor de moderne tijd? Het is een punt van veel discussie in Joodse kringen, vooral in Amerika(6).In hoeverre betekent een handeling een nodeloze belasting van de natuur of brengt zij nodeloze vernietiging met zich mee?. Neem bijvoorbeeld het eten van vlees. (7) Ik las ergens: de productie van een kilo rundvlees brengt bijna 80 keer meer broeikasgassen voort dan een kilo tarwe. (8) Dan schrik je toch wel even. Het ongeremd vlees eten kan je toch wel rangschikken als in strijd met het principe van Bal Taschit  (9)

Het daagt ons uit om bij onszelf na te gaan (10): Wat voor energie gebruik ik? Bij welke bank breng ik mijn geld onder. Is mijn vakantievlucht echt noodzakelijk. Is dat biefstukje echt nodig? Steeds weer is de vraag: kun je het voor jezelf verantwoorden? Vernietig ik door mijn daden en gebruik van producten en diensten op termijn niet veel meer dan het nut wat ik er nu van lijk te hebben? En als je al dan niet stipt sjomer kasjroet bent, valt dat te combineren? Eco-kasjroet, het is toch een stukje tikoen olam. We hoeven niet meteen het beste jongetje of meisje van de klas te zijn. Neem nou Rav Avraham Kook – de eerste opperrabbijn in het toenmalig Palestina – die was vegetarisch. Hij meende dat dat ook Gods bedoeling was en dat in de messiaanse tijd de mensen en zelfs de dieren vegetarisch zouden zijn, zie de leeuw die naast het lam zal liggen volgens de profeet Jesjajahoe. Maar niet zelden at hij op vrijdag een kippetje. Waarom doe je dat, vroeg men hem. Hij antwoordde: dat is om mijzelf eraan te herinneren dat de messiaanse tijd nog niet gekomen is. Tot zover.
Als je wil kan je het allemaal nog eens nalezen inclusief vindplaatsen op onze website ljggelderland.nl

Noten

(1) Rabbijnse uitzonderingen daargelaten Een uitgebreide behandeling van de rabbijnse discussie zie https://www.reformjudaism.org.uk/bal-tashchit/

(2) Talmoed Shabbat 67b

(3) Mishne Torah, Laws of Kings 6:10

(4) sefer ha-Chinuch 529:1,2

(5) R. Samson Raphael Hirsch ad loc, The Pentateuch, Vol 5, p 395

(6) Een uitgebreide discussie onder de titel ‘What is eco-kosher?’ door rabbi Arthur Waskow op https://theshalomcenter.org/node/1284

(7) Zie ook het commentaar van Rob Cassuto over vlees op de parasja Reëe in zijn boek Reizen door de Tora deel 2, p.174  en op zijn website

(8) https://document.leefmilieu.brussels/opac_css/elecfile/IF%20Part%20Voeding%2005%20NL

(9) Recent is verschenen ‘Leven en laten leven’ een boek over ‘Ecologie en de Joodse traditie’  van de hand van Marcus van Loopik, een gedegen verslag van wat de Joodse bronnen hebben te zeggen over de verbondenheid van mens en aarde.

(10) Zie ook Rabbijn Clary Rooda in een interview door Shirah Lachmann, Joods nu nr 2 juni 2014 / 5774. P 12 en 13, http://www.levisson.nl/images/stories/artikelen/JoodsNu_2.pdf

 

RC 020 

 

Voorganger Mischa Schrijver over Soekot 2020 

Parasjat Haäzinoe Devariem/Deuteronomium 32:1–52
Een poëtische laatste oproep

De parasja

In de vorige parasja Wajelech heeft Mosjee een vergezicht gehad op de ooit komende afvalligheid van de Israëlieten; in verband daarmee kreeg hij een gedicht ingegeven met de bedoeling om het aan het volk voor te dragen, een epische vermaning om de catastrofe van de verre toekomst te keren, een machtige dichterlijke poging van de terminale leider om over zijn graf heen invloed uit te oefenen op de koers van zijn geliefde maar lastige volk. De parasja Ha'azinoe (‘Hoort!')bestaat grotendeels uit deze poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Die bestaat uit vijf episoden (1).
De eerste is een korte aanhef, waarbij hemel en aarde als getuigen worden aangeroepen.
De tweede episode brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen en dat Hij dit volk Zijn bijzondere bescherming zal geven: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt'. Daarna volgt in de tekst dan een schets van een fase van voorspoed waarin Jesjoeroen (=Israël.(2)) vadsig en vet wordt, het verzadigd raakt, dik en rond wordt.
Dan volgt de derde episode: het volk, vadsig en vet geworden, loopt weg van zijn schepper, versmaadt zijn stut en steun, zijn rots. De vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Ballingschap ( galoet ) en diaspora zullen zich gaan afspelen Eerder in Devariem/Deuteronomium werd eveneens het beeld van de arend gebruikt, in dat geval als agressieve aanvaller: (28:49): 'Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt'. Maar eerder zagen we weer de zorgzame arend in Sjemot Exodus 19:4: ‘Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht'. (3)
Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden breekt een vierde episode aan, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven. Het motief dat voor deze wending wordt geschilderd is niet zozeer een hernieuwde compassie met het geteisterde Israel als wel de aantasting van de reputatie van de Eeuwige, die op het spel staat. De vijanden van Israël mogen niet misleid worden en hun overwinning op het arme volk aan zich zelf toeschrijven, blind voor het feit, dat hier sprake is van de wil en de hand van de God van Israël. De redenering doet denken aan het argument waarmee Mosjee God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf geen prooi van vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"' In andere passages in Dewariem/Deuteronomium wordt als motivatie genoemd de compassie van de Eeuwige als antwoord op ommekeer, Dat spreekt mij en misschien ook u meer aan (4).
Ten slotte, in de vierde episode wordt de almacht van de Eeuwige nog eens breed uitgemeten.
Als de recitatie van het gedicht is afgelopen krijgt Mosjee te horen, dat hij nu de berg Nevo zal moeten gaan beklimmen om er te sterven; daarmee eindigt de parasja.

Wie heeft de schuld?

In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of God en zijn geboden af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor afval de vreselijkste rampspoeden, die herhaaldelijk en ook nu weer in geuren en kleuren beschreven worden. Steeds is Mosjee 's boodschap daarbij, dat, als het verkeerd gaat, het niet aan God ligt. De termen en beelden van het leerdicht ‘Ha'azinoe', zijn straf en krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Wanneer we door de epische terminologie van God als almachtige oorlogsvorst – in die tijd gebruikelijk – heenkijken en zo ons best doen om een betekenis voor ons te ontwaren, dan horen we een oproep, die steeds weer opnieuw klinkt - de laatste dag van Mosjee is steeds de dag van nu, vandaag, hajom - : een herinnering, gekleed in heftige lyriek, een herinnering aan de mogelijkheid tot vrijheid die de mens heeft en een oproep die vrijheid te gebruiken voor verantwoordelijkheid.
Rabbijn Jonathan Sacks zegt (4) iets belangrijks; daarbij vraag ik aan de niet-God-gelovigen en aan de meer het woord God liever vermijdenden (zoals ik) de ‘Gods-taal' van de rabbijn voor lief te nemen en naar de essentie te gaan (vertaling door mij, cursief in origineel):
‘Het is de macht van de hoop, die geboren wordt, als Gods liefde en vergiffenis zich verbinden met de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Het is die macht, die het Jodendom heeft gemaakt tot de morele kracht, die het altijd is geweest voor mensen met een open hart en geest. Maar die hoop, zegt Mosjee met een passie die ons bijna zeer doet, als we die opnieuw op ons in laten werken, die hoop gebeurt niet zomaar. Er moet voor gewerkt worden, hij moet worden gewonnen. De enige manier, waarop dat wordt gerealiseerd is door  niet God de schuld te geven . Als wij een betere wereld willen, moeten wij die maken. God onderwijst ons, inspireert ons, vergeeft ons wanneer wij falen en tilt ons op als wij vallen, maar wij moeten het doen. Het is niet wat God doet voor ons, dat ons transformeert; het is wat wij doen voor God.'

noten
(1) Zie ook: Gunter Plaut (ed),The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981, p
(2) Jesjoeroen, poetische naam voor Israel, hier voor het eerst genoemd; volgens Ibn Ezra afgeleid van ‘jashar', recht(op), rechtvaardig
(3) Zie de aantekening van Rasji bij de arend van Devariem/Deuteronomium 32:11; hij verklaart, dat het unieke van de arend is dat hij als enige vogel de jongen niet in zijn klauwen draagt maar op zijn rug, want de enige dreiging voor het hoogvliegende dier komt van beneden, van de pijlen van de mens. Hij meent dan dat dit speciaal slaat op de wolk van de Eeuwige, die zich beschermend plaatste tussen de pijlen van de achtervolgende Egyptenaren vlogen naar de Israelieten op weg naar de Rietzee. Zie ook Mechilta de Rabbi Yishmael perek 19:4. Overigens is het biologisch gezien niet bewezen dat de arend de jongen op zin rug draagt, mogelijk is het gezichtsbedrog als in de verre hoogten de arend beschermend over zijn jongen zweeft bij hun eerste vlucht.
(3)Bijv. Devariem/Deuteronomium 30:2 ev. (NBG): ‘(...) dan zal de Hasjem, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen', we sjav Hasjem elochecha et sjewoetcha we rachamecha.
(4) http://www.rabbisacks.org/haazinu-5774-leaders-call-responsibility/
Lees ook zijn discussie in zijn commentaar van 2015/5776

Parasjat Nitsaviem-Wajelech    Devariem/ Deuteronomium 29:9-31:30

Het begin van de wijsheid

De parasja Nitsaviem wordt in de meeste (niet-schrikkel) jaren tezamen met de parasja Wajelech gelezen. De tekst begint met: ' Hier bent u allen nu bijeen ( nitsaviem ), ten overstaan van de Eeuwige, uw God: de stamhoofden, de oudsten, de schrijvers, alle mannen, vrouwen en kinderen van Israël, en alle vreemdelingen die als houthakker of waterputter in het kamp werken – bijeen om toe te treden tot het verbond dat de Eeuwige, uw God, vandaag met u sluit, en de sancties die erbij horen te aanvaarden'.
Heel Israel, van hoog tot laag, mannen, vrouwen en kinderen (ik zie de vrouwen met kleuters om hen heen en baby's op de arm), stamhoofden maar ook waterputters, staan in onafzienbare scharen voor Mozes, en als het ware ook voor de Eeuwige. Hajom , vandaag, dat wil zeggen toen, maar ook nu heden ten dage nog steeds.
Binnenkort is het Rosj Hasjana en Jom Kipoer en staan ook wij weer daar tezamen in grote schare in sjoel. Ervaren wij als schare voor Zijn aangezicht nog hetzelfde als toen?
Kent de ervaring en de perceptie van het Altijdzijnde een (r)evolutie?

De bekende protestante theoloog Harry Kuitert , een man die van uit gereformeerde orthodoxie zich ontwikkelde tot theoloog, bekende uiteindelijk tot ontsteltenis van de gereformeerd-protestante wereld: God bestaat niet. Van hem zijn de in protestante kringen beruchte woorden:
‘Al het spreken over boven komt van beneden, ook als we zeggen dat het van boven komt' - een slogan, die voor velen klonk als een vloek en die voor anderen een bevrijding uit een orthodox keurslijf betekende. Voor Kuitert – als je hem ziet spreken in een interview op zijn 80 ste verjaardag een intens religieus man - betekende het dat de verhalen in de bijbel over God niet betekenisloos zijn, maar ze zijn wel door de menselijke geest gemaakt en geschreven.

In de Joodse sfeer wordt er naar mijn indruk niet zoveel gediscussieerd over of God (of de Eeuwige of Hasjeem) nu wel of niet bestaat. Het lijkt wel of het bestaan van de Eeuwige niet ‘im Frage' is. Zelfs al zingen de sjoelgangers een dienst lang ‘ Adonai Elohenoe' , Eeuwige onze God, over Hem wordt na de dienst bijna nooit gesproken .
Het doet mij denken aan die witz van de rijke Joodse New Yorker, al lang niet meer ‘observant', die de beste school van de stad voor zijn zoon wilde. Hij stuurde hem naar het katholieke Trinity College. Na een jaar vroeg hij zijn zoon, wat leer je daar nou allemaal. De zoon zegt, nou over de Heilige Drieenheid van God de vader, de Zoon en de Heilige geest.
Vader: ‘ik haal je direct van die school af: God is één, hoor je, al geloof ik niet in hem!'.

In de Joodse sfeer ligt het discours over God misschien anders dan in het christendom, en moet hij anders gevoerd worden, maar de ‘slogan' van Harry Kuiters geeft ons toch een uitgangspunt. Als al het spreken van beneden komt, ook het spreken, dat het van boven komt, hoe zit dat dan met het feit, dat uit de natuur (in de zin van Spinoza) een wezen voortkomt, dat het over ‘boven' kan hebben en zichzelf dit antwoord kan geven?

We kunnen het met Kuiterts antwoord deels eens zijn: de verhalen van de bijbel en ook van de Exodus en Sinaj zijn door mensenhand geschreven. Het zijn verhalen geworden, die Israel en later nog andere volken een basis hebben verschaft om een samenleving sturing en richtlijn te geven, succesvolle verhalen, die in hun eeuwenlange geschiedenis vele andere verhalen hebben overleefd (je zou bijna zeggen succesvolle ‘memen' in de zin van de atheist Daniel Dennett ), al verkeren ze heden wel in de gevarenzone. Verhalen, die in mijn visie niet de waarheidsclaim van de dogmatiek hebben, maar ook weer meer zijn dan poëzie. literatuur of mythologie. Verhalen, die steeds iedere generatie weer een nieuw antwoord vragen. Wat geeft die verhalen dan hun bijzonder karakter?

Nu kom ik op een vruchtbaarder vraag dan de vrij zinloze vraag of God wel of niet bestaat, zinloos te meer omdat het woord God een woord is met een zo grote kring van associaties in alle richtingen, dat het of teveel of te weinig zegt.
Die vraag is: is er openbaring (revelation)? Is er bij religies - met name de monotheistische religies, voorop het Jodendom – sprake van een openbaring, die uitgaat boven de gebruikelijke kennisverwerving door schade en schande, noodzaak of nieuwsgierigheid? Toegespitst op het Jodendom: gebeurde er iets bijzonders op de heilige berg Sinaj of was het niet meer dan illusie of zelfhypnose Of kwam de ervaring van de Ene en zijn tien geboden uit de onderverdieping van de psyche à la Sigmund Freud, als een troostende illusie in een harde wereld? (1)

De Joodse filosoof Martin Buber meent, dat er wel degelijk sprake was van een openbaring, niet van Gods essentie, maar van Zijn relatie met de mens. Buber is universalist. Er is sprake van een intense ervaring van Zijn presentie, die op zich nog geen geboden inhoudt. Maar de vertaling van deze ervaring in geboden (mitswot) is het werk van de mens Mozes.
Daarom zijn ze slechts bindend voor het individu in zoverre deze vanuit zijn persoonlijke ervaring van de relatie met de Ene geboden vrijwillig op zich neemt. Franz Rosenzweig, Martin Bubers medevertaler van de Tanach en medestichter van het Freies Jüdisches Lehrhaus , ging toch een stap verder. Rosenzweig erkent weliswaar, dat de openbaring van de presentie van de Ene niet de openbaring van de mitswot met zich meebrengt. Maar hij bepleit wel de acceptatie van het geheel van de mitswot. Dat is rationeel niet te beredeneren, maar vraagt een daad van geloof. Die daad van geloof springt voort uit de loyaliteit aan de voorvaderen, die het Hajom (‘vandaag') van toen tot het Hajom van nu maakt. Rosenzweig is particularist.(2)

De antropoloog en stichter van de psychoanalyse Sigmund Freud heeft de traditie geheel afgezworen. Hij accepteert ook Bubers mytieke presentie van de Eeuwige in relatie met de mens niet; religie, God en de goddelijke autoriteit van de geboden zijn een kinderlijke illusie van de mens. Freuds hoop is gevestigd op de Wetenschap, die met zijn Rede, de mensheid, als het meezit, uit zijn waanidee zal helpen uitgroeien. En toch komt de atheïstische antropoloog er toe om in zijn boek over Mozes en het Monotheïsme te zeggen, dat het in het Jodendom gaat om de door Mozes gestichte en vooral door de profeten bewaarde en doorgegeven leer, dat ‘de godheid offers en ceremonieel afwijst en enkel geloof en een leven in waarheid en gerechtigheid (…) eist' (3). Freud noemt de ethische uitstraling van het Jodendomj een geistige Leistung', voor het overige is hij volstrekt areligieus.

Hoewel? Hij heeft ook geschreven: ‘Critici volharden in de gewoonte om een mens die openlijk uitkomt voor zijn gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld'(Freud bedoelt dus zichzelf, RC), ‘diep religieus te noemen, hoewel niet dit gevoel de kern van religiositeit vormt, maar (...) de reactie erop, die tegen dit gevoel een remedie zoekt\ (dus de religie RC). ‘Wie niet verder gaat, wie deemoedig genoegen neemt met de onbeduidende rol van de mens in de grote wereld, is juist in de waarste zin van het woord irreligieus'.(3)
Ik behoor tot de critici, die dit wèl een diep religieus besef noemen. Dit existentieel gevoel van de mens, verloren in het totaal open veld, kan inderdaad enerzijds brengen tot de sprong in de zekerheid van religieuze dogmatiek of (ultra)orthodoxe leerstellige waarheidspretentie, het vanzelfsprekende systeem, maar anderzijds kan die openheid ook betekenen – zet u even schrap - een beschikbaarheid voor een werkelijk contact met wat voorbij ligt aan wat menselijkerwijs is te weten, voor een ‘inbreuk' of ‘inbraak' van het oneindige op/in de totaliteit van het ons bekende en vertrouwde, in de zin van Emmanuel Levinas.(4), een inbreuk die niet rechtstreeks naar een God wijst maar vooral naar de Ander.

Ik moet denken aan de bekende uitspraak uit Spreuken (Misjlee): Het ontzag voor de Eeuwige ( jirat Hasjem, zeg het Freudiaanse ‘gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld') is het begin van de wijsheid ( resjiet chochma ). Zo staan we weer een aantal momenten stil op de Hoge Feestdagen.

noten

(1) Sigmund Freud, De toekomst van een illusie, 1927
(2) Gebruikt is ook: Benny Kraut, THE APPROACH TO JEWISH LAW OF MARTIN BUBER AND FRANZ ROSENZWEIG, Tradition: A Journal of Orthodox Jewish Thought. Vol. 12, No. 3/4 (WINTER-SPRING 1972), pp. 49-71
(3) Sigmund Freud, Mozes en het Monotheisme , 1939, Boom, p. 64. 
(3) Sigmund Freud, De toekomst van een illusie , 1927
(4) Zie bijv. Emmanuel Levinas, Het menselijk gelaat , (tweede deel: Filosofie van het menselijk gelaat, Ambo, 1969, 1987, p. 191, over Sjemot/Exodus 33:23 Geciteerd ook in Rob Cassuto's commentaren op de vijf boeken van de Tora: REIZEN DOOR DE TORA ,deel 1, van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus , p. 167

Parashat Ki Tavo      Dewariem / Deuteronomium 26:1–29:8.   

De parasja

De parasja Ki Tavo beslaat Dewariem 26:1–29:8.   Dit bijbelstuk begint heel feestelijk met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (1), gevolgd door een passage met regels over de tienden. De rest van de parasha is gewijd aan de uitgebreide beschrijving door Moshé van een ritueel van zegeningen en vervloekingen, dat uitgevoerd moest worden, als het volk over de Jordaan was getrokken, een ritueel dat een herbevestiging moest betekenen van het commitment van Israel aan de Eeuwige en zijn geboden(2). Opvallend is de lange reeks vervloekingen over rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam ‘Tochacha' gekregen, vermaning (3). De zesde alija (leesbeurt tijdens de eredienst), die de vervloekingen bevat, is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagogen is het gebruik dat degene die deze alija moet lezen bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als het ware om ‘de goden niet te verzoeken'. Het zijn misschien deze vervloekingen, die koning Joshijahoe (Josia) uit het toen net uit de tempelruïne teruggevonden boek Dewariem (Deuteronomium) hoorde voorlezen, en die hem in angst deden uitroepen: ‘ Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de Eeuwige raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de Eeuwige is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven .(2 Melachim/Koningen 22:13)'

De Tochacha

Ze zijn geteld al die vervloekingen, 98 zijn het er; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote vindingrijkheid en literaire begaafdheid bij elkaar gezet, beschreven met een barokke pen, geformuleerd met aan perversie grenzende beeldrijkdom. Lees de beschrijving van de ouders die in de belegerde stad het vlees van hun kind eten en de moeder, die de nageboorte in het geheim opeet. De bedoeling zal waarschijnlijk geweest zijn om de toehoorders in die ongeduldige massa en de latere lezers uit het moreel immer belaagde volk te imponeren, af te schrikken en daardoor te brengen tot navolging van de voor hun bestwil uitgevaardigde geboden.
Hoe vergeefs is deze afschrikking geweest.
In de formulering van vele van de vloeken ligt al welhaast de profetie van hun verwerkelijking besloten. Lees de indrukwekkende beschrijving van het volk Israël dat onder alle volkeren verspreid zal worden en geen verademing zal krijgen, dag en nacht door angst bevangen, omdat het leven niet zeker is. Ze zijn allemaal uitgekomen. Gruwel je eerst van de beelden, even later besef je dat ze allemaal gerealiseerd zijn geweest (en eigenlijk nog steeds worden gerealiseerd op vele plekken van deze wereld) (4).

Als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens

Het oude godsbeeld wankelt Deze Tochacha en de bewoordingen waarin al deze vloeken zijn vervat heeft de vraag opgeworpen: bewerkt De Eeuwige dit nu allemaal? Nu eens als een milde vader die het goede kind zegent en dan - in de reeks vloeken - weer als de boze vader, die zijn slechte zonen met afschuwelijke straffen kastijdt? De tijd om alle filosofische en theologische artikelen en boeken van velerlei gezindten over deze vraag naar Gods werkzaamheid (vaak samengevat in de term theodicee) ontbreekt mij en ik veroorloof mij spontaan - met in mijn achterhoofd het bescheiden bezinksel van de paar gelezen regels en gepleegde gedachten hierover - het volgende te zeggen.

In moderne religieuze en geestesstromingen is het beeld van de gepersonifieerde God al lang verlaten. Het beeld van een belonende en straffende God is als het ware gedeconstrueerd. Wat God wél is is onvatbaar - misschien wel op spiritueel niveau te vermoeden als een scheppende en werelddragende energie - , maar één ding is duidelijk: als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens heen. De mens is het instrument, waardoorheen de Goddelijke werkzaamheid gestalte wil krijgen en dan moeten we er meteen aan toevoegen: de mens in relatie en in het bijzonder de mens samen met zijn medemensen in gemeenschap. God kan zich openbaren als het diep geweten verlangen om naar het goede voor zich, voor de naaste en de gemeenschap te streven. Wat is het goede? Hierover gaat de Tora . Als wij trachten de grondwaarden uit de vele regels en voorschriften en uit de overvloed aan epoch-gedateerde details te destilleren, dan gaat het over zorg en liefde voor de naaste, het delen van voedsel en goed, wederzijdse hulp, niet achter afgoden (in de ruimste zin) aanrennen, nastreven van rechtvaardigheid in de gemeenschap, trouw, integriteit en eerlijkheid, compassie met en goede daden voor wie nood heeft, zorg voor de natuur en de leefomgeving, een en ander met gezonde waardering voor eigen kunnen en gepaard aan besef van eigen nederigheid..
Het wonderlijke van de Tora is dat dit in deze vorm - zo lang geleden al - zo totaal en samenhangend aan Israël is geopenbaard. Het is eigenlijk een groot recept voor álle naties om als volk in welvaart, overvloed en blijdschap samen te zijn en te werken met een helder besef van de plaats in de kosmos en een gevoel van grote dank voor het leven.
Zo gezien is het niet God die buiten de mens om beloont en straft, maar de mens zelf: hij heeft het aan zichzelf te danken of te wijten. We kunnen dan een poging wagen de Tochacha te parafraseren in een modernere logica: een samenleving, waarin het recht wordt verlaten, waarin oneerlijkheid, leugen, corruptie, onbetrouwbaarheid, puur eigenbelang, bandeloosheid, disrespect, liefdeloosheid de overhand krijgt is gedoemd af te glijden naar anarchie, armoede, geweld, in laatste instantie naar (burger)oorlog. Die samenleving kan de prooi worden van onzegbare verschrikkingen. De voorbeelden in onze wereld passeren dagelijks de revue; vul zelf maar in.

Deze waarheid kreeg Israël al in het begin van haar verbondsbestaan met de Eeuwige voorgeschoteld, onder andere in deze Tochacha. In die vorm valt op, dat de toegesprokene het individu is, een jij. Maar een jij binnen de volksgemeenschap. Dat wil zeggen dat ieder zijn verantwoordelijk heeft gekregen om zijn bijdrage te geven aan het wel en wee van zijn samenleving. Maar daarmee deelt het individu ook mee in het wel evenals in het wee. In die zin gaat het reilen en zeilen van de samenleving boven hem uit. Wij zijn afhankelijk van elkaars goede wil die bijdrage te leven en te leveren. Die ene rechtvaardige in een gemeenschap waar de waarden van rechtvaardigheid en compassie door een kritische massa van kwaadwillenden worden genegeerd, zal worden meegesleept in het afgeroepen onheil ondanks zijn rechtvaardigheid (5) Immers het verval en de ellende in de samenleving treft veelal de gemeenschap met man en muis. Dit maakt de verantwoordelijkheid van het individu om naar zijn beste kwaliteiten aan de gemeenschap bij te dragen juist extra groot. De rechtvaardige tilt zijn gemeenschap op en kan zelfs het verschil malen, maar kwaadwillenden halen de gemeenschap naar beneden en nemen allen mee in hun val.

Noten

(1) In een ander commentaar ben ik op de aanbieding van de eerste vruchten ingegaan
(2) Dit is inderdaad uitgevoerd door Jehoshoea (Jozua), zie Jehoshoea 8:30
(3) Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere kleinere reeks staat al in Wajikra/Leviticus, in de parasha Bechoekotai .   Er is wel gezegd, dat die eerste Tochacha in Wajikra betrekking had op de eerste verwoesting van de tempel en de ballingschap die daarop volgde. Deze reeksvervloekingen besluit met de voorzegging dat De Eeuwige zich weer het verbond zal herinneren en na 70 jaar kwam er inderdaad een einde aan de ballingschap. De tweede Tochacha zou dan slaan op de tweede verwoesting van de tempel en de daarop volgende diaspora. De reeks vervloekingen eindigt niet met troostvolle woorden en een happy end. Er is geen suggestie van tijdschema, waarna alles weer goed komt.
(4) Wie uit het boek van Simon Schama ( De geschiedenis van de Joden, deel 1, Atlas Contact, 4e druk, 2014) leest over de uittocht van Joden uit Spanje in 1492:
‘Totdat de nieuwigheid eraf was, kwamen mensen van hun huis of hun akkers om in rijen langs de weg of het pad te kijken naar de lange stoet mensen, die zo goed en zo kwaad als het ging in de verzengende hitte van de Spaanse zomer naar de kust en de Portugese grens liepen. (…) Ze trokken over de wegen en door de velden [...] moeizaam en met veel tegenslag. Mensen vielen en stonden weer op, gingen dood en werden geboren, nog anderen werden ziek en er was geen christen die geen mededogen met hen voelde, (…) en de rabbijnen spraken hun voortdurend moed in en gelastten de vrouwen en meisjes te zingen en op de tamboerijn te spelen om de mensen op te vrolijken' , wie dat leest, wie moet dan ook niet denken aan de Syrische vluchtelingen, die in een eindeloze stroom door de velden van de Balkan trekken?
(5) Zie de beroemde dialoog van Avraham met de Eeuwige over de vernietiging van Sedom en ‘Amorra Bereshiet/Genesis 18:23 ev

Parasjat Ki tetsee Devariem/Deuteronomium 21:10 - 26

Vaders en moeders, zonen en dochters

Deze parasja Ki Tetsee gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken en nog tal van andere zaken (1). 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasja, de meeste van alle parasjot.

Een van die vele bepalingen luidt (24:10 HSV): ‘De vaders mogen niet ter dood gebracht worden om de ? kinderen, en de ? kinderen ? mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders. Ieder zal alleen om zijn eigen ? zonde ? ter dood gebracht worden'. Het wordt zo gelezen, dat vaders niet vanwege de zonden van hun kinderen de doodstraf kunnen krijgen en omgekeerd de kinderen niet vanwege de zonden van hun vaders. De tweede zin beschrijft het achterliggende beginsel, dat ieder verantwoordelijk is voor zijn eigen daden.
In de Tanach zijn passages te vinden, die doen vermoeden, dat de bepaling oorspronkelijk is gericht tegen het verschijnsel, dat de overwinnaar in de strijd ook de nakomelingen van de overwonnene uitroeit uit voorzorg tegen weerwraak. Zo liet Koning Amazia van Juda de hovelingen, die zijn vader hadden vermoord ombrengen, ‘maar - zo vertelt 2 Koningen 14:6 - de ? kinderen ? van die moordenaars bracht hij niet ter dood, zoals geschreven staat in het wetboek van ? Mozes, waar de Eeuwige geboden heeft: De vaders mogen niet ter dood gebracht worden om de ? kinderen ? en de ? kinderen ? mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders, maar ieder zal om zijn eigen ? zonde ? ter dood gebracht worden.'

Rabbijnse discussie kent het beginsel, dat de Tora niet in een alinea twee keer hetzelfde zegt. In dit geval redeneren, dat de algemene regel in de laatste zin ‘Ieder zal alleen om zijn eigen ? zonde ? ter dood gebracht' al alle gevallen omvat, dus waarom dan de voorgaande regels over de vaders en de zonen? Wel, die brengen een bijzondere toevoeging, want mede is bedoeld: de vader kan niet de doodstraf krijgen op grond van getuigenis, door zijn zoon aangebracht, en omgekeerd kan een zoon niet de doodstraf krijgen op grond van getuigenis van zijn vader (2). Het gaat dus over de nul bewijskracht van getuigenissen van vaders tegen zonen en vice versa, ten goede of ten kwade. Dat wordt dan uitgebreid naar een ruime kring van familieleden en ook rechters kunnen familieleden niet in strafzaken berechten (3). De getuigenis van Astrid Holleder zou voor het Beet Din geen geldigheid hebben. De halacha (othodoxe Joodse wet) laat geen getuigenis van familieleden toe en gaat daarin veel verder dan het Nederlands recht. Dat kent de verschijnings- en getuigenplicht ook van familieleden, maar kent daarbij wel het verschoningsrecht voor familie leden, iets waar Astrid duidelijk geen behoefte aan had. (4). Waarin de halacha veel minder ver gaat is de regel, dat vrouwen in de meeste gevallen voor het Beet Din (religieuze rechtbank) sowieso geen getuigenis mogen geven (5), iets waarmee in deze moderne tijd de orthodoxie nog steeds worstelt; in reform kringen is de vrouw als getuige (en in vele andere zaken) gelijkgesteld aan de man, evenals in het burgerlijk en strafprocesrecht in Israël krachtens de Women's Rights Act, 5711-1951.

Een andere vraag, die in de aandachtige lezer van de Tora opkomt staat in verband met de bekende verzen uit Sjemot/Exodus 20:5 en 34:7, waarin de Eeuwige wordt omschreven als degene, ‘die de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de ? kinderen ? en kleinkinderen, tot in het derde en vierde geslacht'.
Hoe valt dat te rijmen met de hierboven besproken redelijke uitspraak, dat iedere man alleen om zijn eigen ? zonde ? ter dood wordt gebracht, alleen hij kan voor zijn daden ter verantwoording worden geroepen? Moeten de zonen (voor zoon lees ook dochter) dan niet toch boeten voor de zonden der vaderen (voor vader lees ook moeder)? Is dat niet hoogst onrechtvaardig?
We moeten bedenken, dat de bepalingen in Devariem zijn gegeven in de sfeer van het strafrecht. De voorschriften in Devariem zijn gericht aan de rechters van Israel, in Exodus gaat het om aanduidingen van eigenschappen van de Eeuwige of wat ruimer gesteld om de werking van de voorzienigheid. Met deze verzen uit Exodus begeven we ons om zo te zeggen in de sfeer van de theologie. Rasji (veel geraadpleegd middeleeuwsncommentator) commentarieert nuchter, dat die vergelding alleen plaats vindt als de zonen volgen in de voetsporen van hun vaders. In overeenstemming met de Joodse overtuiging omtrent de vrije wil heeft de zoon altijd de keuze om het slechte voorbeeld van de ouders niet te volgen. De vergelding is van toepassing op wat de zoon zelf aan slechts doet in navolging van zijn vaders voorbeeld en is dus geen plaatsvervangende vergelding van de slechte daden van de vader.

De Tora gebruikt de typische woorden die passen bij archaïsch personalistisch beeld van een godheid, die boos is en persoonlijk vergelding zoekt. In mijn denken zijn in een wereld van fysische wetten en psychologische tendenties oorzaak en positief of negatief gevolg bruikbaarder termen dan zonde, straf en beloning. Toch zouden we onder de bewoordingen van de Tora een intuïtie kunnen vermoeden omtrent een principe, dat is uitgewerkt in de moderne systeemtheorie in de psychologie, het principe dat het individu altijd moet worden gezien in zijn sociale context, cq het kind in de context van het gezin. Nu zouden we waarschijnlijk andere dan bijbelse woorden gebruiken om het verschijnsel te beschrijven van de enorme invloed die de levenswandel van vader/moeder op zoon/dochter en kleinkinderen kan hebben, ten goede, maar ook ten kwade, een invloed die generaties lang kan doorwerken. Kinderen, die opgevoed zijn in een crimineel milieu lopen de kans zelf ook crimineel te worden. Een alcoholische vader of moeder brengt vaak kinderen groot, die ook alcoholist worden. Vergelding en woede zijn de termen die de Tora gebruikt om ons ervan te doordringen, dat slechte daden van de ouders een kwaadaardige moeilijk te keren doorwerking hebben op hun nakomelingen; ze sporen ons aan om vanuit dit besef alleen al ten behoeve van de kinderen op het rechte pad te blijven. Maar niet alleen slechte daden en ondeugden van de ouders kunnen verstrekkende invloed hebben op de nakomelingen, ook andersoortige gezinsdrama's kunnen nog generaties lang een merkbare en soms fatale doorwerking hebben. De loyaliteit van kinderen aan hun ouders maakt, dat ze de schuldgevoelens en het leed van hun ouders overnemen en daaronder onevenredig lijden; in zekere zin boeten ze voor hun (voor)ouders; tot op zekere hoogte is dat misschien onvermijdelijk.

noten

(1) ) Vele andere aspecten van deze parasja heb ik belicht in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 en op mijn website www.robcassuto.com
(2) bv Ovadja Sforno (16 e eeuw) ad hoc
(3) Talmoed Sanhedrin 27b, Sefer Hachinuch 589:1
(4) Zie wetboek van Strafvordering art 271
(5) o.a. op grond van Talmud Shevuot 30a: ‘De getuige eed wordt toegepast bij mannen, maar niet bij vrouwen'

Parajat Sjoftiem Devariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9
Vernietig niet! Verspil niet!

Korte samenvatting van de parasha

In deze parasha worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël. Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak (het aanstellen van rechters en beambten en onpartijdig rechtspreken, beroepsmogelijkheid bij de Levieten) , bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen. Heftig veroordeeld worden dwaalwegen: wichelarij, waarzeggerij, tovenarij, afgoderij wordt bestraf met de doodstraf. Alleen op deze plaats noemt Moshé zich zelf profeet. Ook na hem zullen profeten komen. Wie kan je vertrouwen? Een profeet is hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt. De Eeuwige voorziet bij monde van Moshé , dat het volk ooit een koning wil, dat is goed dan. Het merendeel van de rabbijnse geleerden ziet er geen mitswa in, maar een concessie aan een lager volksverlangen. Die koning mag niet te veel paarden, vrouwen en goud en zilver hebben (dit heeft Shlomo ha-melech later vergeten). Verleg niet eigenmachtig de grensstenen van een stuk land.
Er staan regels van oorlogvoering in deze parasha , op zich revolutionair is het in dat millennium voor de westerse jaartelling om de barbaarse krijg enigszins aan banden te leggen; het is een combinatie van mildheid (op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse hardheid: de wrede sancties op overwonnen tegenstanders , waar wij niet meer achter staan (al komen ze ook nu op deze wereld nog iedere dag voor). Een archaïsch ritueel met een maagdelijk kalf wordt voorgeschreven ingeval een dode in het veld wordt aangetroffen zonder achterhaalbare dader.

 Bal Tashchit

Onder de bepalingen van het oorlogsrecht treffen we een opmerkelijk vers (pasoek) aan. Was het oorlogsrecht al behoorlijk revolutionair voor die middenoosterse wereld van de samenstelling van de Tora, helemaal zijn tijd vooruit was wat er staat in hoofdstuk 20 pasoek 19 (iets bewerkte Dasbergvertaling): ‘Als je gedurende langere tijd een stad moet belegeren om die door middel van oorlog in te nemen, vernietig de vruchtbomen dan niet door de bijl erin te slaan, want je kunt ervan eten, vel hem dus niet. Is de boom van het veld soms een mens, die bij de belegering is betrokken?'
Niet-vruchtbomen mogen wel worden omgehakt ten behoeve van de belegering.
De Rabbijnse uitleggers redeneerden extrapolerend: als je vruchtbomen al niet in oorlogsomstandigheden mag omhakken, hoeveel te meer niet in tijd van vrede. Gaandeweg werd het principe, dat aan deze specifieke bepaling ten grondslag ligt, uitgebreid naar andere levensgebieden. Dat principe werd begrepen als een verbod om opzettelijk datgene wat voor mensen van nut is te vernietigen, inbegrepen ook nodeloze verspilling. Op grond hiervan is een heel leerstuk ontwikkeld onder het adagium ‘Bal Tashchit', ‘vernietig niet'.
Wie vaten breekt of kleding verscheurt, een gebouw vernietigt, een bron doet verstoppen, of voedsel vernietigt schendt het principe van Bal Tashchit, vonden de rabbijnen van de Talmoed. Men nam het principe zeer serieus. Rabbi Chanina dacht, dat de vroege dood van zijn zoon te wijten was aan het feit dat de jongen een vijgenboom had omgehakt. (Baba Kamma 91b). Het principe is uitgebreid besproken en becommentarieerd door de eeuwen heen. Rabbijn Samson Raphael Hirsch maakte het tot een zwaarwegend principe: ‘Dit is de eerste wet (Deuteronomium 20:19, 20) … Bezie de dingen als Gods eigendom en gebruik hen met gevoel voor verantwoordelijkheid ten behoeve van wijze menselijke doeleinden. Vernietig niet! Verspil niet!'.
In het moderne Jodendom geldt het principe van Bal Tashchit als een pijler onder de beweging van eco-kashroet, de leer die puttend uit de bronnen van oude Joodse wijsheid en traditie over de relatie tussen mens en aarde een nieuwe kijk wil ontwikkelen op wat een goede Joodse levenspraktijk is in het moderne leven van alle dag ( Arthur Waskow ). De ethische overwegingen van Bal Tashchit en eco-kashroet hebben een enorme impact op zowel consument als producent. Het gaat telkens om afweging in hoeverre een handeling een nodeloze belasting betekent van de natuur of nodeloze vernietiging met zich meebrengt. In het commentaar op de vorige parasha over vlees heb ik opgemerkt, dat het eten van vlees te veel kost, de aarde uitput en de voorziening van voedsel aan de wereldbevolking in gevaar brengt. Het ongeremd vlees eten van industrieel geproduceerd vlees kan je in de omstandigheden van deze 21 ste eeuwse omstandigheden rangschikken als een schending van het principe van Bal Tashchit. Een interessante keuze voor de ecologisch bewuste Jood is: als ik dan al af en toe een stukje vlees eet, wat is belangrijker, dat het kosher is of dat het diervriendelijk, duurzaam en met respect voor de natuur is behandeld.
De pas gewijde Rabbijn van het Verbond voor Progressief Jodendom in Nederland, Clary Roda, is een enthousiaste adept van eco-kashroet . Zij vertaalt het naar Nederland en naar zichzelf. ‘Wat voor energie gebruik je? Er is groene energie. Maar ook: bij welke bank breng je je geld onder. Als je weet waar sommige banken in investeren... Steeds weer is de vraag: kun je het voor jezelf verantwoorden? En hoe geef je eco-kasjroet dan een plek binnen traditioneel kashroet' ( interview Joods nu ). Roda pleit er voor, dat beetje bij beetje dat eco-kashroet ook ingang vindt bij de Progressief-Joodse gemeenschap. Zelf probeer ik een lijn te volgen die je eco-kosher style zou kunnen noemen.

(Bronnen o.a. http://www.reformjudaism.org.uk
http://www.chabad.org/library/article_cdo/

Vanaf de rouwdag Tisha Be'Av tot Rosh HaShana, vanaf de parasha Wa-etchanan tot en met de parasha Nitsavim, worden de zeven zogenaamde troost-haftarot ( shiva d'nechamta ) gelezen, stukken uit het boek Jeshajahoe (Jesaja), die tot strekking hebben het verbannen Israel troost te bieden. Bij de parasha Shoftim is dat Je saiah 51:12-52:12, waarin deze mooie regels (HSV): Hoe lieflijk zijn op de bergen
de voeten van hem die het goede boodschapt,
die vrede laat horen, die een goede boodschap brengt van het goede,
die heil laat horen,
die tegen Tsion zegt:
Uw God is Koning.

Parasjat Wa-etchanan     Devariem 3:23-7:11  ga naar de haftara

Hebben religies ons nog iets te bieden? 

Wat langzaam tot ons doordringt is hoe de wereld is veranderd. Communicatie reikt tot de verte uithoeken en is razend goedkoop. De media brengen de wereld bij de zitbank thuis. Reizen is gedemocratiseerd. De productie is geoutsourcet. De digitale informatierevolutie woedt in al zijn overstelpende dynamiek. Welvaart is in het westen alom. Maar tegenstellingen verscherpen zich. De kloof tussen arm en rijk wordt alarmerend groter. De armoede in vele delen van de wereld komt iedere dag in onze huiskamer. Aanstormende economieën eisen hun gigantisch deel in welvaart. Hulpbronnen worden zwaar belast en raken op. De hittegolf van dit moment brengt ons nog eens aan het verstand: de planeet blijkt een subtiel en kwetsbaar systemisch geheel. De aarde is het grote schip van ons allen, dat met ons door de eindeloze ruimte tolt. Spasmen voor de grote ramp of barensweeën van een nieuwe tijd? We hebben een nieuwe visie nodig, want de oude religies spreken niet meer al zijn we ons soms wel bewust, dat we daarmee iets onmetelijks hebben verloren.

Wat nu? Biedt nieuwe spiritualiteit, die op seculaire grond ontluikt misschien een oplossing? 
Een kwart van de Nederlanders is 'ongebonden spiritueel' stelde een  rapport  van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid van zo'n tien jaar geleden vast. De gangbare theorie dat spirituele mensen vooral oude hippies zijn –de flowerpower- adepten van weleer– en dat ze vanzelf wel uitsterven, klopt volgens het rapport niet. „Ons onderzoek laat zien dat spirituele mensen ook onder jongeren goed vertegenwoordigd zijn. Gemiddeld zijn ze 42 jaar en bovendien zijn het blijvertjes." Uit het onderzoek blijkt eveneens dat de 'ongebonden spirituelen' (mensen die naar eigen zeggen spiritueel zijn, maar zichzelf tot geen enkele groepering rekenen) niet alleen maar met hun eigen spirituele verrijking bezig zijn. Spirituelen zijn juist betrokken bij milieubescherming, mensenrechten en vluchtelingen, en ze geven gul aan goede doelen.

We kunnen best wel zonder al die oude godsdiensten, zou je kunnen denken. Laat iedereen zijn eigen zingeving of wereld- en levensbeschouwing bij elkaar sprokkelen. Wat verlies je als je bijvoorbeeld jodendom en christendom zou afschaffen. Toch wel wat belangrijks. Ik zet het even op een rij voor jodendom - en het geldt mutatis mutandis ook wel voor andere godsdiensten - : ethiek, gemeenschap en geschiedenis 

ethische essentie 
De essentie van de jodendom is naast het numineuze (en wellicht daarmee verbonden) de ethische richtlijn. In het Boeddhisme is dat bijv. opgenomen in het achtvoudige pad. In het jodendom is dat te vinden in de Tien Geboden – Uitspraken zegt men in het jodendom – , zoals ze geschreven staan in Sjemot/Exodus hoofdstuk 20 en in de onderhavige parasja Wa-etchanan, hoofdstuk 5, en in vele andere voorschriften in de Tora zoals die te vinden zijn in bijv. Leviticus 19, waarvan de bekendste is: ‘Heb je naaste lief als jezelf, Ik ben de Eeuwige'. Deze richtlijnen voor omgang tussen de mensen en met de Schepper, deze geboden van rechtvaardigheid en compassie, zijn een ooit een vrucht van diep inzicht geweest van de joden in oerverbinding met wat hun als God werd geopenbaard. Deze ethische essenties zijn verder opgenomen door Jezus in zijn verkondiging en zo ook een wezensbestanddeel van het christendom geworden, al heeft deze religie de Joodse schenkers van deze schat nooit liefgehad als haar naaste, integendeel.
Eigenlijk hebben deze ooit aan de joden gegeven geboden uiteindelijk doorgewerkt in een door de meerderheid van de mensheid aanvaard humanisme met name in westerse samenlevingen, al is het bewustzijn hierover amper aanwezig; dankzij deze principes is onze maatschappij met een aantal rechtsregels van menselijkheid en omgangsafspraken van fatsoen en respect onderbouwd en mogelijk gemaakt. Het is evident dat het wegvallen van een religieus draagvlak voor deze regels ondermijnend werkt en vereenzaming, decadentie, versplintering, egocentrisme en uitbuiting in de hand werkt.

gemeenschap 
Religie en dus ook jodendom is gemeenschap. Religie verbindt mensen met elkaar rond het centrum van de primordiale vraag naar hun bestemming. Dit maakt de existentiële eenzaamheid draagbaar en levert de context voor de oervraag naar zin, die soms met stille fluisterstem spreekt. Het is de niet op nut of productie of materieel doel gerichte gemeenschap, die mensen wezenlijk zoeken. In het jodendom wordt die gemeenschap uitgewerkt in het Verbond, dat is gesloten tussen God en het volk van Israël, dat concreet wordt beleefd in de synagogale gemeente. Daar worden ook de grote levensmomenten rond geboorte, huwelijk, verlies en dood samen gedeeld. 

geschiedenis 
Religie – en jodendom bij uitstek - is geschiedenis. Religie verbindt de generaties met elkaar in een gemeenschappelijk verhaal en een gedeeld lot. Van vader en moeder op zoon en dochter wordt het familieverhaal, het gedachtegoed en een context om het te begrijpen doorgegeven. Geschiedenis geeft een verleden en plaatst het eigen levenslot in het perspectief van een verleden en een toekomst. Daarin heeft het individu deel aan het drama van de wereld- en volksgeschiedenis. 
Bij de joden is het evident dat deze geschiedenis een complexe is met vele vragen. De zogenoemde uitverkorenheid is bij vele niet-joden verkeerd begrepen als kwalitatieve superioriteit. Het gaat in feite om de opdracht tot een bepaalde bestemming in de reis van mensheid, die voor het ene volk een andere is dan het andere. Dat het Joodse volk drieduizend jaar heeft overleefd ondanks diepe dalen wijst wel op een bijzonder karakter van die bestemming.

Parasja Devariem     Devariem 1:1–3:22

terugblikken

Het boek Devariem

Devariem is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van een ‘pentateuch' en Dewariem is dan een tweede Tora; dat betekent de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet. Dewariem is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht. Inderdaad, qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd.
Bijbelwetenschappers zijn het er bijna allemaal over eens, dat het geschrift is gecomponeerd in de tijd van de koningen Chizkijahoe en Joshiahoe uit bestaande orale of al geschreven teksten. Men identificeert Deuteronomium dan met de boekrol die wordt vermeld in 2 Koningen/Melachim 22, waarin vermeld wordt dat bij de restauratie van de tempel een boekrol is gevonden met heilige teksten, die aan de vrome koning Joshiahoe onthulden hoezeer het volk was afgedwaald van de rechte leer. Het kwam de koning goed uit in zijn strijd tegen de afgodendienst, voor de zuivering van de eredienst en de centralisatie van die dienst in Jeruzalem.
Waarschijnlijk was het oorspronkelijke geschrift korter dan het huidige boek en is het later verrijkt met een epiloog en een proloog waarin Moshé als spreker wordt ingevoerd om het boek het nodige gezag te geven.
Een interessante inleiding in het boek geeft G. Plaut in zijn 'Torah, a modern commentary'.

In het boek Devariem zijn een aantal onderdelen te onderscheiden:
+ Mozes recapituleert de laatste twee jaar van de omzwervingen, m.n. de oorlogen tegen Sichon en Og, Dewariem 1- 4
+ de eigenlijke wetgeving, die begint met intensieve vermaningen tegen afgodendienst. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1 ,4: 44, 5: 1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid. Verder vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Dit gaat door tot 27. + capita selecta, waaronder de zegen en de vloek bij opvolging resp. verwaarlozing van de voorschriften, en het wijzen op de keuze die het volk steeds heeft. Dit besluit de toespraak van Mozes. 27-29
+ afsluiting met het afscheid van Mozes dat in verschillende toonaarden wordt beschreven, waaronder het ‘lied van Mozes', zijn zegenen van de stammen en zijn uiteindelijk dood op de berg Newo. 29-34

De parasha Devariem

Devariem is ook de naam van de eerste parasha van het boek Devariem, naar de eerste woorden, die luiden: “Dit zijn de woorden, ‘ eileh ha-dewarim' , die Moshé etc.” De parasha begint haar verhaal op het moment, dat het volk van Israël na ruim veertig jaar omzwerving gelegerd is bij de Jordaan, klaar om de rivier over te steken. Delen van het Transjordaanse land zijn al veroverd en toegedeeld aan de stammen Rueven, Gad en de halve stam van Menashe. Moshé beklimt als het ware het spreekgestoelte en begint met een terugblik op de afgelopen veertig jaar.
Er zijn als het ware twee terugblikken.

De eerste terugblik put uit de geschiedenis van de eerste generatie, de eerste 38 jaar woestijnverblijf. Opvallend zijn de highlights die de terugblikkende leider uit die lange periode kiest om te memoreren. Je zou verwachten, dat hij bijvoorbeeld het gebeuren bij de Sinaj nog eens ophaalt of de grote misstap van het gouden kalf. Maar Moshé noemt de aanstelling van de stamhoofden en rechters, in deze versie voorgesteld door het volk en niet door zijn schoonvader Jitro, zoals Exodus verhaalt. Moshé memoreert, dat de rechters onpartijdig, neutraal en zonder aanzien des persoons moeten oordelen. Dat hij juist hier nogmaals over uitwijdt benadrukt, hoe belangrijk de waarde van onpartijdige rechtspraak voor een samenleving is, de hoeksteen van rechtvaardigheid en vrede.
De andere gebeurtenis , die Moshé terughaalt, is de geschiedenis van de verkenners van het beloofde land, toen ze na twee jaar aan de grenzen daarvan waren aangeland, waarbij de spreker nog eens het mismoedig verslag van de verkenners vermeldt en waarbij hij het gebrek aan geloof van het volk in een voorspoedige en gezegende voortgang van zijn missie breed uitmeet. Uitgebreid verhaalt de oude leider de gebeurtenissen nog eens en memoreert hoe het volk van Israel gedoemd werd in de woestijn te blijven tot een nieuwe generatie was volgroeid.
Dat Moshé juist op dit drama nog eens terugkomt is begrijpelijk als we beseffen, dat het die nieuwe generatie van jongeren is, die hij toespreekt. Juist het falen van de vorige generatie bij de grenzen van het beloofde land destijds houdt hij hen voor, alsof hij impliciet zegt: nu wij weer aan de Jordaan staan, maak niet dezelfde fout als jullie ouders en vertrouw en geloof daarentegen in eigen kunnen en de hulp van de Eeuwige.

De tweede terugblik behandelt de afgelopen twee jaar, het langzaam oprukken vanaf de oase van Kadesh – waar ze het merendeel van de 38 jaar hadden verbleven - langs de Jordaan, eerst om het land van de Edomieten – die als broedervolk en afstammelingen van Esav niet mochten worden aangevallen – en dan omheen het land van de Ammonieten – ook een broedervolk en afstammelingen van Lot, de neef van Avraham – en dan verder noordwaarts het land in van koning Sichon en het land Bashan van koning Og, waar succesvol strijd tegen werd gevoerd. Genoemde laatste twee landen werden toegedeeld aan de stammen van Reuven en Gad en de halve stam van Menashé, mits de mannen wel aan de verovering van het Cisjordaanse land zouden deelnemen, zelfs als stoottroepen. Dat is ongeveer en goeddeels de inhoud van de inleiding van Moshé en de eerste parasha van het boek Dewarim. Daarna komt hij toe aan de werkelijke boodschap, de richtlijnen voor het juiste leven van de Israelieten, nodig voor het overleven als natie.
In de volgende parasha Wa'etchanan krijgen we even nog de onroerende scene, dat Moshé verzoekt om toch mee de Jordaan over te steken, wat de Eeuwige niet toestaat, maar wel mag hij het Cis-Jordaanse landschap, dat hij nooit zal betreden, aanschouwen van de bergtop van de Pisga. Dan begint in hoofdstuk 4 de wetgeving met als hoogtepunt de Tien Woorden in een in detail afwijkende versie van Exodus 20.

RC

Parasjat Matot-Masee  Bemidbar/Numeri 30:2-36:13   

Een einde aan bloedvergieten

De parasjot Matot en Masee worden dit kalenderjaar tezamen gelezen 
Het onderwerp van de gelofte en de eed komt ter sprake. 
In een aantal passages wordt de oorlog tegen Midjan verhaald.
In de parasja Masee memoreert de inmiddels bejaarde Mosjee nog eens alle pleisterplaatsen van de veertigjarige zwerftocht door de woestijn. Ook worden bepalingen gesteld over de verdeling van het land. Veel aandacht krijgt het speciale verzoek van de stammen Reuven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen. Regels over moord en doodslag volgen nog. Er worden asielsteden ingesteld voor plegers van niet-opzettelijke doodslag. Wat meer hierover.

De asielbepalingen in de parasja Masee (35:10 ev) waren een novum in de ontwikkelingen van het recht in het oude Midden-Oosten en wierpen een dam op tegen het alom heersende recht (zo niet de plicht) tot bloedwraak, die gold in geval een verwant was gedood, of dit nu met opzet (moord) was gebeurd of geheel buiten de schuld van de dader om. 
Er werden 6 steden bestemd tot asielsteden ( aré miklat ), 3 aan deze zijde van de Jordaan, 3 aan gene zijde. Het asiel stond ter beschikking aan hen die iemand onbedoeld hadden gedood. In een bijeenkomst op of bij de locatie van de doodslag werd bepaald of deze zonder opzet was gebeurd en zo ja, dan kon de dader zijn toevlucht nemen tot een van de asielsteden nemen. 
Daar moest hij dan blijven – desnoods een leven lang – om gevrijwaard te zijn van de bloedwreker. Echter, de dood van de hogepriester maakte een eind aan deze ban, daarna mocht de dader naar zijn oorspronkelijke woonplaats terugkeren en had de potentiële bloedwreker zijn recht op straffeloosheid ingeval van uitvoering van zijn wraak verloren. 

De dood van de hogepriester maakt een einde aan de ban (35:25). Dit is een m erkwaardige, schijnbaar losstaande bepaling. Wat is heeft de dood van de hogepriester met het asiel van de doodslager te maken? 
Maimonides (de grote leraar, filosoof en psycholoog uit de 12 e eeuw) zag zoals vaak hiervoor een rationele verklaring. In de ‘Gids der verdoolden' ( moré nevoechim ) schrijft hij (geciteerd in een commentaar van R. Jonathan Sacks, mijn vertaling): ‘Een persoon die een ander zonder opzet beeft gedood moet in ballingschap gaan, omdat de woede van de bloedwreker afkoelt als de oorzaak van het onheil uit zicht is. De kans op terugkeer uit ballingschap hangt af van de dood van de hogepriester, de hoogst geëerde van alle mensen en de vriend van heel Israël. Door zijn dood wordt de verwant van de gedode weer verzoend; want het is een natuurlijk fenomeen, dat we troost vinden in ons ongeluk als een zelfde of een nog groter ongeluk een ander heeft getroffen. Geen dood veroorzaakt onder ons groter verdriet dan de dood van de hogepriester'. (1)
Maimonides geeft een psychologische verklaring die wij goed kunnen begrijpen; een groot verdriet, dat het hele volk aangrijpt doet het eigen ongeluk minder groot lijken. De dood van een groot man of een grote vrouw heeft in moderne tijden een vergelijkbaar effect. 

Een geleerde uit de zestiende eeuw,– de Maharsha, voortbordurend op de oudere commentatoren zoals Rabbenoe Bachya (2) - geeft een heel andere meer mystiek lijkende verklaring, een uitleg van andere orde. Hij wijst erop dat deze bepaling rond de hogepriester samenhangt met de taak van de hogepriester om op Jom Kipoer te bidden voor het welzijn van hele Joodse volk. Dat impliceert, dat hij middels zijn tussenkomst moet bevorderen, dat er geen ongelukken zullen plaatsvinden. Vindt er toch een ongeluk plaats, zoals een doodslag, dan is ook hij eigenlijk een beetje schuldig; hij heeft niet goed genoeg gebeden. Zijn dood is dan ook enigermate een zoenoffer voor deze schuldigheid en maakt het op die manier mogelijk aan de ban een einde maken. 

In deze laatste verklaring is er van een heel eigen soort causaliteit sprake. R. Jonathan Sacks, wiens commentaar deze twee verklaringen ook behandelt, noemt deze laatste uitleg van bovennatuurlijke orde (3). Zelf zie ik de laatste uitleg meer in de sfeer van het collectief onbewuste. Ieder sterven, zeker de dood door opzet (moord), maar ook doodslag of de dood door een ongeluk, verstoort een diep gevoel van orde, je zou kunnen zeggen op het niveau van de ziel. Dit vereist een zekere correctie, een herstel van de verstoorde psychische balans in de gemeenschap. De straf en het offer voorzien daarin. In oude tijden was de bloedwraak het herstelmiddel om de onbalans – ontstaan door het verlies van een ontijdig door mensenhand uit het leven gerukte verwant - te compenseren. Maar bloedwraak leidt tot weerwraak en tot een nimmer eindigende bloedvete, besefte de Tora-wetgever al, en met de asielbepalingen voor de doder zonder opzet deed hij een enorme stap in de richting van beperking van eigenrichting en persoonlijke willekeur. De dood van de hogepriester is dan een symbolische zoendood van de oorspronkelijke verstoorder van de psychische balans in de gemeenschap. 

Is de bloedwraak en de bloedvete in de meeste democratische (westerse) staten gelukkig sporadisch en beperkt tot sommige niet goed geïntegreerde immigranten die nog hangen aan meegenomen wrede culturele gebruiken en tot maffiose groepen aan de onderkant van de samenleving, tussen volken – soms binnen één natie, soms elkaars nabuur - kunnen we iets dergelijks als een onverzoenlijke vete nog steeds signaleren. Geweld aan de ene kant lokt navenant geweld uit aan de andere kant uit en een kettingreactie zet zich in werking; een bevredigende closure van het proces van wreedheid, wraak en pijn, aan elkaar begaan, wordt nimmer bereikt. Nooit wordt het overstijgend niveau bereikt van besef van het aan elkaar aangedaan verdriet en nooit komt het tot een kritische massa van compassie die opweegt tegen de diepgewortelde haat, een niveau waarop beide partijen kunnen samenkomen. De aangedane trauma's kunnen niet in het licht komen zodat een proces van herstel kan beginnen.
Of toch wel ooit? Nog be-jamenoe (in onze dagen)? De broeders Jacob en Esav hebben ook na een lange vete een pact van vrede gesloten .

Noten

(1) Maimonides, The guide for the perplexed, (Dover Publ. 1904/1956 ) part 3 XL (p.343)
(2) zie bv Rabbeinu Bachya ad loc https://www.sefaria.org/Numbers.35.25?lang=bi&with=Rabbeinu%20Bahya&lang2=en
(3) http://rabbisacks.org/mattot-masei-5775/

Parasjat Pinchas  Bemidbar 25:10–30:1       

Een daad van ijver      

In deparasja van deze week komt een lastige vraag aan de orde. Korte voorgeschiedenis: er woedt een dodelijke epidemie onder de Israëlieten die wordt geduid als een antwoord van de Eeuwige op de seksuele omgang van Israëlitische mannen met de vrouwen van Mo'av en Midjan, die hen vervolgens verleidden om hun god Ba’al Pe’or eer te bewijzen. Mosjee is in vergadering over deze fatale crisis als Zimri, een prins uit de stam van Sjimon, openlijk een Midjanitische prinses naar zijn tent voert om met haar de bijslaap te verrichten. Pinchas kon deze provocatie niet aanzien. Hij stormde met zijn speer naar de tent van Zimri en doorstak het paar met dodelijk gevolg. Deze daad stopte de goddelijke woede en maakte een eind aan de dodelijke epidemie (had een geslachtsziekte via de vreemde vrouwen de Israëlieten besmet?).
Hier begint de sidra. Pinchas, die gepassioneerd en impulsief zijn actie heeft ondernomen, krijgt achteraf het fiat voor deze illegale gewelddaad want de Eeuwige laat weten (25:11):’Pinchas heeft met zijn ijver (kin’o) mijn naijver (kinati) afgewend zodat ik in mijn naijver  (kinati) het volk van Israël niet heb vernietigd'. De woordstam kana - nijd maar ook fanatieke inzet (kinnesinne: kina sina, ‘nijd en haat’) komt in vers 11 driemaal voor om zowel het gemoed van Pinchas als dat van de Eeuwige te beschrijven. Pinchas voelde als het ware plaatsvervangend voor de Eeuwige de woede over de misstappen van zijn landgenoten; in de sfeer van een theocratische samenleving waarin God en gerechtigheid nog als eenheid werd beleefd was dat niet uitzonderlijk. Toch moet Mosjee geworsteld hebben met deze daad van eigenrichting van de heetgebakerde kleinzoon van Aharon. De Talmoed (Sanhedrin 82b) verhaalt, dat stamgenoten van Zimri morden tegen Pinchas, die zonder vorm van proces een prins van Israël had vermoord. In de volgende verzen 12 en 13 zegt de Eeuwige Pinchas zelfs een ‘verbond van vrede’ toe en belooft hem het eeuwigdurend priesterschap. Dat ‘verbond van vrede’ lijkt vooral een eenmalige goedkeuring achteraf om de protesteerders te apaiseren.
Het blijft een lastige vraag hoe te oordelen over iemand die op eigen initiatief en buiten het recht om een paar mensen ombrengt om daarmee vele, misschien wel het leven van duizenden andere mensen te redden. Als Pinchas nu geleefd zou hebben zou hij natuurlijk ter verdediging hebben kunnen wijzen op de acute noodsituatie (de grote sterfte door epidemie), de maatschappelijke ontwrichting die daarbij speelde (de teloorgang van normen en waarden) en het overweldigend levensreddend effect van zijn daad. Maar het beroep op een fiat van God (of van een ideologie) zou in deze tijd niet voldoende zijn om hem vrij te pleiten. Hij zou zich toch hebben moeten verantwoorden voor een politiek of gerechtelijk forum van medemensen.

 RC 2020

Parasjat Sjemini Wajikra/Leviticus 9:1 - 12:1  

Vuur

De sjabbat die begint na Pesach is een gewone sjabbat, die de lezing van de parasja Sjemini inluidt. 

De parasja beschrijft onder andere de achtste dag (  jom ha-sjemini  ) van de inwijding van de tempel. Voor het eerst worden door Aharon als hogepriester de voorgeschreven offers gebracht. Aharon en Mosjee zegenen het volk. De Eeuwige staat het volk toe om Zijn majesteit (  kawod  ) waar te nemen in de vorm van een vuur, dat het offer verteerde, een spektakel, dat het volk de adem benam van ontzag en op de knieën bracht. 
Maar dan slaat schrik en ontsteltenis toe. Nadav en Avihoe, de twee oudste zonen van Aharon, brengen impulsief en in extase een reukoffer met ‘vreemd vuur' (  eesj zara  ), dat de Eeuwige niet gevraagd had. Weer gaat er een vuur van de Eeuwige uit, maar nu een vuur, dat de twee overenthousiaste zonen verteert. Nadav en Avihoe, waren zich te buiten gegaan aan geestdriftige maar ongevraagde vuur- rituelen en bekochten dit met hun dood (Wajikra/Leviticus10:1 ev).

Vurige toewijding, die de grens overschrijdt en tot dood kan leiden, loopt als een rode draad door Tora en Tenach. De rabbijnen zien sommige eigenschappen zoals blind fanatisme steeds terugkeren in opeenvolgende generaties. In de complexe Luriaans-kabbalistische theorie van reïncarnatie is ieder leven een proces, waarin de opdracht is gegeven te rectificeren wat in vorige levens is misgegaan. In dat idee is de eigenschap van blind fanatisme in sommige levens ook een terugkerend fenomeen, dat steeds opnieuw moet worden getemd, omgezet, op een hoger plan gebracht.
Rectificatie heeft vaak meerdere levens nodig. Het archetype van de vurig toegewijde fanaticus vraagt in iedere fase van de geschiedenis om transformatie, zou je kunnen zeggen. Zo zien de kabbalisten het zielevuur van Nadav en Avihoe overgegaan op Aharons kleinzoon Pinchas, die zijn jeugdige en extatische toewijding voor een goede zaak dacht in te zetten maar daarin doorschoot in zijn daad van gewelddadige eigenrichting met betrekking tot de ongeoorloofde seksuele gemeenschap van een simonitische prins met een Moabitische prinses (1). Ondanks alles – contra-intuïtief - geeft de Eeuwige aan Pinchas het hogepriesterschap en ‘Mijn verbond van vrede' ( briti sjalom ); misschien mogen we dat uitleggen als een opdracht voortaan als hogepriester het vuur van zijn toewijding voor vrede in te zetten.

De ziel van Pinchas vinden de kabbalistische uitleggers weer terug in de profeet Elia. Zijn godsijver had gewelddadige vormen aangenomen, toen hij na de demonstratie van Gods macht op de berg Karmel honderden priesters van Ba'al en Asjera liet ombrengen. Als Elia na zijn op de vlucht voor koning Achab en Isevel uitgeput in de grot op de berg Chorev is aangeland (1 Koningen 19: 9-18) vraagt de Eeuwige hem: ‘wat doe je hier Elia?'. Het lijkt een vraag naar rekenschap, bijna een berisping. Het antwoord van de profeet - kan'o kineti , ‘ik heb met ijver geijverd et cetera' - is blijkbaar niet bevredigend. De reactie van de Eeuwige op het antwoord van zijn profeet is niet het archaïsch geweld van de storm of de aardbeving en ook niet het vuur, want daarin is de Eeuwige niet, de reactie is een subtiele stilte, waarin, de Eeuwige kennelijk wel present was en waarin een stem die de vraag nog eens stelt. Elia, wat doe je hier? Zou in die vraag niet het buitensporig fanatisme van Elia aan de kaak kunnen zijn gesteld? Was het wonder op de Karmel en de daaropvolgende regen niet voldoende, het wonder dat de Israël ie ten op hun knieën deed vallen en uitroepen: ‘De Eeuwige is God, de Eeuwige is God!'? Moesten per se de honderden Ba'al-priesters worden omgebracht, iets waarvoor de Eeuwige geen teken heeft gegeven? Elia houdt het bij hetzelfde antwoord aan de stem, waarvan je je kan afvragen: was die buiten hem of binnenin hem. Het is het antwoord dat hij net ook al gaf: kan'o kineti , ‘ik heb met ijver geijverd etcetera'.
In dit koppige tweede antwoord ligt naar mijn idee het falen van Elia; de voorbeeldige ‘godsijveraar' is er niet in geslaagd zijn monomane fanatisme te transformeren naar generositeit, zijn hart te openen voor compassie, zijn ijver te overstijgen en in te zetten voor vrede. (2) Het is waarschijnlijk niet toevallig, dat Elia meteen na zijn vertrek van de Chorev zijn opvolger aanwijst, Elisja.
De transformatie van Elia's vuur naar heil in plaats van naar haat heeft vooral na zijn hemelvaart plaatsgevonden in de midrasj en de legenden over zijn verschijnen in latere eeuwen op vele plaatsen. Daar treedt hij op als de helper in nood en als wijze leraar. In de talrijke volksverhalen komt hij in de meest uiteenlopende gestalten te hulp. (3) En last but not least is Elia de aankondiger van de messiaanse vrede geworden, op wie met smart wordt gewacht, voor wie tijdens de seidermaaltijd de deur wordt geopend en voor wie een glas wijn wordt klaargezet.

Noten

(1) Bamidbar/Numeri:25:12.
(2) Vgl Zacharia 4:6 Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest. Spreuken 3:31 Wees niet  jaloers  op iemand die geweld gebruikt,
kies niet de weg die hij gaat.
(3) Een overzicht van Elia-verhalen in: The Legends of the Jews by Louis Ginzberg [1909] https://www.sefaria.org.il/Legends_of_the_Jews.4.7?lang=en

RC

Haftara bij de parasja Tetsawee

Ezechiël 43:10-27        I Samuel 15:2-34       

In de sidra Tetsawee (Exodus/Sjemot 27:20 - 30:11) wordt uitgebreid aandacht besteed aan de kleding van de priesters, en met name aan de uitdossing van de hogepriester (Aharon). Aan het slot volgen nog enkele voorschriften over de offerdienst en wordt een de opdracht gegeven om een reukofferaltaar te maken volgens de daar gegeven omschrijving. (1) Op dit laatste deel van de parasja sluit de reguliere haftara aan, een gedeelte uit hoofdstuk 43 uit het boek van de profeet Ezechiël (Jechezkel), die als balling in de zesde eeuw BCE in Babylonie woonde en daar de ballingen confronteerden met hun misdragingen in het verleden, maar ook troostte met visioenen van een grootse toekomst. Een van de bekendste visoenen is die over de nieuwe tempel die ooit op de heilige berg zal verrijzen; de profeet krijgt een beschrijving door met afmetingen en al, die de hoofdstukken 40-48 beslaan. Het haftara gedeelte beschrijft het nieuwe offeraltaar met de vier hoorns en de daarbij te offeren dierenoffers ter inwijding van de tempel, zeven dagen lang, net zoals in de parasja Tetsavee wordt verordend en later in Leviticus (Wajikra) ook wordt uitgevoerd.

De sjabbat van Tetsawee is de tweede sjabbat van de vijf sjabbatot, die Pesach vooraf schaduwen. De sjabbat valt voor feest van Poeriem en wordt sjabbat Zachor (herinner!) genoemd omdat op deze dag uit Deuteronomium/Devariem 25:17-19 wordt gelezen waarin de slinkse aanval wordt gememoreerd van het volk van Amalek op de Israëlitische woestijnreizigers en het gebod wordt gegeven om dit nooit te vergeten. In liberale kringen wordt dan ook de voorkeur gegeven om als haftara te lezen over de veldtocht van koning Saul (Sjaoel) tegen de Amalekieten in I Samuel 15:2-34. Bedenk daarbij dat de bad guy uit het boek Ester, het boek dat op Poeriem wordt gelezen, niemand minder is dan Haman, een afstammeling van de koning Agag van Amalek uit deze haftara. (2)

In de haftara lezen we hoe de oude richter Samuel (Sjmoeëel) het gebod uit Deuteronomium inderdaad niet heeft vergeten. Hij beval Saul nietsontziend te werk te gaan:
15:3 Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, en van kameel tot ezel , aldus sprak de profeet met de autoriteit van een groot-ayatollah tot de koning.
Saul volvoerde de opdracht succesvol, maar toch net niet helemaal en net niet helemaal is helemaal niet in de ogen van de onverbiddelijke opdrachtgever. Het beste van het vee werd niet gedood; de koning en zijn leger namen het mee. Alle mannen, vrouwen en kinderen sloeg Saul met het zwaard, maar één man niet: de koning van de Amalekieten, Agag, die voerde hij met zich mee naar huis. Dit tot beweerd ongenoegen van de Eeuwige en tot ontsteltenis van zijn middelaar Samuel, die hierdoor diep geschokt was, de hele nacht wakker lag en riep tot de Eeuwige. De volgende ochtend legde hij woedend de koning zijn nalatigheid inzake de opdracht voor. Saul probeert zich er nog uit te redden. Het vee was immers bestemd tot dankoffer aan de Eeuwige. Het zou kunnen, maar het klinkt toch een beetje als een uitvlucht. Daarna geeft hij toe: ik was bang voor de aandrang van de soldaten, die kennelijk buit wilden. Dat is goed voorstelbaar want vaak is de buit ook de betaling van de soldaten. De koning vraagt Samuel vergeving, maar de oude profeet blijft onvermurwbaar. Het koningschap wordt hem ontnomen en de Eeuwige komt nooit op zijn besluiten terug, zo zegt de profeet.
Dan komt het geval Agag aan de orde, de koning van Amalek, wiens leven is gespaard, als trofee van de overwinning of uit een spoor van compassie, dat is de vraag. De bejaarde richter beveelt de man voor hem te leiden, die nog denkt dat zijn leven zal worden gespaard, en houwt hem zonder pardon in vieren.

Als we uit de huid van Samuels tijd kruipen, wat kan het ons als bijbelstuk nu leren?  Vanuit het referentiekader van de zogenoemde moderniteit, noemen wij de opdracht aan koning Saul zonder meer een opdracht tot genocide. Niet zozeer de ongehoorzaamheid van de koning aan God, c.q. de profeet is dan het kwaad, maar de gehoorzame uitvoering van die opdracht om een volk van de aardbodem weg te vagen. Laat er geen misverstand over bestaan: ik zie de Tora en de Tanach als goddelijk geïnspireerd maar door menselijke geest ontvangen en door menselijke hand geschreven. Er is in de geschriften een progressie waar te nemen in de mate van verlichting waarin de divine inzichten zijn ervaren, waargenomen, opgetekend en geïnterpreteerd.
Van een partijdige stammengod, die gunstig gestemd moet worden met dierenoffers en die wanneer hij niet stipt gehoorzaamd wordt straft met plagen en nederlagen zien we een ontwikkeling naar een schenker van inzichten in universele waarden van gerechtigheid en compassie, gepaard aan een oproep aan de mensen die te realiseren. Een liberale opinion leader als John Rayner zegt het zo: Wanneer je jezelf eenmaal bevrijd hebt van dogmatische vooronderstellingen, kan niets ter wereld je er ooit weer van overtuigen dat de God van rechtvaardigheid en barmhartigheid, zoals hij in veel delen van Tenach naar voren komt opdracht gaf op de genocide op de Amalekieten . (3)

Noten
(1) Commentaren op de allerlei aspecten van de parasja Tetsawee zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Lees het boek Ester in een versie voor jongeren op mijn website
(3) John D. Rayner, Halacha, een progressief Joods perspectief, Stichtng Sja’ar, 2003, p 11, 12
Toch is het goed om ook een poging tot een  verdedigend woord tbv Samuel op te voeren:
Al wie zich vergevingsgezind toont ten opzichte van de wreedaard zal tenslotte wreed worden tegen de vergevingsgezinden, aldus R. Elazar in Tanchuma Metzora , maw mildheid tov de wredaards zal uiteindelijk op jezelf terugslaan, omdat je uiteindelijk wel wreed zal moeten worden tegen de aanvankelijk toegestane uitwassen. Had Hitler gespaard moeten worden?  zie http://www.uscj.org.il/commentaries/parashat-tetsavveh/

Vrolijk Poeriem Chag Poeriem sameach !

Haftara bij de parasja Teroema

 I Koningen 5:26-6:13 (1)

In de parasja Teroema  (Exodus/Sjemot  25 - 27:20 ) krijgt Mosjee de opdracht om aan het volk te zeggen, dat het gaven moet geven, allerlei kostbaarheden, ieder zoals zijn hart hem ingeeft. Van deze gaven zal een heiligdom gemaakt worden; verder wordt in deze parasja beschreven hoe de te vervaardigen heilige arke (ha-aron ha-kodesj), de rituele objecten en verder de tent der samenkomsten, de misjkan, eruit moeten zien.(2)
De parallel bij de profeten (Neviïem) is snel gevonden: de bouw van de tempel van Salomo, in feite een gigantische versie in steen van de misjkan (tabernakel). De pasjiot van Teroema tot en met Pekoedee, dus tot het einde van het boek Exodus zijn – met uitzondering van de geschiedenis met het gouden kalf - een model voor de hoofdstukken 5 tot in hoofdstuk 8 in 1 Koningen.

Na alle oorlogen die koning David had gevoerd was er vrede en welvaart neergedaald over Israël. Salomo werd al spoedig wereldberoemd in het Midden-Oosten om zijn macht en om zijn wijsheid, die ook zijn kennis omvatte over flora en fauna (HSV 4:32, NBV 5:12).  Nu was de tijd gekomen om het verlangen te realiseren van vader David: de bouw van een tempel, een beet ha-mikdasj. Tot nu was de eredienst gelokaliseerd gebleven bij de oude tabernakel op de offerhoogte van Gibeon, waar ook de heilige ark stond.(3) Gelukkig was de grote vriend van David, Chiram, de koning van het Libanese Sidon, bereid ook diens zoon Salomo te helpen met cederhout en de ambachtelijke kunst van bronsbewerking.
Een machtig leger van arbeiders werd – vrijwillig, dat is de vraag – opgetrommeld en te werk gesteld:
NBV 5:27 Uit heel Israël liet ​Salomo​ mensen komen om ​herendienst​ te verrichten, wel dertigduizend man. 28Die stuurde hij in ploegen naar de Libanon, tienduizend man per maand: één maand werkten ze in de Libanon (om bomen te kappen en te sjouwen) en twee maanden thuis. Adoniram was opzichter van de ​herendienst. 29Verder had ​Salomo​ zeventigduizend sjouwers en tachtigduizend steenhouwers aan het werk in de bergen, 30nog afgezien van de drieëndertighonderd opzichters die met de leiding over het werkvolk.

Zo begon het werk aan de tempel, dat vier jaar duurde. Net zoals in Exodus/Sjemot wordt In detail beschreven, hoe het bouwwerk eruit ging zien: het heilige der heilige, het heilige, de binnenhof en alle daarbij behorende attributen zoals de lampenstandaarden, de tafels der toonbroden, het wierookaltaar, het wasbekken (‘de zee’) en het offeraltaar. Er zijn mooie reconstructies gemaakt op basis van de gegevens uit de boeken Koningen en Kronieken, die een indruk geven van de pracht en praal van de tempel, waarbij ook opvallen de reuzengrote cherubs die de ark in het heilige der heilige flankeren.(3) De parasja eindigt met een hernieuwde belofte van de Eeuwige:
611: Toen sprak de Eeuwige tot ​Salomo: 12‘Jij bouwt nu dit ​huis. Welnu, als jij je aan mijn voorschriften houdt, mijn rechtsregels volgt en mijn geboden strikt naleeft, zal ik nakomen wat ik je vader ​David​ met betrekking tot jou heb beloofd. 13Ik zal te midden van de Israëlieten komen. 
Een uitspraak die doet denken aan de belofte aan de smekende Mozes (Mosjee) gedaan om te midden van de Israëlieten mee te gaan op hun trektocht (Ex/Sjem 33).

Na het haftaragedeelte volgen tot in hoofdstuk 7 en 8 nog veel meer details over het gebouw en het interieur. Dan staat er: 810:: En het gebeurde, toen de ​priesters​ uit het ​heiligdom​ gingen, dat de wolk het ​huis​ van de Eeuwige vervulde. 11Vanwege de wolk konden de ​priesters​ niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de Eeuwige had het ​huis​ van de Eeuwige vervuld.
We vinden een voorafspiegeling in Exodus/Sjemot  (of is er sprake van een naspiegeling): Als de tabernakel eindelijk klaar is daalt de wolk van de Eeuwige op de tent en vult hem met Zijn aanwezigheid (kawod): 40:34:Toen overdekte de wolk de ​tent​ van ontmoeting, en de heerlijkheid van de Eeuwige vervulde de ​tabernakel,35zodat ​Mozes​ de ​tent​ van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de Eeuwige de ​tabernakel​ vervulde.

Al onder de lange regering van de machtige Salomo begon de afvalligheid van de geboden, die nog zo vaak het koningschap en de natie Israël zouden gaan ondermijnen, een proces van verval dat een speciaal beroep deed ontstaan, althans er een nieuwe invulling aan gaf: de profeet, die als opponerende eenling het heersende en corrupte regime aanklaagt.

In de Joodse mystiek kan de tempel gezien worden als vol symbolische betekenissen, bijvoorbeeld als een schema van de staat van existentieel bewust zijn. De voorhof is dan de sfeer van ons dagelijks bewustzijn, met zijn beslommeringen van alle dag, van de grotere en kleinere interacties met de omgevende wereld, met zijn zorgen en zijn vreugden, zijn eindeloos gepieker en zijn creatieve invallen. In de voorruimte van de tent begint de inkeer, het diepere schouwen, het is de plaats van gebed en meditatie, waarbij de focus op het licht van de menora, de rijkdom van het brood en de geurige adem van het gouden reukaltaar kan helpen. Dan is de stap in de ruimte van het heilige der heilige soms gegund, het oord van een blij vermoeden, van alomvattende vergeving, van het verticaal reikend contact met de bron van het bestaan, welke naam je er ook wel of niet aan wil geven. (4)

Noten
(1) In de HSV is de telling iets anders: HSV 5:12 -6:13
(2) Commentaren op de parasja Teroema zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Overigens werden er na Salomo na zijn dood, bij de scheuring van zijn rijk in tweeën, door koning Jerobeam (Jerovam) van het noordelijk rijk twee gouden kalveren opgericht, een in Beet-El en een in Dan. 1 Koningen 12:26-30
(4) Een mooie dynamische reconstructie: https://youtu.be/oiF-wObznds
(5) Een duiding van de tempel in de sfeer van de kabbalistische sefirot is te vinden in Malachi De Clercq, De Sophia en Sjechina traditie in de joodse mystiek Een onderzoek naar het vrouwelijke aspect van de kabbalistische Godheid, p. 45 ev https://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/479/131/RUG01-002479131_2018_0001_AC.pdf

 

Haftara bij de parasja Misjpatiem

2 Koningen 12:1-17

De parasja Misjpatiem (Sjemot/Exodus 21:1–24:18) wordt wel ‘het boek van het verbond' genoemd. Immers het grootste deel van de parasja bestaat uit allerlei belangrijke regels, deels een uitwerking van de Tien Woorden, hetgeen uitmondt in de sluiting van het Verbond (het eerste van vele, die door Tora en Tenach heen telkens opnieuw worden gesloten).

De reguliere haftara is Jeremia (Jirmejahoe) 34:8 -22; 33:25-26. Ook daar is sprake van een nieuw verbond van koning Zedekia (Tsidjkijahoe) van Juda met de Eeuwige, waarin met name de in Misjpatiem verordonneerde vrijlating van Israëlitische slaven na zeven jaar dienst - een bepaling die geheel niet meer n acht werd genomen - weer wordt ingesteld. Echter na een tijdje kwam men er weer op terug en werden de vrijgelatenen weer tot slaaf gemaakt, een schandelijke woordbreuk, die Jeremia brengt tot het voorzeggen van de definitieve ondergang van de koning en het koninkrijk Juda. Aan de haftara is nog een woord van troost toegevoegd uit hfst 33: Want Ik zal een omkeer brengen in hun gevangenschap en Mij over hen ontfermen.

In de liberale cyclus is echter een andere haftara gekozen; want de sjabbat, waarop Misjpatiem wordt gelezen kent een aanvullende lezing uit Exodus/Sjemot, de eerste van de vier aanvullende lezingen, die worden gedaan op de vier sjabbatot in de aanloop naar Pesach. Het is Sjemot/Exodus 30:11-16, het begin van de parasja Tisa, het stukje over de volkstelling die gepaard gaat met de heffing van een halve sjekel per volwassen persoon. Vandaar de naam Sjabbat Sjekaliem.
30:14  Ieder die meegeteld wordt, iedereen van twintig jaar of ouder, moet deze heffing voor de Eeuwige betalen. (…)  Het losgeld dat je van de Israëlieten in ontvangst neemt, moet gebruikt worden voor de dienst in de ontmoetingstent.

De daarbij horende haftara bevat een verhaal dat ook gaat over inzameling van heffingen uit 2 Koningen 12 ev. De zevenjarige Joas (
Jehoasj, eind 8ste eeuw BCE) werd koning gesteund door hogepriester Jojada (Jehojada). Hij was nauwelijks ontkomen aan de pogingen van de verdorven regentes van Juda,  Athalia, de moeder van de vorige koning Achazia, het huis van David uit te roeien. Als baby was hij ondergedoken geweest op de zolder van de tempel. Met hem begon weer een betere wind te waaien. De nieuwe koning gaf de priesters toestemming heffingen en donaties aan sjekels (sjekaliem) ten behoeve van de tempel te innen mits ze daaruit ook de herstelwerkzaamheden aan het heilige gebouw zouden betalen. Na enige tijd (23 jaar!) bleken zij dat helemaal niet gedaan te hebben en de tempel bleef bouwvallig. Misschien bleef er te veel aan de strijkstok hangen. Toen nam de ​priester​ Jojada, de mentor van de koning, een revolutionaire maatregel, hij nam een kist (12:9)boorde een ​gat​ in het deksel ervan en zette die naast het altaar, aan de rechterkant als men het ​huis​ van de Eeuwige binnenkomt; en de ​priesters​ die de deurwacht hadden, deden daar al het ​geld​ in dat in het ​huis​ van de Eeuwige gebracht werd.’
Periodiek werd het geld door de Jojada en de schrijver des konings geteld en gegeven aan aannemers die het uitbetaald aan de timmerlieden en aan de bouwlieden die aan het ​huis​ van de Eeuwige werkten. Zo werd de continuïteit in het onderhoud van de tempel gegarandeerd. Het is misschien wel de manifestatie van het eerste fonds in de geschiedenis.

Haftara bij de parasja Besjalach

Rechters 4:4-24 Het verhaal van Debora

De parasja Besjalach (Sjemot/Exodus 13:16-18) (1) beschrijft hoe het Egyptische leger de uit het land wegtrekkende Israëlieten die net aan de macht van de farao zijn ontsnapt achtervolgt tot het vertwijfelde volk aan de Rietzee staat. De zee splijt voor hen en geeft hen doortocht, maar sluit zich boven de Egyptische soldaten, die verdrinken. Mozes heft een loflied aan over dit wonder. Zijn zuster Mirjam zingt en danst met de vrouwen een reidans.
De haftara vertelt in het boek Rechters (Sjoftiem) een vergelijkbaar verhaal over een wonderlijke overwinning onder leiding van de rechter en profetes Debora (Devora) en legeraanvoerder Barak op de overheersende Kanaänieten. Hoewel niet tot de haftara gerekend hoort de lofzang van Debora en Barak over deze overwinning (hfst 5) er als poëtische afsluiting eigenlijk wel bij.

In de tijd van de Rechters (sjoftiem) was het land Kanaän maar gedeeltelijk in handen van de stammen van Israël. Soms kregen andere volken tijdelijk de overhand over de stammen Israëls. Een periode van onderdrukking wordt in deze verhalen meestal ingeleid een mededeling in de trant van Rechters 3:7 (bij eerste rechter Otniël): En de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de Eeuwige, en zij vergaten de Eeuwige, hun God (en gingen andere afgoden dienen). Diens toorn uitte zich dan gewoonlijk door onderdrukking toe te laten door andere Kanaänitische volken of naburige naties. In hun wanhoop wendden de Israëlieten zich dan weer tot hun verwaarloosde Ene god om te smeken om uitredding.  Na enige tijd stond er een dapper en rechtvaardig man op om leiding te nemen in de strijd en de Israëlieten weer voor jaren rust en veiligheid te bezorgen. Dit patroon zou zich eindeloos herhalen tot en met de laatste koning van Juda.
In het boek Rechters traden over een aantal eeuwen twaalf rechters op. Debora was de vierde, de vrouw van Lapidot  - iesja lapidot, hetgeen ook wel geduid wordt als ‘vrouw van vuur’ (lapid = fakkel). Het moet een fascinerende vrouw zijn geweest, een van de zeven tot profetes gerekende vrouwen in Tanach (2). De verteller van dit verhaal heeft geen enkel probleem met het vrouw zijn van de leider en profetes van de Israëlieten, wier naam behalve ‘bij’ ook ‘’spreekster’ betekent.
Rechters 45: Zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Bethel, in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten gingen voor de rechtspraak naar haar toe. (3)
In die tijd maakte koning Jabin (Javin) van Hazor (Chatsor) de dienst uit in Kanaän. Hij had een sterk leger van 900 ijzeren strijdwagens onder bevel van generaal Sisera. Twintig jaar lang onderdrukte hij de Israëlieten, zodat ze niet durfden reizen en zich opsloten in hun dorpen. Ze riepen weer tot de Eeuwige om verlossing.
Debora moet in vervoering hebben gezien hoe Sisera en zijn leger verslagen konden worden en liet de legerleider Barak bij zich komen en verzekerde hem dat hij de overwinning bij de berg Tabor voor hem zou zijn. Barak wilde alleen optrekken als Debora mee zou gaan, hetgeen ze toestemde met de woorden dat er voor u geen eer te behalen (zal) zijn, want de Eeuwige zal Sisera overleveren in de hand van een vrouw.
Daarmee bedoelde ze niet zichzelf zoals later zal blijken. Barak daalde met tienduizend man van de stammen Zebulon (Zevoeloen) en Naftali de berg Tabor af en overviel de strijdwagens van Sisera in het dal van de beek Kisjon, waar de wielen – waarschijnlijk mede door een wolkbreuk – in de modder raakten. Het leger van Sisera raakte in verwarring en werd verpletterend verslagen. Barak achtervolgde de generaal, die te voet vluchtte en onderweg zich verschool – en hier komt de tweede vrouw in het spel – de tent van Jaël, de vrouw van een naar Sisera aannam bevriend stamhoofd. Maar Jaël had andere plannen. Ze sloeg de van uitputting in slaap gevallen gast een pin door de slaap en offreerde de voorbijkomede achtervolger Barak het dode hoofd van zijn vijand.

Debora zingt na de overwinning samen met Barak (4) een lofdicht, een poëtisch verslag, het lied van Debora, dat hen uit het hart op lijkt te wellen. Het wordt door de filosoof en religiewetenschapper Martin Buber en andere bijbeldeskundigen gerekend tot een van de oudste teksten van Tanach. De woorden juichen in ruige metaforen de blijdschap uit over de herwonnen vrijheid. Ze getuigen van een geloof in een god, die geen afgod meer is, maar die als onzichtbare maar levende presentie omziet naar het volk en de krachten van de natuur voor hen inzet, als dat volk zich tot hem wendt. Het is een eenvoudig oergeloof, waar we als verlichte rationele mensen soms jaloers op kunnen zijn. Martin Bubers omschrijving drukt hun godsbeleven goed uit: ‘“Een 'monotheïstische idee” is hier niet geconcipieerd en niet uitgesproken, maar de facto, in de feitelijkheid van het geloofde leven, bestaat er voor de mens van dit lied slechts de éne God en kan er alleen deze éne bestaan. Dat deze God in het onweer naderbij komt, in een onweerswolk vanuit het zuiden (5:4) die losbreekt over het wagenpark van de vijand, betekent niet dat hij, zoals de Hadad van de Syriërs, 'een weer-god', maar dat hij de God óók van het weer is, zoals hij niet, als de Assur van de Assyriërs, 'een krijgsgod’ is, maar alleen óók oorlog voert, zijn vijanden bestrijdt en ze overwint. Hij, 'die op de donkere wolk rijdt', (…) is geen regengod, maar de God, die het óók laat regenen. En hij komt niet, zoals men pleegt te zeggen, van de Horeb (Chorev, andere naam voor de berg Sinaï, RC), waar hij zou wonen, daarvan is hier helemaal geen sprake, maar hij komt met het komende onweer en treedt vanuit het duister naar voren, om de scharen van zijn volk te leiden in de strijd.’ (5)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Besjalach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) De zeven profetessen zijn Sara, Mirjam, Debora, Channa, Avigaïl, Chulda en Ester
(3) De ‘palmboom van Debora’ (tomer Devora) is ook de titel van een boek van Mozes Cordovero (16e eeuw) over de navolging van de attributen van de Eeuwige, een populair boek bij moesarniks en kabbalisten, in het Nederlands verkrijgbaar bij Pardes: Dadelpalmboom van Debora (vertaling: drs. Henk J. Huyser)
(4) Debora, een vrouw als een fakkelvuur (lapid) en Barak, hetgeen ‘bliksem’ betekent: een vurig duo dus!
(5) Martin Buber heeft de geloofsessentie van het Jodendom van Tanach onderzocht in zijn boek ‘Het geloof der profeten’, Servire, 1972, mijn citaat is uit hfst 1, de geschiedzang van Debora, p.15 ev

 

Haftara bij de parasja Bo

Jeremia 46:13-28

Jeremia (Hebreeuws: Jirmejahoe) is de tweede van de drie zogenoemde grote latere profeten. Als jongeman tijdens de regering van koning Josia (Josjijahoe, 7e eeuw BCE) werd hij geroepen in het koninkrijk van Juda te profeteren tegen wetteloosheid en zedeloosheid, verwaarlozing van armen en afgodendienst die gepaard ging met afschuwelijke misstanden zoals kinderoffers. Hij bleef dat doen met een aandoenlijke vasthoudendheid tot zijn dood ondanks dat zijn boodschap zelden gehoor vond. Hij voorzag de val van Jeruzalem, de verwoesting van de stad en de wegvoering in ballingschap van talloze Judeeërs naar Babel. Hij was het archetype van de profeet die in eigen stad niet geliefd was. Hij had iets van een combinatie van klokkenluider, boeteprediker en politiek commentator met fijne intuïtie voor wat aanstaande was. Bespot werd hij, weggehoond en meerdere keren hij gevangengezet zoals door de laatste koning van Juda, Zedekia (Tsidkijahoe), met wie hij vele aanvaringen had. Na de verwoesting van Jeruzalem door de koning van Babel, Nebukadnetsar (Nevoechadnetsar), kwam hij terecht in Egypte waar vele Judeeërs heen waren gevlucht. Ook daar zette de veelbeproefde profeet zijn profetieën voort.  Vermoedelijk heeft hij daar de passages, die nu de haftara van de parasja Bo (Exodus/Sjemot 10:1–13:16) (1) vormen, geschreven, verzen die voor Egypte en zijn farao nederlagen in de oorlog en verwoesting in schrille beelden beschrijven, zoals in onderstaand fragment

46 22Egypte kruipt sissend terug als een slang,(2)
nu de legers ertegen oprukken.
Met bijlen gewapend komen de houthakkers aan.
23Ze vellen de bossen die ondoordringbaar leken
– godsspraak van de Eeuwige.
Talrijker zijn ze dan de sprinkhanen,
ze zijn niet te tellen.
24Zo wordt
Egypte vernederd,
overweldigd door een volk uit het noorden.’

De parallel tussen de Parasja Bo en deze passages uit Jeremia is duidelijk: Evenals in de tijd van de plagen in het boek Exodus/Sjemot zullen de farao, Egypte en zijn afgoden het zwaar te verduren hebben. De hoogmoed van de zich god wanende farao mag niet ongestraft blijven. Ook de Judeeërs in Egypte die niet naar Jeremia wilden luisteren delen in dit lot.  De retributie komt vanuit het noorden, in de vorm van de soldaten van Nebukadnetsar. Die zullen als de spreekwoordelijke sprinkhanen Egypte verwoesten. In alles ziet de profeet de hand van de Eeuwige en hij noemt in die anti-Egyptische operatie de koning van Babel een instrument van de Eeuwige, letterlijk ‘een knecht van God'.

Ditmaal een korte theologische excursie (of een poging daartoe).
Profeten zoals Jeremia begrepen de wereld en haar geschiedenis zoals dar veel in Tora en Tenach gebeurt in een strak model van de goddelijke voorzienigheid, die de mens gebruikt als pionnen in zijn plan. Het paradigma van een superregisseur die beschikt, beschermt, beloont en bestraft – zo figureert Hij ook in de gezangen van de eredienst – lijkt mij in deze moderne tijden toch te simpel. Twintigste-eeuwse filosofie heeft God met zijn voorzienigheid helemaal afgeschaft en ziet de menselijke positie als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de opdracht het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen leven ontwerpen en enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Wanhopig, moedig en opstandig neemt hij zijn eigen lot in handen à la Albert Camus in zijn ‘mythe van Sisuphus’.

Een half leven lang heeft deze visie mij wel verleidelijk geleken, maar toch, nu probeer ik een stapje verder te gaan. Het joods gedachtegoed kent de paradox, dat mij (tot op zekere hoogte) een vrije wil is gegeven, maar dat er daarnaast en vooral ver boven mij of onder mij, meestal buiten zicht, sprake is van een oneindige dragende presentie. Die presentie is dynamisch. Op het niveau van ons mensen kunnen we soms opvangen als een stem die ons coacht in een bepaalde richting, een stem die de wil opwekt om de dwingende regie van primaire emoties en instincten te boven te komen en om ons te ontwikkelen in de richting van een leven in eerlijkheid, respect voor de ander, solidariteit met verdrukten, een stem die het verlangen wekt om dat te doen met oorspronkelijkheid en creativiteit. Misschien is voorzienigheid niets meer dan dat in het voortschrijden door de woestijn van de tijd het streven in de mensheid om dat verlangen naar het goede te realiseren net iets de overhand blijkt te hebben over de neiging tot toegeven aan en morele onverschilligheid tegenover het kwade. Die paradox lees ik in de Spreuken der Vaderen, waar rabbi Akiva zegt: ‘Alles is voorzien en de vrije wil is gegeven’. (2)

noten

(1) Verschillende commentaren op Bo zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Volgens mij een toespeling op de grote slag bij Karchemish aan de Eufraat (605 BCE), waarbij de legers van farao Necho II een grote nederlaag leden en door de koning van Babel werden verdreven uit Palestina en Syrië, dat onder Egyptisch gezag had gestaan.
(2) Talmoed Pirkee Avot 3:15

Haftara bij de parasja Wa’era

Ezechiël 28:25-29:21

Ezechiël (Hebreeuws Jechezkel) is de derde van de drie ‘grote’ profeten naast Jesaja en Jeremia. Als jonge man werd de priesterzoon als balling weggevoerd uit Jeruzalem naar Babel waar hij bivakkeerde bij de rivier de Kebar (6e eeuw BCE). Daar profeteerde hij door de geest bevangen over de ondergang van Jeruzalem en Israël, maar ook over hun toekomstige verrijzenis. Ook de ineenstorting van de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten komt uitgebreid aan bod.
In deze haftara bij de parasja Wa’era (1) profeteert Ezechiël vooral over het lot van Egypte en zijn farao, vermoedelijk mede ingegeven, omdat Egypte de ondergang van Juda niet heeft voorkomen, zie bijv Ezechiel 29:6 (2). De parallel met Wa’era is duidelijk; Mosjee waarschuwt daarin de farao telkens om zijn koppigheid en hooghartigheid te laten varen en de Israëlieten vrij te laten; Mosjee’s woorden en de door hem opgeroepen catastrofes die deels de levensader van Egypte, de Nijl, treffen doen de zich god wanende farao het hoofd niet buigen voor de hogere wil van de God van Mozes.

Vele eeuwen later is Egypte nog steeds een grootmacht in de toenmalige wereld van het Midden-Oosten, naast het Babylonische rijk van Nebukadnetsar. Het heeft wel iets weg van onze wereld met Amerika en Rusland (of is het nu China?) als centrale politieke machten.
De hoogmoed van de farao is in Ezechiëls tijd niet afgenomen:

29:3 ‘Zie, Ik zál u, farao,
koning
van Egypte,
groot
zeemonster,
dat in het midden van zijn rivieren ligt,
dat gezegd heeft: Mijn
Nijl is van mij
en ik heb die zelf voor mij gemaakt!’

Ezechiël voorspelt voor Egypte een reeks van rampen, die iets weg hebben van de plagen uit Exodus. Het lijkt wel of hij over de Egyptenaren een soort contra-narratief vertelt van het Israëlitisch lot van verstrooiing en herinzameling der ballingen. Want de Eeuwige – zo gaat de profeet verder – ;

(29:12 ev) ‘van het land Egypte een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verwoeste steden, veertig jaar lang. Dan zal Ik de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen over de landen verstrooien.
Merk op, dat de profeet hier ook een verstrooiing van de Egyptenaren voorspelt, zoals dat ook al in Deuteronomium is gedaan voor de Israëlieten (Deut 28:63,64). Maar ook de Egyptenaren zullen ooit weer verzameld worden, zo zegt de God volgens Ezechiël (29:13):
 ‘Na verloop van veertig jaar zal Ik de Egyptenaren bijeenbrengen uit de volken waaronder zij verspreid zijn. 14Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van de Egyptenaren en hen terugbrengen naar het land Pathros (andere naam voor het zuiden van Egypte, RC), naar het land van hun oorsprong.
Maar de rol van het ooit zo machtige rijk op het wereldtoneel is dan uitgespeeld.
‘Daar zullen zij dan een onbeduidend koninkrijk zijn. Het zal onbeduidender zijn dan de andere koninkrijken en het zal zich niet meer boven de heidenvolken verheffen. Ik zal hen namelijk zo klein maken dat zij niet over de heidenvolken kunnen heersen.’

Inderdaad hebben de Egyptenaren als imperium nooit meer een rol van betekenis gespeeld. Nebukadnetsar plunderde Egypte en daarna kwamen al snel de Perzen, de Grieken, de Romeinen, de Arabieren, de Turken en tenslotte was het lange tijd een vazalstaat van het westen.

Als we nog even verder lezen voorbij de verzen van deze haftara blijkt het leed van de farao volgens de profeet nog lang niet geleden. Nog lange hoofdstukken gaan over het strafgericht over hem en zijn Egypte. In zogenoemde klaagliederen over de Farao en Egypte (hfst 32) geeft Ezechiël een lange beschrijving hoe de farao en alle andere heersers en helden die aan de profeet uit de geschiedenis van zijn Midden-Oosten bekend zijn in het dodenrijk zijn afgedaald en naast elkaar de eeuwige rust genieten. De schrijver had een sterk gevoel voor de vergankelijkheid van de macht. Het doet denken aan
‘Opgaan, blinken, en verzinken, is het lot van ieder dag (…) Of de kronen luister tonen, volken, staten, bloeiend staan, langer stonde duurt hun ronde, maar hun avond spoedt toch aan’, zoals een Hollands dichter zong in de tijd van Napoleon. (3) Vele rijken, al dan niet onder keizers, zonnekoningen en dictatoren, zijn opgekomen, hebben gebloeid en zijn verzonken. Ook van Europa wordt wel gezegd, dat het in die derde periode van verzinken verkeert. En spoedt de avond van Amerika – op het toppunt van economische bloei – onder zijn huidige president niet aan?

noten

(1)29:6 En al de inwoners van Egypte zullen weten dat Ik de Eeuwige ben, omdat zij voor het huis van Israël een rietstaf geweest zijn.7Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u. De middeleeuwse commentator Rasji: ‘vaak vertrouwden de Israëlieten op hen in de dagen van de Assyrische koning Sanherib en in de dagen van Nebukadnetsar, maar het haalde niets uit zoals een rietstengel, die zacht is en geen steun geeft aan wie op hem leunt.’ Zie ook Jeremia 46
Koning Josia (Josjijahoe) stond de farao Necho II in de weg toen de laatste optrok tegen de Babyloniers. Het Egyptische leger versloeg de Judeeërs in 609 BCE bij Megiddo, waarbij Josia sneuvelde. Vijf jaar later werd het Egyptische leger verpletterend verslagen bij Karchemisj aan de Eufraat. Dat betekende het einde van de Egyptische dominantie.
(2) Verschillende commentaren op Wa’era zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Willem Bilderdijk in ‘Afscheid’

 

 

Haftara bij de parasja Sjemot         © Rob Cassuto

Jesaja 27:6-28:13, 29:22-23.

Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja (Jesjajahoe) is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Tot hoofdstuk veertig spreekt de eerste Jesaja, die leefde in de turbulente achtste eeuw, vanaf hoofdstuk veertig is een tweede Jesaja aan het woord die waarschijnlijk leefde in de babylonische ballingschap in de zesde eeuw.
De Jesaja van deze haftara profeteert tegen de misstanden in het noordelijk rijk Israël – meestal aangeduid met Efrajim - , dat in Jesaja’s tijd na de val van de hoofdstad Samaria (Sjomron) en de deportatie van de inwoners naar Assyrie al verdwenen was. Maar ook het zuidelijke koninkrijk Juda dat nog even zal bestaan krijgt ervan langs.
De jammer over ellende, verwoesting en verbanning wordt afgewisseld met profetieën van herstel, verlossing van Israël en grote nieuwe bloei. Wat betreft de parallel met de parasja Sjemot: het boek Genesis eindigde met het settelen van Jacob met zijn huishouding in Egypte, de parasja Sjemot - de eerste parasja van het boek Exodus/Sjemot - treft de afstammelingen van Jacob aan in grote ellende en beschrijft de eerste stappen die worden gezet door Mosjee op de weg naar verlossing die leidt naar de uiteindelijke bestemming van het land Israël.(1)

De haftara begint in majeur:

276 In de dagen die komen, zal Jakob wortel schieten,
Israël zal bloeien en groeien
en zij zullen het wereldoppervlak met vruchten vervullen.

Rasji ziet in zijn middeleeuws standaardcommentaar in deze niet geheel heldere Hebreeuwse tekst overigens geen toekomende tijd, maar een verleden tijd; hij meent een toespeling te lezen op Jacobs komst naar Egypte en de uitgroei van zijn nakomelingen tot een vruchtbaar volk.
Dan komen wat mistige passages van tegenslag en ontbering, bv over een stad die is gestraft en die nu leeg en verlaten is, vermoedelijk de stad Samaria (staande voor het noordelijk rijk Israël), die na een lange belegering in 721 BCE viel. Maar ooit komt er een betere dag:

2712Op die dag zal het gebeuren
dat de Eeuwige de aren zal uitkloppen
vanaf de rivier tot aan de Beek van
Egypte;
en ú, Israëlieten, zult worden opgeraapt,
één voor één.

Het beeld van het dorsen van graan wordt hier gebruikt. Eerst worden de aren geklopt en dan worden de korrels opgeraapt en verzameld. Zo zullen de ballingen worden verzameld, vanaf de rivier (dwz de Eufraat) en vanaf de rivier de Nijl, zeg maar vanaf de vier hoeken van de aarde, wat genoemd wordt de kibboets galoejot, inzameling der ballingen. Dat beeld wordt nog sterker aangezet in het volgende vers.

13Op die dag zal het gebeuren
dat op een grote bazuin geblazen zal worden
Dan zullen zij komen die verloren waren in het land van
Assyrië,
die verdreven waren naar het land
Egypte.
En zij zullen zich voor de Eeuwige neerbuigen
op de
heilige berg in Jeruzalem.

De grote bazuin (sjofar gadol) is in eschatologische uitleg de bazuin van de messiaanse tijd, die de komst van alle ballingen naar Jeruzalem met een geweldig geluid zal aankondigen.
Natuurlijk is dit in het Jodendom als een letterlijk te nemen profetie over een politieke toekomst opgevat. En gedeeltelijk lijkt het uitgekomen. Tegenwoordig woont de helft van de Joodse wereldbevolking in het wonderlijk herrezen Israël, dat nu een bonte en diverse verzameling Joden (en Arabieren) huisvest maar tevens ook een potentiele thuishaven blijft bieden voor de Joden in de diaspora.

Toch doen we er beter aam de voorzegging van Jesaja niet politiek maar meer allegorisch op te vatten als een visioen over een grote spirituele ommekeer van alle Joden (cq alle mensen), ‘één voor één’, zegt de tekst en dat betekent volgens de rabbijnen: onverschillig of we orthodoxe, liberale of seculiere Joden zijn. Die terugkeer uit Egypte en Assyrië uit het vers kan je ook symbolisch uitleggen. Egypte is in het Hebreeuws mitsrajiem wat ook te vertalen is als ‘nauwten’, ‘benauwenis’, een plaats van psychische en materiele onderdrukking, waar de ziel verkwijnt. Assyrië is in het Hebreeuws asjoer, dat verwant is met osjer, rijkdom en luxe, een plaats van overdaad, waar de ziel wordt vergeten.(2) Terugkeer uit Egypte en Assyrië naar Jeruzalem is terugkeer uit respectievelijk slopende repressie en verblindende luxe naar een plek waar de ziel zich kan  manifesteren in zijn ware gedaante van dankbaarheid en liefde, mag ik dat ‘neerbuigen op de ​heilige​ berg​ in ​Jeruzalem’ zo duiden? Die terugkeer hoeft niet massaal te zijn en je hoeft niet te wachten tot de messiaanse tijd. Iedere moment van persoonlijke terugkeer naar die plek brengt de messiaanse tijd juist een heel klein beetje meer nabij.

De haftara gaat verder met een beeldende beschrijving van hoe volk en priesters in het noordelijk en zuidelijk rijk in hun beschonken staat de boodschap van Jesaja niet begrijpen; priesters en (valse) profeten ‘zwalken bij het uitleggen van het visioen, zij struikelen tijdens hun gerechtelijke uitspraak. Ja, alle tafels zitten vol walgelijk braaksel, geen plek is schoon.’
​De haftara besluit echter met een hoopvolle noot, zie de verzen 22 en 23 uit hoofdstuk 29,

Noten

(1) Verschillende commentaren op Sjemot zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Deze uitleg is een vrije bewerking van mij van een weergave van een uitleg door de Lubawitscher rebbe

 

Haftara bij de parasja Wajechi

1 Koningen 1-12

In de parasja Wajechi  (Beresjiet/Genesis 47:28-50:26) wordt beschreven hoe aartsvader Jacob op zijn sterfbed zijn elf zonen toespreekt in een vorm die soms het karakter van zegening heeft en dan weer meer op een orakel lijkt. (1) De haftara bij deze parasja is uit het eerste boek Koningen en beschrijft hoe een ander icoon uit Tanach, koning David, op zijn sterfbed zijn zoon en opvolger Salomo (Sjelomo) toesprak. De vader moedigde hem aan op om sterk en een man te zijn en in Gods wegen te wandelen. Maar dat was niet alles.

Er was nog wat ‘unfinished business’ in ’s konings leven. De hoogbejaarde David, keek terug op een veelbewogen leven met hoogtepunten maar ook diepe dalen.  Oorlogen had hij met succes gevoerd en opstanden had hij overleefd. Hij was geen heilige geweest, maar had zijn best gedaan rechtvaardig en lankmoedig te zijn. Op kardinale momenten was hij bereid geweest fouten toe te geven en boete te doen. Weliswaar was hij nu verzadigd van dagen, rijkdom en ​eer zoals Kronieken (1:28,28) het uitdrukt, maar een aantal zaken stonden zijn gemoedsrust in de weg, zaken die te maken hadden met de grootste crisis in zijn koningschap rond de opstand van zijn geliefde zoon Absalom. Gedachten aan een aantal personen die daar een rol in hadden gespeeld maakten, dat hij niet in vrede kon gaan. In verband daarmee lag er nog een taak voor Salomo weggelegd.

In de eerste plaats was daar Joab (Joav), de trouwe legeraanvoerder van David sinds zijn jonge jaren. Joab had een aantal keren op eigen houtje bloed doen vloeien. Abner (Avner), de generaal van Davids voorganger, mentor en later vervolger koning Saul was destijds naar David overgelopen en door de laatste als zijn legeraanvoerder in genade aangenomen. Dat was niet naar de zin van Joab, die hem verraderlijk neerstak. De ontstelde koning reageerde toen aldus met een welbespraakte vervloeking (Sam 2:3,29); ‘Laat de ​bloedschuld op het hoofd van ​Joab​ blijven en op heel zijn ​familie, en laat er in het ​huis​ van ​Joab​ nooit iemand ontbreken die een ​vloeiing​ heeft, melaats is, die op een stok leunt, door het ​zwaard​ valt of gebrek aan brood heeft.’ Maar Joab bleef wel als generaal gehandhaafd, zelfs ook nadat hij later nog een militaire concurrent uit de weg had geruimd, Amasa, die tijdens de opstand van Davids zoon Absalom diens generaal was geweest, maar door de koning weer in genade was aangenomen, ook weer tot ongenoegen van Joab.
Wat in de passages van deze haftara niet is vermeld is, dat Joab de opstandige Absalom toen die aan het eind van de door hem verloren slag hulpeloos met hoofd en haar in de takken van een boom bungelde hem met pijlen doorboorde en hem door zijn lijfwacht liet afmaken, ondanks dat David gesmeekt had zijn lievelingszoon te sparen. De wanhoop van de vader klinkt nog door alle eeuwen heen als we lezen hoe hij bij het doodsbericht van zijn zoon roept (2 Sam 18:33) ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, was ík maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’ Ik kan mijn niet indenken dat David hier niet ook aan heeft gedacht.
Dat Joab zijn positie steeds heeft kunnen blijven houden heeft hij waarschijnlijk te danken aan zijn onverbiddelijke loyaliteit aan de koning en zijn aan zijn militaire gaven. Maar nu geeft de koning een hint aan Salomo om Joab alsnog de prijs voor zijn eigenmachtig optreden te laten betalen, door ‘zijn grijze haar niet in ​vrede​ in het ​graf​ (te laten) neerdalen’.

Toen David op de vlucht was voor Absalom, die zich tijdens zijn opstand even koning mocht wanen in Jeruzalem, bivakkeerde hij met zijn manschappen in het stadje Machana’iem ten oosten van de Jordaan. Daar werd het leger royaal gesteund door de familie Barzillaï met  (2 Sam 17:28): bedden, schalen, ​aardewerk, tarwe, gerst, ​meel, geroosterd koren, bonen, linzen – ook geroosterd –  honing, boter, kleinvee en kazen van koeienmelk’. Dat heeft David nooit vergeten. Barzillaï zelf sloeg als hoogbejaarde de beloning af. Maar zijn zonen reisden met de koning mee terug naar Jeruzalem en werden daar door hem levenslang onderhouden. David draagt nu op zijn sterfbed aan Salomo op goed voor Barzillaï’s nakomelingen te blijven zorgen.

Toen David op de vlucht voor zijn opstandige zoon Absalom was naar Machana’iem werd hij onderweg uitgescholden door Simeï, de zoon van Gera, een aanhanger van Davids voorganger koning Saul. Al vloekend en stenen gooiend begeleidde hij een tijd lang het voortvluchtige gezelschap. (2 Sam 15:16). Op de terugweg naar Jeruzalem na de overwinning op Absalom en zijn leger kwam Simeï de triomferende koning tegemoet en smeekte David om hem zijn vervloekingen en verwensingen van destijds te vergeven. David heeft toen gezworen hem niet te doden ondanks de aansporing van zijn generaals om dit wel te doen en hij liet hem vrijuit gaan, vermoedelijk ook om de vele aanhangers van koning Saul niet van zich te vervreemden. Vergeten heeft David dit voorval niet. Salomo is niet aan de eed om Simeï niet te doden gebonden, heeft David bedacht, dus draagt hij zijn zoon op Simeï alsnog te laten boeten.

Salomo bracht de verzoeken van zijn vader ten uitvoer en wie wil weten hoe dat in zijn werk ging leze de rest van dit tweede hoofdstuk van het boek 1 Koningen.

Noot
(1) Verschillende commentaren op Wajechi – met name op de ‘orakels’ van Jacob -   zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.

Haftara bij de parasja Wajigasj

Ezechiel 37:15–28

Ezechiël (Hebreeuws Jechezkel)  is de derde van de drie ‘grote’ profeten naast Jesaja en Jeremia. Als jonge man werd de priesterzoon als balling weggevoerd uit Jeruzalem naar de ‘rivers of Babylon’. Daar profeteerde hij door de geest bevangen doem en retributie voor Jeruzalem, Israël en de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten. In het derde deel van het boek breken echter vergezichten door over de opstanding en het herstel van Israël in een verre toekomst van messiaanse allure. Ezechiëls profetieën kwamen tot hem in de vorm van een reeks wonderlijke visoenen die later grote invloed zouden hebben op meer mystieke richtingen in het Jodendom.

De haftara bij de parasja Wajigasj (Beresjiet/Genesis 44:18 - 47:27) (1) komt uit dat derde deel. Ezechiel voorziet, dat ooit de twaalf stammen van Israël weer herenigd zullen worden. We brengen in herinnering dat na de regering van koning Salomo de Israëlieten werden verdeeld in twee koninkrijken; het merendeel, tien stammen, vormden het noordelijke rijk Israel onder koning Jerobeam (Jeravam) en een zuidelijk deel, het koninkrijk Juda (waartoe ook de stam Benjamin hoorde) onder koning Rehabeam (Rechavam) uit de davidische dynastie.(2)  In de 8ste eeuw BCE waren de tien stammen die het noordelijke rijk Israël hadden gevormd, door de Assyriërs gedeporteerd naar verre streken, waar ze opgingen in de volken aldaar. De stammen Juda en Benjamin van het zuidelijke koninkrijk Juda hadden leefden nu in ballingschap in Babylonië, waar ze niet opgingen in de Babylonische bevolking maar bij elkaar bleven.
Bevangen door de geest krijgt Ezechiël van de Eeuwige de opdracht om door middel van een rituele handeling deze droom van toekomstige eenheid van alle stammen te illustreren. Hij moet twee stukken hout in de hand nemen. Het ene stuk hout symboliseert (de stam van) Juda (en Benjamin), het andere stuk hout symboliseert de andere tien stammen van het noordelijke rijk Israël. In de tekst wordt het noordelijke rijk aangeduid met Jozef, omdat de koningen van het noordelijke rijk Israël kwamen uit de stam van Efraïm, de zoon van Jozef.  Ezechiël moet dan in aanwezigheid van zijn medeballingen de twee stukken hout in de hand nemen en ze als het ware tot één stuk hout maken. Hij moet dan uitleggen, dat de Eeuwige (37:21 ev)

het stuk hout van Jozef (…) bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden. (…) Zo zegt de Eeuwige: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.

Er zal weer één koning zijn, uit de dynastie van David en

Ik (de Eeuwige) zal met hen (de Israëlieten) een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn.

Nu komt de link met de haftara in zicht. Ezechiëls droom van vereniging van het volk van Juda met het volk van Jozef (dus de tien verloren stammen) weerspiegelt de vereniging van de broeders met hun verloren gewaande broer Jozef, het thema van de parasja Wajigasj. De hoofdpersonen daar zijn Jozef, die onderkoning van Egypte is geworden en Juda, die het leiderschap over zijn broeders heeft genomen in het proces van verzoening, wanneer hij het opneemt voor zijn broertje Benjamin en zijn oude vader Jacob.

De geschiedenis heeft later een heel gedeeltelijke, grillige en schoksgewijze realisatie van Ezechiëls visioen te zien gegeven. Er is inderdaad een tweede tempel gekomen en er is zelfs een kleine tweehonderd jaar een koninkrijk Israël onder de dynastie der Makkabeeën geweest. Daarna kwamen de Romeinse overheersing en vervolgens een millennia lange ballingschap (galoet), die sinds kort na de ongeëvenaarde catastrofe van de sjoa enigszins ingelost lijkt met de democratische staat Israël; daar zijn we blij en verheugd over. Maar een ‘verbond van vrede’ lijkt daar bepaald nog niet aangebroken. Wel heeft ontegenzeggelijk het Jodendom als volk, religie en gedachtegoed de eeuwen getrotseerd en een onuitwisbaar stempel gedrukt op het denken en de ethiek van de (westerse) mensheid.

De tien stammen zijn ondanks Ezechiels bezwerende handeling met de twee stukken hout niet teruggekeerd en zullen dat waarschijnlijk nooit meer doen; ze zijn 2800 jaar geleden in andere volken opgegaan.(3)

Toch mogen we misschien deze boodschap destilleren of her-vertalen uit Ezechiëls metaforen: de tien verloren stammen zijn opgegaan in niet-Joodse groepen en staan nu symbool voor alle andere volken, Juda staat voor het Jodendom. Zo mogen ook in een messiaanse toekomst de Joden en alle andere volkeren verenigd worden in een verbond van vrede (briet sjalom), dat wil zeggen: mogen zij ooit in vrede met en naast elkaar samenleven.

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajigasj zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Opmerkelijk is dat de splitsing in twee rijken zijn oorsprong vond in een belastingconflict. Het volk vroeg om verlichting van de zware lasten die koning Salomo had opgelegd. De jonge koning Rehabeam sloeg het advies van zijn raad van oudsten om naar het volk te luisteren in de wind en volgde de raad van de zijn gevolg van fanatieke jonge mannen, die juist op extra verzwaring aandrongen: ‘1 Koningen 1211 Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen’.
Aldus sprak Rehabeam en tien stammen van de Israëlieten stelden toen de ex-opstandeling Jerobeam als koning aan. Alleen Juda en Benjamin bleven Rehabeam trouw. Een in overmoed genomen onverstandig besluit inzake een belastingconflict maakte, dat alleen de stammen Juda en Benjamin de voorouders van de latere Joden zouden worden!
(3) Ook de visionair Johannes uit het nieuwe testament zag in zijn Openbaringen de twaalf stammen in de eindtijd herenigd: zie hfst 7. In de talmoedische discussie wie er in de komende wereld zal komen sluit Rabbi Akiva uit, dat de tien stammen ooit zullen terugkeren (Talmoed sanhedrin 110b). Wie op internet ‘ten lost tribes of Israel’ intypt komt een bonte verzameling groepen tegen die op een of andere manier zich beroepen

 

Haftara bij de parasja Mikeets

Zacharia 2:14-4:7

Heel gebruikelijk is het om op sjabbat Chanoeka het beroemde verhaal over het ‘salomonsoordeel’ te lezen, 1 Koningen 3:5 – 28, dat begint met: In Gibeon verscheen de Eeuwige 's nachts aan Salomo in een droom, en God zei: Vraag wat Ik u geven zal. Salomo vraagt om wijsheid en die wordt hem geschonken en ook nog de rijkdom en het lange leven, dat de meeste mensen zouden hebben gevraagd. Salomo kan al snel zijn wijsheid in praktijk brengen als twee vrouwen voor hem verschijnen met een baby. De ene vrouw beschuldigt de andere vrouw de baby stiekem ‘s nachts van haar gestolen te hebben, toen haar eigen kind dood bleek te zijn. De andere vrouw ontkent bij hoog en bij laag. Salomo beveelt het kind doormidden te klieven, ieder van de vrouwen de helft te geven en laat een zwaard halen. De eerste vrouw schreeuwt, niet doen, laat het kind maar bij de andere vrouw, zodat het in leven blijft. Salomo weet nu, dat zij de echte moeder is. Alom wordt de wijsheid van de koning geroemd.
Het verband met de parasja Mikeets ligt vooral in de zojuist geciteerde eerste regel van de haftara;  koning Salomo droomt, en dat doet de farao, de Egyptische koning, ook, maar daar houdt de overeenkomst op. In Mikeets droomt de farao de droom over de zeven vette en zeven magere koeien, de zeven volle en de zeven lege aren, de droom die Jozef, zelf ook een begaafd dromer en droomuitlegger, zoals eerder gebleken, verklaart. (1)

Er wordt ook wel een ander stuk uit de profeten als haftara gelezen – en dat geeft ook de indeling van de liberalen aan – Zacharia (Zecharja) 2: 14-4:7. Zacharia was evenals de profeten Chaggai en Malachi sterk betrokken bij de herbouw van de tempel in Jeruzalem na de terugkeer van een groot deel van de ballingen uit Babylonische gevangenschap. Hij enthousiasmeerde de Joodse leiders om de bouw na aanvankelijke tegenslagen weer te hervatten. Dat gebeurt dan ook onder leiding van de Zerubbabel (Zeroebavel) en de hogepriester Jozua (Josjoea), zoals ook in het boek Ezra (6:14) is beschreven: En de oudsten van de Joden bouwden en maakten goede vorderingen onder de profetie van Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo. Ze bouwden en voltooiden het overeenkomstig het bevel van de God van Israël en overeenkomstig het bevel van Kores (Cyrus) en Darius en Arthachsasta (Artaxerxes), de koning van Perzië. En dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand Adar; het was het zesde regeringsjaar van koningDarius.

In het eerste stuk van de haftara ziet de profeet in een visioen de hogepriester Jozua vrijgepleit van een aantal beschuldigingen. Maar het verband met Chanoeka en de bijbehorende chanoekakandelaar met zijn lichten ligt in het tweede deel. Daarin wordt in een visioen de profeet het beeld getoond van de gouden tempelkandelaar, de menora, met zijn zeven armen met daarop de olielampen geflankeerd door twee olijfbomen (Josjoea en Zerubbabel); de olie druipt uit de olijven via een opvangbakje en een kanaaltje automatisch naar de olielampen van de menora. Wat betekent dat? Vraagt de dromer en de engel die hem dit beeld getoond heeft antwoordt:
Dit is het woord van de Eeuwige tot Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de Eeuwige van de legermachten.

Op onze beurt vragen wij weer wat dit betekent. De middeleeuwse commentator Rasji heeft een nuchtere historische verklaring: de herbouw van de tempel door bouwleider Zerubbabel zal verder ‘geolied’ verlopen zonder te hoeven vechten tegen allerlei vijanden en de ‘geest Gods’ zal rusten op de koning van Perzië, Darius (die inderdaad zijn volle medewerking zal blijken te leveren, zie Ezra 6).
In de regel ‘Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest’ is altijd wel een messiaans visioen van vrede’ gevoeld, een inspiratie naar het idee, dat als de geestkracht groot is grote werken ook zonder dwang en geweld kunnen worden volbracht. (2)

De volksfantasie heeft nog mooie verhalen rondom de tempelbouwer Zerubbabel gesponnen. Zo zou hij aan het hof van koning Darius een van zijn drie lijfwachten zijn geweest. Eens toen de koning sliep besloten de drie mannen ieder op te schrijven wat het machtigste was in de wereld. De koning zou dan moeten beslissen wat de meest wijze uitspraak was en die belonen. Ze schoven hun papiertjes onder het kussen van de monarch. Zodra hij wakker was riep hij de vooraanstaanden van zijn rijk bij elkaar en mochten de drie mannen hun uitspraak toelichten. ‘Wijn is het machtigste wat er is; als de mens onder zijn invloed is vergeet hij zijn zorgen en verdriet’, zei de eerste. De tweede maakte meer indruk met zijn verklaring, dat de koning de machtigste op aarde was. Zerubbabel betoogde gloedvol, dat vrouwen de machtigsten waren, maar dat waarheid heerst boven alles; vrouwen zijn zelfs koningen de baas, maar waarheid is het hoogste goed, de hele aarde vraagt om waarheid, de hemel prijst de waarheid, de schepping beeft voor waarheid, gezegend is de God van waarheid. Dat ontlokte een groot applaus. Vraag wat je wilt, antwoordde de koning, ik zal het je geven. Niets voor zichzelf vroeg Zerubbabel, maar wel des konings toestemming om Jeruzalem en zijn tempel te herbouwen en de tempelschatten terug te geven. Aldus deed Darius en hij gaf een vrijgeleide aan hem mee voor hem en al zijn metgezellen en nog vele andere giften.(3)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Mikeets  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Het beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen, is geworden tot een meditatieobject, gecombineerd met psalm 16:8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', zeg maar een joodse mantra: ‘Shiviti Hashem lenegdi tamied' en zo wordt die afbeelding ook genoemd: een ‘Shiviti', hij hangt in vele synagoges en wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor meditatief tekenen en schilderen
(3) Legend of the Jews IV-11

RC dec 2019

Haftara bij de parasja Wajesjev

Amos 2:6-3:8

Wanneer Amos zijn doem-profetieën over allerlei landen, maar vooral over het noordelijke rijk Israël uitstort tot de menigten bij de tempel in Bet-el, waar nota bene een gouden kalf ter aanbidding is opgericht door koning Jerobeam (Jerovam) (1), wordt hem dat niet in dank afgenomen. De priester Amazia maant hem het land te verlaten richting het zuidelijk koninkrijk Juda. Amos antwoordde: ik ben helemaal geen profeet en ook niet de zoon van een profeet. Ik ben een veehouder en een moerbeikweker, maar God riep mij om te profeteren tegen mijn volk Israël (7:15). Hij distantieerde zich duidelijk van de gilde van zich noemende profeten, die heulden met de machthebbers en hun roeping verzaakten. Dat speelde zich af rond 750 BCE in een tijd, dat het eigenlijk economisch en politiek best goed ging in het noordelijke rijk Israël tijdens de lange regering van koning Jerobeam de Tweede.

Amos was de eerste van de zogenoemde late profeten (2) die hun woorden op schrift hebben gesteld (of laten stellen). Hij was daarmee gelijk al een rolmodel voor alle na hem komende profeten, zowel inhoudelijk - met zijn protest tegen onrechtvaardigheid en corruptie - als qua stijl - in de krachtige poëtische  metaforen waarmee hij zijn boodschap de wereld inslingerde. Literaire begaafdheid en beheersing van het schrift moet deze veehouder niet vreemd zijn geweest.
Weliswaar was het gouden kalf in Bet-el een doorn in zijn vroom oog, maar wat hem werkelijk bewoog was het enorme verschil tussen de welvarende bovenlaag en de armen, de onverschilligheid van de rijken voor het lot van de minder bedeelden. Het boek begint met dat hij eerst andere landen de mantel uitveegt maar dan komt het noordelijk rijk Israël aan de beurt. Hier start de haftara en de lezer mag raden welke regel aanleiding heeft gegeven tot het benoemen van dit deel van Amos’ profetieen tot haftara bij de de parasja Wajesjev (Beresjiet/Genesis 37:1-40:23), het bijbelstuk waarin wordt verhaald hoe Jacobs zonen hun broer Jozef (Joseef) als slaaf verkopen aan een naar Egypte reizende handelskaravaan.

26Zo zegt de Eeuwige:
Vanwege drie
overtredingen van Israël,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de rechtvaardige voor
geld verkopen
en de arme voor een paar schoenen.
7Zij snakken ernaar dat het stof van de aarde op het hoofd van de geringen is,
zij duwen de zachtmoedigen van de weg
.

De link tussen haftara en het verhaal over de jonge Jozef zit hem in de regel: ‘omdat zij de rechtvaardige voor ​geld​ verkopen’. Dat herinnert aan de verkoop van onschuldige Jozef voor twintig zilverstukken. (Genesis 37:28)

Het lijkt of Amos nog meer dan andere profeten er de nadruk op legt dat omkeer naar de Eeuwige onlosmakelijk verbonden is met: het betrachten van rechtvaardigheid en compassie met de weerlozen. Sprekend is bijv. deze tekst (geen deel meer van het haftara, maar het citeren waard):

5 10Zij (de elite van de Israëlieten RC) haten wie in de poort opkomt voor het recht,
zij hebben een afschuw van wie de waarheid spreekt.
11Omdat u de arme vertrapt
en van hem een heffing op koren neemt,
daarom hebt u
huizen van gehouwen steen kunnen bouwen,
maar u zult er niet in wonen;
(…)
u drijft de rechtvaardige in het nauw, u neemt zwijggeld aan,
u duwt armen in de
poort opzij.
13Daarom zwijgt de verstandige in die tijd,
want het is een kwade tijd.
14Zoek het goede en niet het kwade,
opdat u leeft!

Op zich hebben rituelen, ook al ze vroom en volgens de regels worden uitgevoerd, geen waarde, is het principe van Amos, als ze niet gepaard gaan met het opkomen voor recht en het betrachten van integriteit en betrouwbaarheid. Daarvan getuigt deze tekst die Jesaja 1:11 ev al vooraf schaduwt,

5:21Ik haat, Ik versmaad uw feesten.
Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten,
22want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers,
Ik schep er geen behagen in.
En het dankoffer van uw gemest vee:
Ik wil het niet aanzien.
23Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg,
en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!
24Laat het recht stromen als water,
de gerechtigheid als een altijd stromende beek.

Moet de catastrofe eerst plaats vinden om een betere wereld te bereiken? Dat zou je al lezend kunnen gaan denken. Hoe het ook zij, Amos besluit zijn epische donderpreek met een hoopvolle profetie over Israël. Na de rampen zullen betere tijden aanbreken. Het lijkt wel of hij het heeft over het Israël, dat in de vorige eeuw tot nieuwe bloei kwam:

9:14-15 Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de
wijn ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.
15Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de Eeuwige, uw God.

Amos was een klokkenluider van zijn tijd - het woelige Midden-Oosten in de ijzertijd. Hij stelde de kloof tussen arm en rijk, uitbuiting, corruptie en schijnheiligheid van zijn wereld aan de kaak. Hoe zou hij nu reageren op het Israël van nu – en breder op de wereld van nu? Hij kende nog geen kloof tussen orthodox, liberaal en seculier. Hij kende geen kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, geen globale kloof tussen de allerrijksten en de allerarmsten (De 26 rijkste mensen op aarde hebben samen meer vermogen dan de armste helft van de wereldbevolking, 3,8 miljard mensen). Er was nog geen kloof tussen wit en zwart, geen kloof tussen de koortsige wildgroei van menselijke productie en consumptie en de draagkracht van de planeet (opwarming, vervuiling). De schaal is sinds Amos’ tijd gigantisch vergroot, maar de primaire structuur van de misstanden is misschien niet essentieel veranderd. Profeten zijn er niet meer, maar Amos-achtigen van nu begrijpen de tekenen des tijds en hun stemgeluid is hier en daar te horen.

Noten
(1) 1 Koningen 12; er was ook een gouden kalf in de streek Dan. Bijbelwetenschappers opperen dat hier de basis is te vinden van de sage van het gouden kalf in Exodus
(2) De late profeten zijn ingedeeld in de grote profeten Jesaja, Jeremia en Ezechiel, en de kleine profeten, Hosea, Joel, Amos, Obadia, Jona, Micha, Nachoem, Chabakuk, Zefanja, Haggai, Zecharja en Malachi

RC dec 2019

Chanoeka sameach 5780 Happy Hanukkah 2019! 

Haftara bij de parasja Wajisjlach

Obadja 1:1-21

De haftara bij de parasja Wajisjlach (Genesis/Beresjiet 32:4 – 37) is een heel bijbelboek, het kleinste boek van alle profeten, Obadja, dat uit maar 21 verzen bestaat. Het boek is een aaneenschakeling van rampen en ellende voorspellende orakels over het volk van Edomieten, dat ten zuiden van Judea woonde tussen de Dode zee en de Golf van Akaba op en rond het Seïr gebergte. Het waren de afstammelingen van Jacobs broer Ezau (andere naam: Edom). Dat verklaart de link met de parasja Wajisjlach, waarin Jacob en zijn door hem bedrogen broer Ezau de hoofdpersonen zijn; bevreesd voor diens wraak vlucht Jacob naar het noordelijke Aram en na tweeëntwintig jaar trekt hij (nu ook genaamd Israël) bang maar moedig Ezau tegemoet, die hem niettemin in de armen  sluit (1) Ondanks de verzoening van deze stamvaders, in de parasja Wajisjlach beschreven, is de verdere geschiedenis tussen de Israëlieten en de Edomieten er een van voortdurende twisten en oorlogen geweest, hetgeen o.a doorklinkt in de woorden:

10Vanwege het geweld tegen uw broeder ​Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.

Wie was Obadja?
Volgens de Talmoed (2) was hij de Obadja, die wordt vermeld in het eerste boek koningen hoofdstuk 18 als hofmeester van koning Achab en koningin Izebel (plm 900 BCE). Hij was een zeer vrome man, volgens de Talmoedleraren vromer dan Abraham, want staat er over hem niet: Nu vreesde Obadja de Eeuwige zeer (1 Koningen 18:3), terwijl van Abraham niet meer wordt gezegd dan: nu weet ik dat gij de Eeuwige vreest (Genesis 22:12), dus zonder zeer, de Oude Wijzen zijn heel precies met woorden. Obadja had zijn profetische gave te danken aan zijn hulp aan de door Ba’alvereerster Isebel rabiaat vervolgde profeten (wellicht volgelingen van Elia); vijftig van hen liet hij onderduiken in de ene grot, vijftig in een andere grot. Waarom in twee grotten? Als de ene grot zou worden ontdekt, dan waren in ieder geval de andere vijftig profeten gespaard gebleven. Hoe kwam hij op dat idee? Dat had hij van Jacob, die zijn mensen, have en goed verdeelde over twee kampen voor het geval zijn broer Ezau tot de aanval over zou gaan (lees Genesis 32:7). Misschien was hij zelf een Edomiet, veronderstelt een van de talmoedgeleerden; vandaar het door hem gereleveerde gezegde: vanuit het bos komt de bijl ofwel: de steel van de bijl komt van de boom die hij omhakt

Toch is het waarschijnlijker, dat hij geleefd heeft in de 6e eeuw BCE, een tijdgenoot van Jeremia (Jirmeja), die een sterk op Obadja gelijkend stuk (Jer 49:7-22) heeft opgetekend, geïnspireerd op de val van Jeruzalem in 587. Blijkbaar heeft de schrijver de plundering van de stad en het wegvoeren door de Babyloniërs van de Judeeërs meegemaakt en is zijn boosheid is vooral gericht op het leedvermaak van de Edomieten over het wegvoeten van de Judeeërs in ballingschap en op hun medeplichtigheid aan de plundering.

12U (Edom) had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder (Jacobs volk),
op de dag dat hij een vreemde  was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten tegen hen
op de dag van hun benauwdheid.
13U had de ​poort​ van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.

Edom werd later in vaak als een pars pro toto voor alle vijandige niet-joden gebruikt, bijv. voor de Romeinen (3) en later voor het hele joodsvijandige westen.  Peinzend over deze verzen in het kader van de geschiedenis kwamen ze heel bekend voor. Hebben we dat later niet zo veel vaker meegemaakt? De verdrijving van de Joden uit Engeland in 1290, uit Spanje in 1492 enzovoort. Neem bijv. de zin: ‘U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof op de dag van zijn ondergang’. Opeens moest ik denken aan hoe die vele Nederlanders toekeken hoe het kwaad de Joodse landgenoten trof op de dag van hun ondergang. Hoe de verleiding groot is maar toe te kijken als het kwaad weer wortel lijkt te schieten.

noten

(1) de parasja bevat ook het bekende gevecht van Jacob met de engel en verhaalt - na de broederlijke verzoening -   de verkrachting van Jacobs dochter Dina door de prins van Sichem (Sjechem) en de wraak van haar broeders op de bewoners van die stad, de dood van Rachel in het kraambed en de dood van Isaac (Jitschak), die door Jacob en Ezau samen wordt begraven. Zie ook de verschillende commentaren op Wajisjlach, die zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Talmoed Sanhedrin 39b
(3) bv door Nachmanides in Gate of Redemption

Haftara bij parasja Wajetsee

Hosea 11:7-13:5;

Een korte historische aanloop naar de profeet Hosea (Hosjea), waaruit de haftara bij de parasja Wajetsee  (Beresjiet/Genesis 28:10 – 32:4) afkomstig is (1). In de loop van de 8ste eeuw BCE stond een nieuw type profeet op onder de Israëlieten. Al sinds oudsher waren er profeten – nevi’iem, meervoud van navi -  actief, te beginnen bij de eerste en grootste onder hen Mozes (Mosjee), die zijn profetische activiteit verenigde met politiek leiderschap. Hij stichtte een verlichte theocratie, zou je kunnen zeggen.  Met hem is nog enigszins vergelijkbaar de profeet Samuel (Sjemoeël), die bij tijden als profeet ook staatkundig actief was. Maar juist hij stelde op uitdrukkelijke aandrang van het volk een koning (Saul) aan en initieerde zo een scheiding tussen de morele bewaking van de erfenis van de Mozes en het politieke bestuur van de koning en zijn dienaren. In de tijd van Samuel en daarna waren er nog vele andere profeten. Je zou het een beroep kunnen noemen. Ik stel me voor, dat het een soort sjamanen waren, die naast religieuze begeestering ook voorspellingen deden, zieken behandelden en andere adviezen gaven inzake lot en leven. Ze worden in Tenach vaak genoemd als mannen (geen vrouwen) ‘over wie de geest (roeach) Gods kwam’.  Zie bv Samuel 1:10:10. Een aantal waren adviseurs van de koning (bv Nathan, die het geweten van David was). Ook koning Achab (Achav, van het noordelijke rijk, 9e eeuw BCE) had honderden profeten. Die stonden echter in de dienst van de godheid Ba’al; zij moesten op de berg Karmel het onderspit delven tegen de God van de profeet Elia. Elia was als het ware een gedreven hervormer, die met kracht opkwam voor de zuiverheid van de leer van de Ene god en het ambt van profeet wilde ontdoen van alle magische en afgodische smetten die eraan kleefden. Hij en zijn opvolger Elisa (Elisja) hadden vele volgelingen die in kleine groepen het land doortrokken of samenwoonden in gemeenschappen. Toch kwam er in de loop van de tijd de klad in hun gilde; de meeste profeten spraken de mensen en de politieke leiders naar de mond. Afgodendienst aan Ba’al, Moloch en andere afgoden, moord, corruptie en seksuele losbandigheid woekerden in de inmiddels in het tweeën gedeelde land, het koninkrijk Juda in het zuiden en het koninkrijk Israël in het noorden. De ware leer van Mozes over de eenheid van God en de in zijn naam gegeven geboden van rechtvaardigheid en mededogen raakte vergeten.

Er stonden nu mannen op, die de misstanden aan de kaak stelden, een nieuw soort profeten, Amos, Hosea, Micha en Jesaja. Wat was het nieuwe aan hen? Het waren mannen uit alle standen. Amos was veehouder. Hosea was boer, Jesaja was een hoveling. Ze waren eenlingen met ieder zijn eigen roeping en onderscheidden zich uitdrukkelijk van de ‘professionele’ profeten. Ze liepen vaak risico om vervolgd te worden om hun brisante uitspraken en onverschrokken politieke prognoses. Ze waren de klokkenluiders van hun tijd in een verslechterd klimaat van maatschappelijk en moreel verval. (2) En niet onbelangrijk, ze hebben als eersten hun profetieën opgeschreven of laten opschrijven, zodat wij ze nog kunnen lezen. Zo stijgen hun geschriften boven de contingente historische omstandigheden, waartegen ze reageerden uit.

Hosea leefde in de tijd, dat de Assyriërs het Noordelijke rijk Israel belaagden, het rijk dat hij in zijn geschrift vaak aanduidt met Efrajim. Vanaf 740 BCE af waren er voortdurend invallen en werden de grote aantallen krijgsgevangenen uit het land weggevoerd. In 722 viel de hoofdstad Samaria (Sjomron) en werden de laatste bewoners, vele duizenden, in ballingschap gebracht naar verre streken. Deels worden deze gebeurtenissen in de voorzeggingen van Hosea vooraf geschaduwd. Het is de vraag of hij de val van Samaria nog heeft meegemaakt. Hij stoelt zijn oratie over de toestand in het land op het beeld van de echtgenoot (de Eeuwige) en diens overspelige echtgenoot (Israël), die haar man in de steek laat en haar toevlucht zoekt in overspel en hoererij. Zijn eigen huwelijk met zijn overspelige vrouw Gomer ervaart hij als een door de Eeuwige hem opgelegde existentiële doorleving van het verraad van Israel. Hij vertaalt als het ware zijn eigen ongelukkige situatie om Israël aan te klagen en haar te herinneren aan de opdracht om alleen de Ene te dienen in (6:6: Want Ik vind vreugde in goedertierenheid (chesed) en niet in offers, in kennis van God meer dan in brandoffers!).  In heftige beelden stelt hij de teloorgang van de oorspronkelijke boodschap en het moreel verval aan de kaak, wat zich onder meer uit in de dienst aan Ba’al en tempelprostitutie. (3) Wat is het verband met de parasja Wajetsee? In zijn poëtisch vertoog verwijst hij naar de oorsprong van Israels kennismaking met de Eeuwige in de verhalen van stamvader Jacob:

12 3 De Eeuwige heeft een rechtszaak met Juda.
Hij zal ​Jakob​ vergelden naar zijn wegen,
Hij zal zijn daden op hem doen terugkeren.
4In de moederschoot pakte hij zijn broer bij de hielen;
in zijn kracht streed hij met God.
5Hij streed met de ​Engel​ en overwon;
wenend vroeg hij Hem om ​genade.
In Bethel vond Hij hem,
en daar sprak Hij met ons,
6namelijk de Eeuwige, de God van de legermachten,
Eeuwige is Zijn gedenknaam.
7En u, bekeer u tot uw God,
houd u aan goedertierenheid en recht (chesed we-misjpat),
zie voortdurend uit naar uw God.

We herkennen in deze kernverzen van de haftara de wederwaardigheden van stamvader Jacob zoals die in de in de parasjot Toldot, Wajetsee en Wajisjlach worden verteld -
Jacob vlucht na het bedriegen van Ezau en Isaac naar het land Charan, en verblijft bij zijn oom Lawan. Hij huwt diens dochters Lea en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lawans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen, waar onderweg Ezau hem opwacht.
De profeet smeekt Israël om omkeer te doen en verwijst naar Jacob: Jacob belandt uiteindelijk met veel inspanning op de goede weg en wordt gezegend met Gods presentie en bescherming, zoals even verder in hfst 12 nog wordt benadrukt;

12 13 Jakob​ vluchtte naar het gebied van Syrië,
Israël​ diende om een vrouw
en om een vrouw hoedde hij vee
14Door een ​profeet​ heeft de Eeuwige Israël echter uit ​Egypte​ geleid
en door een ​profeet​ werd het gehoed.

Met die laatste regel wordt Mozes bedoeld en Hosea zegt daarmee (volgens Rasji), vergeet niet dat het een profeet was, die Israël uit Egypte leidden, dus geef aandacht aan de woorden van een profeet (als ik). Zoals bijna alle profeten geeft Hosea geen voorspellingen als gebeurtenissen die onvermijdelijk gaan gebeuren. Er is altijd een keus: je kan omkeer (tesjoeva) doen en als dat het geval is beschrijft Hosea het dan mogelijke welzijn in even bloemrijke aan natuur en agricultuur ontleende bewoordingen.

noten
(1)Verschillende commentaren op Wajetsee  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website
(2) Misschien mag je Johannes de doper en Jezus ook in deze traditie zien
(3) Martin Buber stelt, dat het niet zozeer om nieuwe afgoden ging, maar meer om wat hij de baälisering van de God van Israel noemt. JHWH verviel van een metaseksuele God naar de gemaal van een moedergodin en van de rechtvaardigheid eisende God naar de gruwelijke mensenoffers eisende koningsgod. In plaats van hem als God van chesed (compassie) te kennen verafgoodt men hem en vertroebelt zijn dienst met heiligverklaarde ontucht (Martin Buber, Het geloof der profeten, Servire, 1972, pp 138, 139, iets geparafraseerd)

RC dec 2019

  

Haftara bij de parasja Toldot

Malachi 1:1 – 2:7

Malachi (Maleachi) was de laatste van de twaalf zogenoemde kleine profeten (1) Hij leefde vermoedelijk in de eerste helft van de 5e eeuw BCE.  De Joden waren deels uit Babylonische ballingschap teruggekeerd en gezien Malachi’s kritiek op de tempeldienst moet hij de herbouwde tempel persoonlijk hebben bezocht. Malachi betekent ‘mijn engel’ en men veronderstelt, dat het een bijnaam is of een latere aanduiding voor een anonieme auteur. Abraham Ibn Ezra, de middeleeuwse voorloper van de bijbelwetenschap, meent dat het Ezra zelf geweest is en dat zou kunnen, omdat ook Malachi evenals Ezra in het gelijknamige bijbelboek (hfstn 9 en 10) de gemengde huwelijken van de teruggekeerde ballingen luid aanklaagt. In feite is het boek Malachi een reactie op de laksheid en onverschilligheid onder de teruggekeerde ballingen, die bij hun hervestiging in Judea vele tegenslagen ondervonden. Het ging over vragen als: we merken niets van Gods hulp, waarom gaat het andere volken goed en ons niet? Malachi geeft een boodschap door van de Eeuwige:

(1:2: Ik heb u liefgehad, zegt de Eeuwige,
maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?
Was
Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de Eeuwige
Toch heb Ik
Jakob liefgehad,
en
Ezau heb Ik gehaat.

Hier zien we waarom de haftara wordt gerelateerd aan de  parasja Toldot (Beresjiet/Genesis 25:19-28:9) waarin de verhaald wordt hoe in een reeks kleurige gebeurtenissen en met veel intriges Jacob tot erfgenaam van Abrahams spirituele inzichten en voortzetter van diens missie wordt gekozen boven de eerstgeboren en sterke Ezau (Esav) (2). Malachi brengt deze keuze weer in herinnering. De afstammelingen van Ezau, de Edomieten - die ten zuiden van Judea woonden – hadden nog kort geleden triomfantelijk toegekeken hoe de Judese ballingen uit Jeruzalem werden weggevoerd en tezamen met de Babyloniërs hadden ze de stad hadden geplunderd (2). Dat alles lag nog vers in de herinnering. Heeft de Eeuwige misschien Jacob laten vallen en Ezau gekozen?  Het heeft er alle schijn van, maar – zo verklaart de profeet - de Eeuwige draagt het volk van Juda nog steeds in zijn hart. De goddelijke zegen, ooit aan Jacob gegeven, is er in principe nog. Wat een actieve werking daarvan in de weg staat is het laakbare gedrag van de opnieuw in Judea gevestigde repatrianten. Drie misstanden stelt de profeet met indringende beelden aan de kaak, waarvan twee in deze haftara:

1. De tempeloffers werden met aanstootgevende slordigheid gebracht.
Als we ons losmaken van het personalistisch godsbeeld kunnen we ons indenken hoe beledigend het is als zieke of blinde dieren ten offer worden aangeboden, zoals Malach ons rapporteert. Zelf willen we door wie ons een zaak, dienst of prestatie schuldig is ook met toewijding en zorgvuldigheid worden behandeld. Stel je voor als je de gouverneur van de koning zo tegemoet treedt, zegt Malachi zelf. Verwaarlozing van heilige of rituele (of sowieso formele) handelingen is ook een signaal: wanneer die worden afgeraffeld kan dat duiden op verdergaand verval in een samenleving.
Malach zegt nog iets opmerkelijks, als hij de ‘heidenvolken’ ten voorbeeld stelt;

(1:11) Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een reingraanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de Eeuwige van de legermachten.

De Eeuwige is er dus niet alleen voor Israël, maar voor alle volken en Hij kan dus ook toegewijde rituelen van anderen dan Joden waarderen. Dat is toch een pluralistische stap vooruit! (4)
Maar hoe zit dat dan met dat emotionele en partijdige ‘Ezau​ heb Ik gehaat’ uit het boven geciteerde vers? Dat moeten we met een korrel zout nemen; dat Jacob is gekozen betekent niet, dat Ezau is afgewezen, maar dat hij alleen geen deelheeft aan het verbond en het lot van Israël. (5)

2. De priesters verzaakten hun plicht om het volk goed onderricht te geven.
2:7: Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren, uit zijn mond moet men onderwijs in de wet zoeken, zegt de profeet, en dat gebeurde kennelijk niet meer. De vraag is of dat ooit weer goed gekomen is. Malachi leefde op het keerpunt van een belangrijke ontwikkeling: de opkomst van de zogenoemde Grote Vergadering (ofwel de Grote Synagoge, ansjee knesset ha-gedola). Deze club van Wijzen rond de wetgever Ezra – 120 waren het er (6) - namen de taak van redactie, onderricht en verklaring van de Tora op zich. Het waren geen religieuze ambtsdragers, maar geleerden, uit wie tweehonderd jaar later de farizeeën voortkwamen en daarna rond het begin van de christelijke jaartelling de rabbijnen. De priesters zouden voortaan op dit gebied geen belangrijke rol meer spelen.

3. De Judeeërs trouwden met de niet-Joodse vrouwen en slaan in het algemeen de Mozaïsche wet in de wind. Dat laten we even rusten. Punt drie valt buiten de haftara, evenals de daaropvolgende oproep tot ommekeer, de aankondiging van een profeet als Elia en de voorspelling van een dag van gerechtigheid, oordeel en heil.

noten
(1) In Jodendom ook wel Tree Asar genoemd; kleine profeten omdat hun boeken kort zijn. Na Malachi is volgens de Joodse traditie de profetie opgehouden
(2) Verschillende commentaren op Toldot  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Ook andere profeten varen uit tegen het gedrag van de Edomieten tijdens het wegvoeren van de Judese ballingen, Jesaja34:5–34:8, Jeremia 49:7–49:22,Obadja 1:10 ev
(4) Baruch Spinoza haalt deze passage ook aan in zijn betoog over de relativiteit van de uitverkiezing van Israël (Theologisch-politiek traktaat, Wereldbibliotheek, 1997, p 143)
(5) zoals Rabbijn Jonathan Sacks In zijn boek ‘Niet in Gods Naam' (Kok, 2016, deel II) nadrukkelijk betoogt in een diepgaande herlezing van de tekst
(6) Volgens het tractaat Avot de Rabbi Nathan 1b (annotaties bij het Talmoedtractaat Pirkee Avot, dat begint met de ‘stamboom’  van overlevering van de Tora) was Malachi, de laatste profeet, tegelijk een van de eerste leden. Ook het Israëlisch parlement, de Knesset, heft 120 leden.

RC nov 2019

Haftara bij de parasja Wajera

2 Koningen 4:1-37

In de haftara 2 Koningen 4:1-37, die aan de parasja Wajera (Genesis/Bereshiet 18 – 23) is toegevoegd, wordt verteld over twee wonderen verricht door de profeet Elisja, aan wie Elia tegen het einde van diens leven de profetenmantel had overgedragen. Hij zou twee keer zoveel wonderkracht als zijn voorganger Elia hebben gekregen.

Het is de tijd, dat Israël verdeeld was in een noordelijk en zuidelijk rijk. Alom werden afgoden vereerd, zoals de Ba’al, geintroduceerd door koning Achav onder invloed van zijn vrouw Izewel. Dankzij de grote inzet van de profeet Elia waren er nog zevenduizend mensen die de knieën niet gebogen hadden voor de ​Baäl, zoals 1 Koningen 19:18 vermeldt.
Een daarvan was de weduwe van een van Elia’s volgelingen, die in grote materiele nood Elisja te hulp riep. Deze zorgde ervoor, dat het kleine beetje olie, dat de vrouw nog had tot zo’n grote hoeveelheid vermenigvuldigd werd, dat ze haar schulden kon betalen. 

De link tussen de haftara  en de parasja Wajera is te vinden in het daarop volgend verhaalde mirakel. Gemeenschappelijk thema is de profetische belofte van een zoon aan een oud echtpaar. In Wajera zijn dat Avraham en Sara. Aan hen voorzeggen drie engelen (Gen/Ber 18:10): Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw ​Sara​ een zoon hebben. In de haftara lezen we, dat de profeet Elisja tot een kinderloze vrouw in Sjoenem met een oude echtgenoot en een kinderwens zegt (4:16): Op deze zelfde tijd over een jaar zult u een zoon omhelzen. En in beide gevallen wordt inderdaad een jaar later een zoon geboren.

De context van Elisja’s belofte is echter wel een andere dan die bij Avraham en Sara.  De welgestelde vrouw uit Sjoenem had voor Elisja, die bij zijn rondreizen vaak bij haar te gast was, een bovenkamer laten maken met een ​bed, een ​tafel, een stoel en een ​kandelaar​. Haar kinderwens werd door de dankbare profeet vervuld. Maar daar hield zijn bemoeienis als ware wonderdoener nog niet op. Een van zijn grootste mirakels voltrok hij aan de zoon van de vrouw uit Sjoenem, toen de jongen de puberleeftijd had bereikt.  De knaap hielp bij het maaien en kreeg een zware hoofdpijn. Hij werd naar huis gebracht en stierf op de knieën van zijn moeder, die hem op het bed in het kamertje van Elisja legde. De wanhopige moeder liet een ezel zadelen en spoedde zich naar Elisja, die zich op de berg Karmel bevond. De profeet was door het verdrietige nieuws aangedaan en zond zijn dienaar Gehazi vooruit. Die legde in opdracht van zijn meester diens staf op het gezicht van de dode jongen. Dat hielp niet en Elisja wist dat zijn hoogstpersoonlijke optreden vereist was. (2 Koningen 4:33) Toen ​Elisa​ binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de Euwige. Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Deze profetische reanimatie-handeling bleek te helpen en de jongen werd wakker uit de dood.
Mogelijk is nog een parallel uit de parasja Wajera te vinden rond het bijna-offer van de eveneens aan een lang kinderloze Sara laat geboren zoon Isaac (Jitschak). In het bekende verhaal heeft Avraham, gehoorzaam aan een door hem gehoord goddelijk bevel, zijn zoon op het altaar gelegd en hij staat op het punt om met een mes zijn zoon om het leven te brengen, als een stem de vader gebiedt daarmee op te houden. Isaac is weliswaar niet uit de dood opgestaan, maar wel van een welhaast zekere dood door tussenkomst van een engel van de Eeuwige op het nippertje gered.

Opmerkelijk is, dat veel van de wonderen van Elisja rond voedsel, water en opwekking uit de dood in een of andere vorm terugkomen in de evangeliën, zie bijv. de opwekking van Lazarus en het dochtertje van Jaïrus. (2)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajera zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) bv Marcus 5:40 over het dochtertje van Jaïrus: Hij (Jezus) stuurde hen allen weg, nam de vader en de moeder van het ​kind​ en hen die bij Hem waren, mee en ging het vertrek binnen waar het ​kind​ lag. En Hij pakte de hand van het ​kind​ en zei tegen haar: Talitha, koemi! Dat is vertaald: Meisje (Ik zeg je), sta op. En meteen stond het meisje op en het liep, want het was twaalf jaar

 RC nov 2019

 Haftara bij de parasja Lech Lecha

Jesaja 40:27- 41:16

We roepen even de parasja Lech Lecha in herinnering. Abraham, die hier voor het eerst in de geschiedenis verschijnt, wordt geroepen door de Eeuwige om Charan te verlaten en op weg te gaan met zijn Sara naar Kena’an, dat ooit aan zijn nageslacht zal toevallen. Daar drijft weldra een hongersnood hem naar Egypte waar de mooie Sara, door de farao werd ingepalmd maar weer met schadeloosstelling ongedeerd teruggegeven Als welgesteld man keert hij terug naar Kena’an, waar hij een succesvolle oorlog uitvecht met de vier koningen, die neef Lot hadden meegenomen. Omdat Sara maar geen zoon kreeg werd haar slavin Hagar aan Abraham als bijvrouw gegeven. Hagar baarde Ismael. De pasja besluit met het gebod tot en de uitvoering van de besnijdenis. (1)

De haftara bij Lech Lecha is uit Jesaja (Hebreeuws: Jesjajahoe), de verzen 40:27 tot 41:16. Na een forse berisping over Israëls kleingelovigheid volgen vele verzen van bemoediging en optimisme. De Eeuwige presenteert zich in de visie van de profeet als een machtige heerser over hemel en aarde, die de vijanden van Israël verslaat en verjaagt, hun afgoden ontmaskert als machteloze beelden en Israël, hoe klein het ook is, beschermt.

Waarom deze passages als haftara zijn gekozen berust niet alleen op het voorkomen van Abrahams naam in vers 41:8: ‘Ik heb jou ​(Israël) uitgekozen. Je stamt af van mijn vriend Abraham’.  Aanleiding gaf ook het vers 41:2;

‘Wie heeft uit het oosten een rechtvaardige opgewekt, hem geroepen om te gaan, volkeren aan hem overgeleverd en hem koningen doen overheersen?’ (2)

De rabbijnen van de Talmoed meenden, dat deze rechtvaardige mens uit het oosten doelt op Abraham, die immers uit het oosten kwam. (3) Bekende middeleeuwse commentatoren als Rasji (1040-1105) en Radak (David Kimchi, 1160-1235)) namen dit over. Wie zijn de hier genoemde koningen anders dan de vier koningen die Abraham heeft verslagen toen hij Lot te hulp kwam (Gen. 14). De wonderlijke daden, die in deze en volgende verzen worden beschreven zijn de daden die de Eeuwige voor de rechtvaardige mens uit het oosten – Abraham dus in deze uitleg - heeft verricht. Ze zijn een hoopgevend voorbeeld. Zoals God Abraham tegen zijn vijanden heeft geholpen, zo zal hij dat ook doen voorzijn benarde volk Israël, de afstammelingen van Abraham, doen, dat is de impliciete boodschap van deze profetische poëzie.

De commentator en dichter Abraham Ibn Ezra (1089-1167) is een andere mening toegedaan. Hij volgt een meer historiserende benaderingen (4) en kiest voor de uitleg dat het hier Cyrus (Kores) betreft, de koning van de Meden en Perzen, die bestemd is om het onderdrukkende Babylon te verslaan en die de Joden hun vrijheid terug zal geven. Cyrus wordt later in Jesaja’s profetieën zelfs met name genoemd, zoals in 45:1:
‘Zo zegt de Eeuwige tot zijn ​gezalfde, tot Kores (Cyrus), wiens rechterhand Ik gevat heb om volken vóór hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren vóór hem te openen, geen ​poorten​ blijven gesloten.’
Ibn Ezra’s veronderstelling lijkt aannemelijk. Immers de schrijver van deze verzen – ook wel deuteron-Jesaja genoemd – leefde waarschijnlijk in de tijd, dat onder de druk van Cyrus oprukkende legers het Babylonische rijk wankelde en de door de Joodse ballingen vurig verhoopte val van Babylon aanstaande was.

Het volgende vers trekt nog onze aandacht, 41:14: Vrees niet, gij wormpje Jakob, gij volkje (5) Israël! Ik ben het, die u help, luidt het woord van de Eeuwige, en uw Verlosser is de Heilige Israëls’.

Dat ‘wormpje’ lokt tot uitleggingen. Rasji: Israel is zwak als een worm, die geen kracht heeft, behalve in zijn mond. Radak weidt verder uit: de sterke mond vreet zich door de sterkste ceders, die mond is het krachtige gebed van Israël, dus dat ‘wormpje’ is eigenlijk een compliment! Maar Ibn Ezra plaatst het beestje weer in de historische context: de Babyloniërs keken op Israel neer als op een worm, maar desondanks hoeft het niet te vrezen nu Cyrus in aantocht is. 

noten

(1) Verschillende commentaren op Lech Lecha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) De vertaling is van mij en geeft de bedoeling van het wat duistere Hebreeuws m.i. beter weer
(3) Bv Talmoed tractaten Bava Batra 15a:9 en Sanhedrin 108b:21
(4) Hij lijkt met zijn historiserende benadering een vroege voorloper van Baruch Spinoza (In zijn Theologisch-politiek tractaat) en de moderne bijbelwetenschap
(5) ‘volkje’ lijkt een merkwaardige vertaling (zowel van de HSV als de NBV) van metee Jisrael. Letterlijk staat er ‘mannen van Israel’. Dat verkleinwoord staat in verband met dat metee vaak voorkomt in de samenstelling metee mispar en dan betekent het ‘weinigen (in aantal)’. Misschien speelde deze connotatie bij de vertalers mee. De Willibrord vertaling vertaalt gewoon ‘mensen van Israël’.

RC nov 2019

 Haftara bij de Parasjat Noach   Beresjiet Genesis 6:9-11:32

  Jesaja 54:1-55:5

De haftara (wekelijkse lezing uit de prefeten) die aan de sidra (of parasja) Noach is toegevoegd is Jesaja hoofdstuk 54 en 55 tot vers 6. In poëtische termen wordt gesproken over een verlaten, kinderloze vrouw die (weer) in genade zal worden aangenomen door de echtgenoot, die haar ooit in boosheid heeft verstoten. De echtgenoot is de Eeuwige, maar wie is die vrouw? De algemene rabbijnse opinie is: Jeruzalem (Rasji) dan wel het volk Israel (Ibn Ezra). In vele krachtige en gepassioneerde beelden wordt bezongen hoe de Eeuwige zijn woede laat varen. haar weer tot vrouw zal nemen, haar nooit meer verlaten en het haar verder nooit meer aan iets zal ontbreken.
54:6 Je was een verlaten, wanhopige vrouw
toen de Eeuwige je terugriep.
Kan iemand de vrouw van zijn jeugd verstoten? – zegt je God.
7Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
8Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ​liefde,

Waarom is dit stuk van Jesaja aan de sidra Noach vastgeknoopt? Dat zit hem in de passage  van het volgende vers 54:9: 
Dit (deze gelofte) is voor mij als bij de vloed van ​Noach:
zoals ik heb gezworen dat het water van ​Noach
nooit meer de aarde zou overspoelen,
zo zweer ik dat mijn toorn jou niet meer treft
en dat ik je nooit meer bedreig.
De vergelijking is duidelijk. De verwijzing is naar Ber/Gen 9:11: ‘Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten’. Zoals de Eeuwige, na de eerste verdorven mensheid te hebben vernietigd met de rampzalige vloed, aan de enig overgebleven familie Noach heeft gezworen  nooit meer de mensheid met een dergelijke catastrofe te verdelgen, zo heeft de Eeuwige eerst zijn handen van Israël afgetrokken (door het in ballingschap te laten wegvoeren), maar nu weer gezworen zich weer om het verlaten en wanhopige volk te bekommeren,  als het ware een nieuw verbond sluitend (zie 55:3).

Laten we deze passages eens in een historische context plaatsen. Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Jesaja de eerste leefde ten tijde van koning Hizkia (8e eeuw BCE) en de tweede ruim tweehonderd jaar later tegen het einde van de Babylonische ballingschap.. Deutero-Jesaja heeft de hoofdstukken 40 tot 56 voor zijn rekening genomen, zo neemt men aan (sommigen veronderstellen nog een derde Jesaja, die de laatste hoofdstukken heeft geschreven).  Hij kende de wanhoop, de ellende en de heimwee van de ontheemden, die weggerukt uit hun thuisland treurden aan de rivieren van Babylon. Een door haar man in de steek gelaten en van haar kinderen beroofde vrouw, dat is het krachtige beeld, dat het gevoel van de profetische dichter vertolkt, een beeld dat hij al eerder heeft gebruikt (bv 49:19, 51:18-20; kende men toen nog niet de wanhoop van de man, die door zijn vrouw en kinderen is verlaten?). Maar naast de wanhoop kende hij ook het vurig verlangen naar de terugkeer naar een thuis, waar de zorgen over veiligheid en levensonderhoud voorgoed voorbij zouden zijn., sterker nog, waar de vrijheid en waardigheid van zijn volk zou zijn hersteld. Dat verlangen zal zijn verhevigd door de politieke omstandigheden van die tijd; het rijk van Babel wankelde en Cyrus, de koning van de Meden en de Perzen, maakte zich klaar om Mesopotamië te veroveren. De hoop op terugkeer naar het land en op hernieuwde welvaart vertaalt zich in het beeld van de verstoten vrouw die in haar positie als geliefde echtgenote wordt teruggenomen. We herkennen de situatie van de Judeeërs aan de Eufraat en de Tigris van toen als archetypische situatie van vluchtelingen en bannelingen van alle tijden en zeker ook van nu. Ik laat graag aan de lezer over om actuele voorbeelden voor ogen te halen. 

 Het hartstochtelijk verlangen van de profeet schetst een ideaalsituatie van welvaart, bestendigheid, onkwetsbaarheid van de bruid, die utopisch of zelfs messiaans aandoet.
Heeft hij een messiaans Jeruzalem in gedachten als hij dicht:
2Ik maak je torens van ​robijn,
je ​poorten​ van ​beril,
je ​muren​ van kostbare edelstenen.
Refereert hij aan een messiaanse tijd als hij roept:
551Hierheen! Hier is water,
voor ieder die dorst heeft.
Kom, ook al heb je geen ​geld.
Koop hier je voedsel en eet.
Kom, koop voedsel zonder ​geld,
koop ​wijn​ en melk zonder betaling.

Deze utopie van soliditeit en solidariteit  krijg je niet cadeau, Jeruzalem zal wel moeten luisteren naar de stem van de Eeuwige:
Luister aandachtig naar mij,
en je zult ruimschoots te eten hebben
en genieten van een overvloedig maal.
Leen mij je oor en kom bij mij,
luister, en je zult leven.

Wat is dat luisteren? Het is Tora in ruime zin, onderricht in de zin van de Jesaja van hoofdstuk 1: 18.17:‘ Vermijd alle kwaad en leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta ​weduwen​ bij’.
De terugkeer van (een deel van) de ballingen naar Judea heeft inderdaad plaatsgevonden – met goedkeuring en met materiele steun van Cyrus -   maar de realisering van een messiaanse samenleving is niet gerealiseerd. De verheven en toch aardse beelden in deze verzen raken nog steeds een snaar raken in ons gemoed, dat verlangt naar uitbanning van uitbuiting, corruptie, honger, armoede en omarming van compassie en gerechtigheid in deze wereld.

De traditie ziet Jeruzalem ook op allegorische wijze. Je kan Jeruzalem, (of Tsion) zien als de heilige plek die in iedere Jood, cq in iedere mens, in principe is te vinden. Een plek, die geheven is boven de alledaagse zorgen en wanen, boven de tijd/ruimte, een plek waar de ziel zich even verbonden en verzoend kan weten. (1) Op dat niveau van uitleg is de terugkeer naar Jeruzalem de terugkeer naar die heilige plek, onze essentie, ons beste weten omtrent het goede, onze ziel, de we eens in de hectische rat race van de wereld hebben verlaten. Dan slaat de vertroosting van de verzen 54:7,8 niet zozeer op de geschiedenis van Israel, waar de Eeuwige zijn gezicht (presentie) meermalen voor meer dan een ogenblik heeft verborgen (en nog steeds verborgen houdt?), maar vooral op onze individuele weg van bewustwording, de weg van de banneling die thuiskomt.
Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ​liefde

noot

(1) In de kabbala wordt Jeruzalem veelal geassocieerd met de sefira Malchoet.

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8 

Er zij licht en er was licht

We gaan een gedachtenreeks spinnen rond dit vers uit Beresjiet/Genesis hoofdstuk 1.

1:3 God zei: ‘Er zij licht' en er was licht. (wa-jomer Elohim: jehi or) (1)
4 God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis;
5 het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. Een dag.

Volgens de modern orthodoxe commentator en expert oud-semitische talen Umberto Cassuto die vaak dicht bij de letterlijke bedoeling van de tekst blijft heeft de redacteur het licht als fysisch fenomeen voor ogen gehad. Dat is wel waarschijnlijk, maar toch is het is het interessant eens na te gaan, hoe deze gebeitelde pregnante woorden latere generaties geïnspireerd hebben er veel meer in te zien dan het zichtbare licht.

Dat is begrijpelijk, als je stil staat bij hoe het woord ‘licht' geladen is met associaties, die weliswaar gebaseerd zijn op de eigenschappen van het fysieke licht, maar daar verre boven uitgaan. Neem alleen al in het Nederlandse spraakgebruik uitdrukkingen als ‘het licht zien', ‘een lichtend voorbeeld' en de term ‘verlichting', welk laatste woord merkwaardigerwijs zowel een religieuze betekenis kan hebben en dan duidt op een staat van verheven vrede en diep inzicht, alsook een min of meer antireligieuze strekking heeft als ze duidt op 18-eeuwse omhelzing van het principe dat de rede en rationele analyse de enige manier is om waarheid te vinden. Altijd al heeft het begrip ‘licht' een centrale plaats ingenomen in het weergeven van essentiële ervaring op geestelijk gebied. Het hoeft het geen verbazing te wekken, dat het monumentale bijbelvers over de creatie van het licht ook allegorische en esoterische uitleg heeft gevonden. Van mijn prille bestudering van deze aspecten waag ik enkele bevindingen weer te geven.

In de midrasjverzameling op Genesis, Genesis Rabba (2), wordt geconstateerd, dat het licht van vers twee niet het licht is, dat later uitgaat van zon en maan. Zo staat het er:
‘Men onderwees, dat het licht, dat werd geschapen in de zes dagen van de schepping de dag niet kan verlichten, omdat dit licht het licht van de zon zou doen verdwijnen en ook de nacht niet, omdat het alleen geschapen was om de dag te verlichten. Waar is het dan gebleven? Het is opgeslagen voor de rechtvaardigen in de messiaanse toekomst, zoals is gezegd’ - en dan volgt een regel uit een messiaans visioen van de profeet Jesaja -  (30:26):dan is het licht van de maan als het licht van de zon, en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk’. 
We moeten er met de kennis van nu niet aan denken, dat de maan de zon wordt en de zon zevenmaal zo hard schijnt, maar dat fysiele aspect is hier natuurlijk niet bedoeld, het gaat om een verlichte staat van volmaakte vreugde en wijsheid, die aan het eind der tijden wacht. (3) Is er dan niets van dit primordiale scheppingslicht meer werkzaam in onze huidige wereld?

In de kabbalistische mystiek zijn tot in groot detail ideeën over het verborgen oerlicht te vinden. Gangbaar is de opvatting geworden (van de grote kabbalist R. Isaac Luria, 1534-1572) dat het primordiale spirituele licht, dat uit Ein Sof (het onzegbare ‘zonder einde’) als eerste scheppingsdaad is ontstaan, in een aantal dramatische fasen van vermindering tot een minieme fractie omhuld is geraakt in schillen (klipot) (4) : de psychische en materiele wereld, kortom onze daagse beleving van de complexe gebroken wereld van goed en kwaad. De verhulde overblijfselen van het licht, de lichtvonken (netivot) diep verborgen in ons en in de dingen, zoals wij die waarnemen, vragen erom verlost te worden door ons, zodat wij ons bewustzijn en daarmee de wereld in een meer volmaakte staat kunnen brengen, kunnen heel maken in de richting van het oorspronkelijke ideale plan van de schepper (5). Dat wordt in het Joods gedachtegoed tikoen olam genoemd, de reparatie van de wereld. Dat kan door (een programma van) spirituele oefening, waarin je je traint in een verruimd gewaar worden van hoe in alle gedachten, ideeën, gevoelens, ook de donkerste, een (goddelijke) vonk is verborgen, die bevrijd kan worden, waardoor die zaken naar een hoger plan worden verheven. Maar het kan ook door een daad te doen van liefde, hulp, steun aan medemens en milieu.

Dit concept van tikoen olam is vanuit de kabbala ontwikkeld tot een heel praktische leidraad in het liberale jodendom om het doen en laten van alledag een zin te geven.
Laat mijn gedachte, mijn daad of de manier waarop ik waarneem en aan het leven deelneem de wereld in het donker of breng ik meer licht aan de oppervlakte?

noten

(1) Een woordspelletje met het Hebreeuwse woord voor licht (or אור), verlichten (he’íer) stad (ier עיר) en huid (or עור): אור העיר האיר עור
(2) Genesis Rabba 3:7
(3) Cassuto moet niet zoveel hebben van deze esoterische uitleg. Hij meent, dat de “rabbijnse uitleg dat het licht verborgen werd ten gunste van de rechtvaardigen in de komende wereld “ niet overeenkomt met de bedoeling van het vers. Hij houdt het bij de psjat (letterlijke uitleg) Zie Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part one, p.26 ev en zijn betoog over de functie van zon en maan als markering van het alreeds geschapen licht van vers 3.
(4) Zie het concept van het ‘breken der vaten’(sjevirat ha keliem), een soort schitterend ongeluk, zoals bijv. samengevat in Marcus van Loopi, Kabbala als levenskunst, p. 257 ev
en in detail Moshe Miller op chabad.org
(5) Daarvoor wordt wel in de kabbala het beeld van Adam Kadmon (niet te verwarren met de Adam van het paradijs) gebruikt, een oerbeeld van de volmaakte mens, dat God gebruikte als blauwdruk voor de schepping.
Adam Kadmon doet, ontdaan van zijn metafysische kleed, denken aan het antropisch principe in de natuurwetenschappen, het idee dat er een nauw verband bestaat tussen ons mens-zijn en de eigenschappen van het heelal, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Antropisch_principe

 

RC okt 2019

 

 

 

 

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

Nieuws

Parasjat Wajetsee Beresjiet /Genesis 28:10 – 32:4 Vertrekken en opnieuw beginnen In deze parasja vertrekt Jacob uit zijn vaderhuis te Berseba (Beër Sjeva) op de vlucht voor zijn op wraak beluste broer, Lees meer >>

november

  • <  
  •   >
z m d w d v z
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30