Liberaal Joodse Gemeente Gelderland, progressief en gastvrij.

24 juli 2021 | 15 Av 5781

Parasja van de week

shiviti

Parasja van de week

Matot-Masee      Bemidbar/Numeri 30:2-36:13

Wat waren de pleisterplaatsen?

De parasjot Matot en Masee worden dit kalenderjaar tezamen gelezen 
De gelofte en de eed komen ter sprake, de oorlog tegen Midjan, het speciale verzoek van de stammen Reuven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen. In de parasja Masee stelt Mozes regels over de verdeling van het land, over moord en doodslag en asielsteden voor plegers van niet-opzettelijke doodslag. Masee begint met een uitputtende opsomming van de pleisterplaatsen, die de Israëlieten op hun reis van veertig jaren hebben aangedaan.1 Op bevel van de Eeuwige heeft Mosjee de etappes volgens de verschillende vertrekpunten genoteerd, het is een lange lijst van 42 namen. Waarom die lange opsomming?

Het wonder van overleven

Rasji en ook de Ramban 2 zeggen, dat de 42 pleisterplaatsen willen uitdrukken dat het niet de bedoeling van de Eeuwige was dat het volk Israëls voortdurend op stap was; als je goed kijkt zie je, dat er lange rustpauzen van soms meerdere jaren waren. Ovadja Sforno (16e eeuw) meent dat de opsomming een groot compliment uitstraalt voor een volk dat de routes die de Eeuwige had aangegeven blind had gevolgd door woestijnen waar niets groeide, zodat een beloning wel was gerechtvaardigd: het beërven van het beloofde land.
Maimonides (12e eeuw) zegt: latere generaties zouden kunnen denken dat de Israëlieten zich ergens vlakbij de bewoonde wereld ophielden, waar mensen nog wel zouden kunnen wonen. Om aan deze twijfel een eind te maken (…) somt de Schrift alle pleisterplaatsen op, zodat komende generaties ze kunnen opzoeken en de grootheid kunnen beseffen van het wonder dat mensen in staat stelde om veertig jaar op zulke (onherbergzame) plaatsen te leven.3

Omzien in verwondering

We kunnen ons ook voorstellen dat de hoogbejaarde leider er eens goed voor is gaan zitten om terug te kijken; zijn taak zat er bijna op, de oversteek van de Jordaan was ophanden, hij had op de top van de berg het beloofde land mogen aanschouwen, zijn opvolger Jozua was al aangewezen. Nu was het moment om het wonder van die veertigjarige zwerftocht nog eens accuraat te administreren. Ieder oponthoud had zijn eigen verhaal en was belangrijk om herinnerd te worden. Misschien was het opschrijven van al die plaatsen – wie weet aan de hand van tijdens de reizen al haastig gemaakte notities - wel de mnemotechnische kapstok voor de veel uitgebreider later vast te leggen kronieken. Ongetwijfeld zal de oude leidsman die vele stadia van zijn leven en dat van zijn volk al schrijvende weer herbeleefd hebben met een mix van emoties en zeker ook van verwondering en dankbaarheid

Wat zijn onze pleisterplaatsen?

De reizen van de Israëlieten en de opsomming van hun pleisterplaatsen hebben een universele resonantie naar ons eigen leven. Ook wij kunnen er eens voor gaan zitten en terugblikken, op ieder moment in ons leven, aan de hand van de vraag: wat waren onze pleisterplaatsen? Dat kan geografisch, maar ook naar belangrijke levensgebeurtenissenen. Iedere pleisterplaats heeft zijn verhaal, iedere episode is belangrijk. Je kan ze zelfs net als Mozes op een stuk papier schrijven en aan de muur hangen om er over te mijmeren. Of gebruiken als mnemotechnische kapstok om een boek over je leven te schrijven.

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasjot Matot en Masee zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2. Zie Rasji en Ramban ad 33:1 op Sefaria.org

3. Guide for the Perplexed, Part 3 50:7

RC 21 juli 2021

 

 

 

 

 

 

 

 

Pinchas    Bemidbar / Numeri 25:10–30:1

Pinchas de eenling

We moeten even teruggaan naar het eind van de voorgaande parasja Balak.om het verhaal van Pinchas, de naamgever aan de voorliggende parasja, te begrijpen.1 De mensen van Israël 2 gingen mee met Moabitische – en zoals uit het vervolg blijkt ook Midjanitische - meisjes die de Baäl van Peör vereerden; ze genoten met hen rituele maaltijden en hadden met hen seksuele gemeenschap, een vorm van tempelprostitutie, die geheel in strijd was met de scheiding tussen de dienst aan de Eeuwige en seksualiteit die in de Mozaïsche voorschriften wordt nagestreefd. Deze afvalligheid werd door de Oude Wijzen bijna even schandalig geacht als die rond het gouden kalf en zou nog vaak resoneren in latere geschriften.

De provocatie en het ingrijpen van Pinchas

De Eeuwige eiste rucksichtslose represailles en Mozes beval de rechters van het volk alle overtreders te doden, hetgeen vele duizenden executies tot gevolg zou hebben. Tijdens deze zitting verscheen een vooraanstaande man – Zimri, een prins van de Simonieten, lezen we later - onder de ogen van Mozes en tot ontzetting van het volk openlijk met zijn Midjanitische vrouw – prinses Kozbi - en voerde haar naar zijn tent. Dit werd dit Pinchas, de kleinzoon van Aharon, te veel; hij ging het stel achterna tot in de tent en doodde hen door ze met een speer in het onderlichaam te steken. Pas dan lezen we dat een snel om zich heen grijpende dodelijke epidemie (geduid als uiting van goddelijke woede) al vierentwintigduizend slachtoffers had geëist.
Pinchas doorbrak met zijn daad van zowel grote toewijding als heetgebakerd fanatisme twee fatale ontwikkelingen. Door twee mensen op te offeren werd de dodelijke epidemie beëindigd; mogelijk was er sprake van een geslachtsziekte, die door de tempelprostituees werd overgebracht en bracht de daad van Pinchas schrik en bewustwording teweeg bij de mannen; ze stopten met hun religieuze en seksuele overspeligheid, waardoor ook de besmetting niet verder om zich heen greep.  Maar ook doorbrak Pinchas het langdurig proces van berechting en terechtstelling van de vele (de midrasj noemt tienduizenden) overtreders; de executie van de prins Zimri en de prinses Kozbi was kennelijk een voldoende genoegdoening en het proces vond geen verdere doorgang 3.
Pinchas is het voorbeeld van de eenling die in crisissituaties een eigen bliksemsnelle afweging maakt en conventionele regels aan zijn laars lapt om zo ontelbare levens te redden. Commandanten in oorlogstijd kunnen daarover meepraten. Een vaccin dat een minimale statistische kans heeft op een dodelijke bijwerking maar talloze levens redt stelt de politicus tijdens een corona epidemie voor een vergelijkbare afweging. Verantwoording komt achteraf.

Een verbond van vrede

Pinchas’ daad was weliswaar een daad van eigenrichting, maar – hier begint de parasja pas – hij oogst toch het fiat van de Eeuwige, die hem bij monde van Mozes een ‘verbond van vrede’ aanbiedt en het eeuwige hogepriesterschap voor hem en zijn nakomelingen. Dat wat mysterieuze verbond van vrede vindt vele interpretaties. Bijv. Rasji (11e eeuw): het verbond van vrede is een teken van tevredenheid van boven. Ibn Ezra (12e eeuw): een garantie tegen de wraak van de Simonieten, waartoe de dader, Zimri, een van hun leiders, behoorde. Sforno (16e eeuw): een lang leven; en inderdaad komen we Pinchas nog tegen in de tijd van de rechter Jiftach (Jefta) 300 jaar later …

Wat er verder nog in de parasja wordt staat

Het verbond van vrede sloeg in ieder geval niet op de oorlog die aan de Israëlieten geboden werd te voeren tegen de Midjanieten, die met de Moabieten medeplichtig waren geweest aan de verleiding tot afgodendienst, zoals blijkt uit de verzen 25:17-18; getuige ook Midjanitische prinses Kozbi, die Zimri naar zijn tent voerde. Die oorlog komt pas in de volgende parasja ter sprake, eerst moest er nog een volkstelling plaats vinden om de weerbare mannen voor het leger te inventariseren. Het totaal komt uit op 601,730, iets minder dan de telling aan het begin van het boek Numeri, maar per stam zijn er aanzienlijke verschillen. Van de Levieten zijn er 23000. Alleen Jozua, Kalev en hogepriester Elazar zijn naast Mozes nog over van de Sinaï generatie.

Ook komt het verdelingsprincipe voor het nog te veroveren land aan de orde: stukken land moeten worden toegedeeld naar grootte van de populatie per stam maar ook door het lot te werpen. De vijf dochters van Tselofchad uit de stam ban Manasse vragen Mozes of zij het land van hun zoonloze vader mogen erven en dat is goed. Nog wat verfijningen van het erfrecht worden gegeven.

Mozes wordt gezegd de berg Avariem te beklimmen en hem wordt nog een blik op het beloofde land gegund, want het stervensuur nadert, omdat hij immers bij het slaan van de bron bij Meriwa in de woestijn van Tsin de naam van de Eeuwige niet voldoende had verkondigd aan het volk. Mozes vraagt wie hem moet opvolgen en het antwoord is: Jozua (Jehosjoea), hetgeen nog wordt bevestigd door de hogepriesterlijke orakels van de Oeriem en de Toemiem.

Tenslotte worden vele bladzijden lang de vele offers gespecificeerd die moeten worden gebracht op de sjabbat, Pesach, Sjavoeot, Rosj Hasjana, Jom Kipoer en de acht dagen Soekot inclusief Sjemini Atzeret. Als je de offerdieren bij elkaar optelt kom je op per jaar 113 stieren, 37 rammen, 363 lammeren en 30 geiten, totaal 543 dieren.

noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Pinchas zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2. Er staat ha-am, dus ook vrouwen kunnen hebben deelgenomen.

3. Ik volg hier Nachmanides ad loc

4. Waarom geen oorlog dan tegen de Moabieten? Zie Deuteronomium 2:9. Waar Mozes wordt geboden Moab niet aan te vallen. De rabbijnen melden ook nog dat de Moabieten werden gespaard omdat twee “kuikens’ eruit zouden voortkomen Ruth (Roet) en Naäma, een vrouw van Salomo (Rasji ogv Talmoed Bava Kamma 38b)  

Balak    Bamidbar/Numeri 22:2-25:9

Wie was Bilam? 

In deze parasja is zijn de benee Jisrael succesvol opgetrokken in het Transjordaanse gebied. De koning van Moav, Balak, is bang geworden voor de overmacht van de Israelieten die tot aan de grenzen van territorium zijn geraakt. Alvorens een militaire confrontatie aan te gaan wil hij de kracht van zijn tegenstander spiritueel ondermijnen. Daarom roept hij de hulp in van een sjamaan uit het oosten die beroemd is om de kracht van zijn vervloekingen: Bilam.

Haat of onverschilligheid?

Veel commentatoren, zoals Rashi, zien Bilam als een man die van diepe haat voor Israël is vervuld; ‘Want Bilam haatte hen (de Israëlieten) meer dan Balak', zegt Rashi ad vers 11, hfst 22. Er is ook een andere visie op de beroemde magiër mogelijk. Misschien was hij een vakman, gespitst om overeenkomstig zijn reputatie zijn opdrachten te vervullen. Tegenover Israël stond hij niet zozeer als hater maar als een professional die zijn taak voor zijn opdrachtgever netjes moest vervullen. Niet gedreven door idealen, niet door liefde voor het hogere doel of haat tegen de tegenpartij, maar door een neutrale motivatie om zijn goed betaalde deskundigheid in dienst te stellen van de meest machtige baas of de hoogste bieder. Wat is erger: haat of onverschilligheid?

Een hardnekkige stem

Wel had hij met al zijn virtuositeit in de magie last van de influisteringen van de Eeuwige, iets wat we nu geweten of de wijsheid van de ziel zouden noemen, een hardnekkige stem die hij niet tot zwijgen kon brengen. Tegen de strekking van zijn opdracht in wordt hij door de Eeuwige als een marionet bespeeld en na een lange en bewogen tocht op zijn wonderlijk sprekende ezelin aangekomen bij het Israëlitische legerkamp roept hij niets dan goeds over de Israëlieten uit. In vier rondes – gemarkeerd door een enorm spektakel aan altaren en offers van stieren en rammen - spreekt de ziener in plaats van vervloekingen alleen maar uitgebreide zegeningen en lofprijzingen uit tot afgrijzen van zijn opdrachtgever Balak. ‘Zie een volk dat alleen woont en zich onder de volken niet rekent' is een van de uitspraken van de magiër in de eerste ronde, een uitspraak, die ver boven het gewicht van de tijd uitstijgt.

Hoe goed zijn uw tenten, Jaäkov, uw woningen, Jisrael!

Er is veel te zeggen over Bilams profetieën, maar het derde visioen valt extra op, doordat dit wordt voorafgegaan door de woorden '…daarom ging hij niet als de vorige keren op wichelarijen af maar richtte zijn blik naar de woestijn. Toen Bilam zijn ogen opsloeg en Israël daar naar zijn stamindeling gelegerd zag, kwam de geest van God over hem.' (Bamidbar 24:1-2, vert. Dasberg). Ook zonder tovenarij, maar juist met een houding van open en helder kijken naar de realiteit in al zijn gelaagdheid kan een dieper geïnspireerd schouwen plaats vinden in nog verborgen mogelijkheden en toekomstige potentie. De krachtige uitstraling van de strijdbare massa's in het geordende legerkamp maakt ook zonder zwartekunsten indruk op de geïnspireerde ziener. Maar ook dan ontlokt het pure schouspelt hem een reeks zegeningen en profetische uitspraken waaronder de uitroep: ‘Hoe goed zijn uw tenten, Jaäkov, uw woningen, Jisrael!' en ook nu nog zingen wij hem deze uitroep na in het begin van het avondgebed. Het is moeilijk te begrijpen, dat na al deze inzichten Bilam nog bezield zou zijn door een persoonlijke haat tegen het volk, dat hij zo intensief in al zijn glorie had aanschouwd en bezongen. In de eerste visionaire ronde spreekt de magiër zelfs zijn verlangen uit tot dit gezegende volk te mogen behoren: ‘Moge ik sterven als die rechtvaardigen, moge ik heengaan zoals zij' (23:10). Je vraagt je bijna af, waarom hij zich niet heeft opgeworpen voor aansluiting bij dit gezegende volk, zich niet heeft aangemeld voor een gioer. 2

Volharden in het verkeerde

Maar wat moeten we dan met een Bilam, die later adviseerde om de Moabitische en Midjanitische meisjes in te schakelen om de Israëlieten tot ontrouw en afgoderij te verleiden (31:15 ev) ? Een listig plan, dat inderdaad werkte; de Israëlieten liepen in de val en dat koste (door een epidemie, wellicht een geslachtsziekte) duizenden slachtoffers. Volgens de midrasj wilde hij met dit advies alsnog zijn honorarium binnenslepen.3 Was het inderdaad de alles overheersende geldzucht die hem leidde of was het om zijn geschonden professionele imago weer te herstellen?

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Balak zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2. Tot dan heeft in de ogen van Maimonides Bilam de status van een moreel hoogstaande man. Daarna begint er een morele aftakeling en zakt die status beneden peil, zie o.a. in Maimonides' Guide to the Perplexed p. 242. Ook in de Talmoed is druk gediscussieerd over Bilam. In de lijn van Maimonids zei, bv R. Yochanan over Bilam: 'in het begin een profeet, later een tovenaar' (Sanhedrin 106a).

3. Chizkuni, ad  Numeri/Bamidbar 31:8:2

Choekat Bamidbar 19:1 22:1

De Nechoesjtan

In deze parasja Choekat maken we een sprong in de tijd van 38 jaar, expliciet vermeldt de tekst dat niet. Een hele generatie van Israëlieten is heengegaan. Ook Mirjam sterft en niet veel later Aharon. Een vitale nieuwe generatie reist verder de woestijn in en dan vindt een eigenaardig incident plaats (21:4-9). Het volk zit zonder water, vindt manna minderwaardig, een oude klacht – zevenmaal komt dat voor in de Tora – weerklinkt: ‘waarom zijn wij uit Egypte gebracht, om hier in de woestijn te sterven?'

Een koperen slang

De Eeuwige is ‘not amused' en laat als respons op dit protest giftige slangen (nechasjiem sarafiem) los op het volk die de mensen bijten en velen sterven. Dat brengt de Israëlieten tot ommekeer en ze smeken de oude leider om een oplossing. Mozes krijgt een merkwaardig idee ingegeven. Hij maakt een koperen slang (nechasj nechosjet) en houdt deze op een standaard (nees) omhoog; wie ernaar kijkt, zal worden genezen, en aldus gebeurt. Volgens de tekst heeft de Eeuwige het zelf overigens niet over een koperen slang, maar alleen over het maken van een ‘seraf', een (soort) engel, of ‘iets brandends' (van saraf branden). Het is Mozes, die besluit, dat het een slang moet zijn en wel eentje van koper.

Zijsprong naar her Christendom

Even een zijsprong naar het christendom; daar hebben christelijke theologen de Tanach (min of meer het Oude Testament) – tot ongenoegen van de rabbijnen - naarstig afgespeurd naar gebeurtenissen en beelden, die het lijden van Jezus en zijn rol als verlosser van zonden zou voorafschaduwen. In deze parasja wordt de aanzet door Jezus zelf gegeven, als hij zich (in het evangelie van Johannes 2) vergelijkt met de reddingbrengende koperen slang. De op de standaard omhoog geheven en genezing brengende koperslang ziet men als een voorafschaduwing van de gekruisigde Jezus, die de mensen van hun slangenbeetziekte – hun zonden – verlost. 

Geen inherente heiligheid

Talmoedische rabbijnen vroegen zich af: beging Mozes met zijn koperen slang niet een flagrante overtreding van het tweede gebod van de Tien Woorden, het afbeeldingverbod (Sjemot 20:4 3)? De geleerden lieten dit afhangen van de vraag: kon de slang an sich dood of leven brengen? 4 Nee, het ging erom de Israëlieten het hoofd te doen heffen, omhoog naar hun hemelse vader om hulp en als ze dat deden, begon de genezing, hieven ze het hoofd niet, dan trad de dood in. De slang was dus niet het doel, maar het middel dat omhoog wees naar de Allerhoogste. In de slang zelf was geen godheid geïnvesteerd. Rituele voorwerpen in het Jodendom hebben geen inherente heiligheid en verwijzen alleen maar naar de geboden, zoals Abraham Joshua Heschel uitdrukkelijk stelt.5  Toen de vrome koning Chizkijahoe (Hizkia) zag hoe de koperen slang die eeuwenlang in de tempel was bewaard werd vereerd, vond hij dat maar niks, ‘hij sloeg de koperen slang die Mozes gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte voor deze slang, die de naam Koperslang (nechoesjtan) droeg, wierook te branden' (2 Koningen 18:4). De verleiding om bepaalde objecten tot doel te maken van verering en aanbidding is vaak onweerstaanbaar. Misschien goed om ons eens af te vragen: welke zaken hebben wij al te heilig gemaakt?

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Naso zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2 Joh. 3:14 En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft

3 Sjemot/Exodus 20:4-5 U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding  van  wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de Eeuwige, uw God, ben een na-ijverig God, etc

4 Talmoed Rosj Hasjana 29a

5 In Abraham Joshua Heschel, ‘Man's quest for God', Aurora Press, 1998, ch. 5
vertaald als ‘In het licht van zijn aangezicht’, 4e druk, 2011, Bijleveld

 

Korach  Numeri/Bemidbar 16:1–18:32.

Twee soorten leiderschap

In deze parasja Korach 1 wordt het archetype van een opstand beschreven. Neem een ontevreden en zich achtergesteld voelend volk en een aantal leiders, die hier hun kans zien. Ze exploiteren de frustratie om op de golven van algemene onvrede omhoog te komen. Vaal blijken het later leiders met een twijfelachtige integriteit. Hun vermeende opkomen voor welzijn gaat meestal gepaard met persoonlijke ambities en belangen. Ze hebben een dubbele agenda. In dit geval zijn het Korach van de stam Levi en Datan en Aviram uit de stam van Ruben (Re'oeven).

Verborgen agenda’s

Het drietal wist 250 vooraanstaande mannen aan hun kant te krijgen.
Korach valt het leiderschap van Mozes (Mosjee) en Aharon aan in de vorm van een theologische discussie. Hij lijkt wel een punt te hebben (16:3): ‘ U matigt u te veel aan. Alle leden van de gemeenschap zijn heilig (ki kol ha-eda koelam kedoshim), en de Eeuwige is in hun midden. Waarom voelt u zich dan boven de gemeenschap van de Eeuwige verheven?' Korach lijkt op te komen voor de gelijkwaardigheid van iedereen, iedereen is heilig, de een is niet heiliger of hoger dan de ander. Eerdere uitspraken van Mozes zelf (uit Exodus en Leviticus) lijken steun te geven. ' Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk ”. en ‘Zeg tegen de gemeenschap van Israël: “Wees heilig, want Ik, de Ene, jullie God, ben heilig'. Maar heiligheid niet een cadeautje is, dat de Israëlieten per definitie is gegeven. Het is een veeleisende weg is die is te gaan; een opdracht, waartoe de Tora richtlijnen geeft. Ook Mozes is niet heilig. De heiligheidsredenering van Korach is een façade. Er is sprake van een oneigenlijk argument, waarachter materiële belangen van macht, status en prestige schuilgaan. Het schijnbaar theologische argument dekt een heel persoonlijke agenda van Korach. Verdere verzen (16:8 ev) en diverse midrasjiem wijzen op gevoelens van miskendheid bij Korach en op zijn politieke ambitie om zelf het hogepriesterschap van Aharon te bekleden. Hij beroept zich op aanspraken op grond van zijn afkomst. Korach vertegenwoordigt wat in veel psychologie het ‘ego' wordt genoemd. Korach acteert ' le-atsmo' , voor zichzelf. Discussies le-atsmo dekken altijd persoonlijke of groepsbelangen.

Datan en Aviram, de twee Rubenieten, hebben een heel andere agenda. Ze vallen rechtstreeks het leiderschap van Mozes aan. Hij heeft als leider gefaald. Het volk is misleid. Mozes heeft het willens en wetens weggevoerd uit Egypte - dat zij nota bene een land van melk en honing noemen – naar de ondergang in de woestijn. De midrasj schrijft hen als Rubenieten een oude wrok toe; als afstammelingen van de eerstgeboren zoon van Jacob, Ruben, komt hen het leiderschap over het volk toe met alle rechten en plichten van dien. Mozes heeft hen die grotendeels ontnomen door de levieten hun plaats te laten innemen 2. Ook achter hun politieke aanklacht schuilt een egocentrisch motief, het is le-atsmo.

Twee soorten leiderschap

Het leiderschap van Mozes is juist ontdaan van ieder eigenbelang, Het houdt zich niet bezig met macht, materieel eigenbelang, status, prestige. Mozesis van dat alles als het ware ontledigt om ruimte te hebben om te horen wat de situatie werkelijk van hem vraagt om te doen; hij acteert ‘le-sjem sjamajim'.

In de parasja krijgt het leiderschap van Mosjee en Aharon de zegen. Met de aanhangers van de beweging van Korach werden korte metten gemaakt. Ze stortten in de afgrond of werden met vuur verteerd, tot ontsteltenis van de rest van het toekijkende volk. In onze westerse maatschappij van de laatste 75 jaar zijn dat wel erg rücksichtsloze maatregelen, die we absoluut afwijzen, maar misschien heimelijk aan onze vijanden toewensen.

De rebellie van Korach vond plaats in een de halfnomadische situatie van lang geleden, maar het patroon  lijkt duidelijk te herkennen in de soms radicale, soms subtiele vormen in de huidige complexe wereld. Korach vertegenwoordigt het leiderschap zoals dat in vele lagen voorkomt: gedreven door vaak agressieve ambitie, nauwverholen eigenbelang of geborneerd groepsbelang. Het type van de gemiddelde CEO. Het lijkt er wel op of het type leiderschap à la Korach – le-atsmo - in deze wereld onvermijdelijk is om de zaak draaiende te houden. Leiders zonder enig - of vooruit, minimaal - eigenbelang, de wereld heeft ze broodnodig. Zijn er leiders  le-sjem sjamajiem denkbaar ? 3

De zonen van de rebel Korach werden gespaard (Bemidbar 26:11). In de tijd van koning David vormden hun nazaten een koor van tempelzangers, Ze componeerden elf beroemde psalmen. Waarmee ze aantonen hoe het mogelijk is onze agressieve aandrang te transformeren en te sublimeren tot iets moois. Sjabbat sjalom!

noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Naso zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2. Zie ook een eerder commentaar op parasjat Bemidbar , waarin ik op het fenomeen van de oudste zonen inga.

3. Dit commentaar maakt gebruik van een eerdere commentaren van mij op deze parasja en een aantal andere commentaren, w.o. dat van Rabbijn Jonathan Sachs.

RC juni 2021

Parasjat Sjelach Lecha     Bemidbar/Numeri 13:1-15:41

Fake news

Na twee jaren zwerftocht door de woestijn zijn de Israëlieten aangeland bij de grenzen van het beloofde land. Mozes zendt twaalf verkenners uit om een indruk van het land te krijgen. Hun verslag valt niet goed en een rebellie breekt ui. Nog net kon Mozes verhinderen dat de Israëlieten door de Eeuwige definitief werden afgeschreven. Een onbezonnen aangegane veldslag tegen de Amalekieten werd verloren. Dit alles leidden tot het achtendertigjarig uitstel van de entree in het beloofde land.

Van Hogerhand of eigen initiatief?

 ‘Sjelach Lecha' krijgt hij van Hogerhand te horen, vaak letterlijk vertaald met ‘zend voor jezelf' (Dasberg, vertaling Chabad.org). Dat ‘voor jezelf' duidt erop, dat het geen oorspronkelijk idee van de Allerhoogste is om te verkennen, maar meer een hemels fiat achteraf van een menselijk verlangen, aldus de middeleeuwse commentator Rasji. De versie van het verhaal in Devariem/Deuteronomium 1:22, als Mozes terugblikt op deze gebeurtenis, bevestigt dat: het is een idee, dat de mannen uit het volk aan Mozes hebben opgedrongen. De leidsman gaf toe en wees twaalf vooraanstaande mannen aan, één uit iedere stam.

Drie fasen

Drie fasen zijn te onderscheiden in de gebeurtenissen die volgen. De eerste fase is de opdracht van Mozes: rapporteer hoeveel mensen er wonen, zijn ze sterk of zwak, is het land goed of slecht, wonen de mensen in open dorpen of in versterkte steden, is de grond vet of arm, zijn er bomen, neem wat vruchten van het land mee. Wees moedig. Een duidelijk omschreven instructie. Het gezantschap vertrekt en reist van zuid tot noord veertig dagen rond.
In de tweede fase geven de teruggekomen twaalf mannen een zakelijk verslag van wat ze hebben aangetroffen. Het land vloeit over van melk en honing, zie de meegebrachte vruchten. De steden zijn versterkt en groot. De bevolking maakt een krachtige indruk en een overzicht van de etnische groeperingen wordt gegeven. Het is duidelijk, dat een lastige onderneming voor de deur staat.
Een logische stap zou nu zijn om een strategie te bepalen; bijvoorbeeld het ontwikkelen van een tactiek van de militaire underdog; of enig uitstel gebruiken voor het opschalen van de krijgskunst. Maar dat gebeurt niet, want in het schijnbaar objectieve verslag is toch een adder verborgen. Dat zit hem in het woordje èfès-ki, dat in vers 28 ‘echter' betekent (in modern Ivrit betekent èfès ook nul): ‘Het volk echter … is sterk etc'. (2) Dat zet een sombere toon en de omstanders voelen dit haarfijn aan. Er ontstaat grote onrust. Kalev spreekt de gemeente kalmerend toe; hij en Jozua (Jehosjoea) geloven er nog heilig in, maar in de menigte zakt de moed in de sandalen. De andere tien mannen van het gezantschap bekennen nu openlijk: we redden het niet, de volken in het beloofde land zijn sterker dan wij. Er zou nu nog een beraad tussen de partijen kunnen volgen over pro's en contra's, een heftig maar realistisch debat, maar zover komt het niet.

Fake news

Er breekt een derde fase aan, waarin emoties van angst en woede het heldere zicht gaan verduisteren. De tien mannen gaan de tenten van het kamp rond en verspreiden laster en kletspraat. Ze stoken het vuurtje op. Rijzige bewoners van Kenaän worden reuzen, het land is opeens een land dat zijn bewoners opeet en de Israëlieten zijn machteloos als sprinkhanen (13:32). We zouden tegenwoordig spreken van desinformatie of fake news (hoewel die term vaak ook door de leugenaars wordt gebruikt om gestaafde feiten te diskwalificeren). De harde feiten worden verdraaid, opgeblazen, uit hun verband gerukt, vervormd. Angst maakt alles buiten ons groter en binnen ons kleiner. De angst heeft de mensen te pakken en ze besmetten elkaar als met een virus.

Strijd om de ware feiten

We zien hier een proces zich afspelen, dat door vele psychologen en sociologen is beschreven (3). Het is een bekend verschijnsel: de massa is suggestibel. Bewuste desinformatie, misleidende leuzen, complottheorieën en leugens vinden bij vele mensen met een reden tot onvrede een welkome voedingsbodem. (4) Hoe vaak heeft dat niet geleid tot opgewonden menigten, waarin opportunisten een kans op een greep naar de macht ruiken; op langere duur dreigen ook de meer verstandigen hun kritische vermogens te verliezen. Sinds kort (historisch gezien) is daar een nieuw speelveld bijgekomen: het internet, waar de strijd om de ware feiten zich adembenemend afspeelt. Als we niet oppassen gaan we die strijd verliezen.

Noten
(1) Rasji ad loc.
(2) Nechama Leibowitz, Studies in Bamidbar , p. 139
(3) Bijv. Sigmund Freud, Massenpsychologie; Ortega Y Gasset, Opstand der Horden; Elias Canetti, Massa en Macht.
(4) Een recent voorbeeld in de VS is ‘the big lie’, dat Trump door fraude de verkiezingen heeft verloren. Het is verbijsterend hoe deze leugen post heeft gevat in grote delen van de bevolking en hoe deze ook in de Republikeinse volksvertegenwoordigers wordt geloofd of althans niet wordt tegengesproken, een reëel gevaar voor de democratie aldaar.

 

Behaälotcha  Bemidbar/Numeri 8:1 – 12:16

De lichten van de Menora

De parasja Behaälotcha 1 begint met het bevel aan Aharon de hogepriester om ‘de lampen aan te steken, de zeven lampen moeten licht verspreiden in de richting van de voorzijde van de kandelaar’. Die kandelaar is beter bekend als de menora. Aldus doet Aharon en dan volgt nog een korte beschrijving van hoe de menora is gemaakt, ‘van top tot teen’ gedreven uit één stuk van puur goud.

Een krachtig design

Waar hebben we dat eerder gelezen? In Exodus (25:31); daar staat, dat Mozes de opdracht krijgt een lampenstandaard te doen maken, een lampenstandaard van zuiver goud volgens een design door de Eeuwige hoogstpersoonlijk aan Mozes doorgegeven. De voet, de schacht, de kelken, knoppen en bloemen moesten uit één stuk goud worden gedreven. De schacht moest zes zijarmen hebben: drie aan de ene kant en drie aan de andere kant, versierd met amandelbloesem, op elk van de zes armen en de schacht een aantal kelken en knoppen en bloemblaadjes. Zeven lampen moesten worden gemaakt om op de armen te zetten, de snuiters en bakjes moesten ook van zuiver goud zijn.
De vorm is prachtig. De lijnvoering van de stam en zijn armen is krachtig en bevredigt ergens diep het gevoel van harmonie. De uitwaaiering vanuit één fundament naar zeven eindpunten, die met licht bekroond worden, resoneert met een archetypisch beeld van groei en bloei naar het licht. De mansgrote Menora van de tabernakel en later van de tempel riep en roept nog steeds associaties, mijmeringen en overdenkingen op.

 Een allegorie van ontplooiing

 

Als we de zin in het tweede vers in het Hebreeuws bekijken en letterlijk vertalen dan staat er: ‘bij het omhoog brengen van de lichten, laat de zeven lichten schijnen naar tegenover (el moel ha-penee) de voorkant van de menora’. De bedoeling van dat el moel ha-penee is niet helemaal duidelijk maar meerderheid van de rabbijnse uitleggers zoals Rasji menen dat de zes lichten (dwz de lonten in de oliebakjes) aan weerszijden van het centrale licht op de stam van de menora naar dit middelste licht gericht zijn en het als het ware assisteren in zijn schijnen. De vorm van de menora kan doen denken aan een gestalte, een boom, stevig geworteld in de grond, de takken bekroond met bloesem strevend naar de hemel, of aan de mens die floreert op de lange weg van optimale ontplooiing tussen aarde en hemel, tussen tijd en oneindigheid.2

 

 Vonken van licht bevrijden

 

In de kabbalistische allegorische visie op de menora van de rabbi Levi Yitzchok van Berditchev (1740-1810) 3 legt deze mysticus eerst uit hoe de vonken van Gods liefde als het ware verzonken, ingekapseld, verborgen zijn in de materiele fenomenen van de wereld en hoe het de opdracht is van de mens door een heilzame levenswijze hen te bevrijden uit hun stoffelijke inkapseling (klipot), de vonken weer terug te brengen naar hun oorsprong. In alle materiele fenomenen zit een goddelijke vonk of wel een verborgen essentie verborgen, geen enkel fenomeen kan  los van deze goddelijke oorsprong bestaan hoe ragdun of ogenschijnlijk afwezig dit verband ook lijkt. De meest hoge vorm van liefde is het ontdekken van die vonk van licht in ieder verschijnsel, geen enkel uitgesloten of het nu een aantrekkelijke of weerzinwekkende manifestatie is.  Dat is het levenswerk van de (vrome) mens. Wie zoals Aharon de zeven lichten van de menora ‘doet omhooggaan’ (haälot) doet allegorisch gezien een handeling, die helpt om de vonken uit hun gevangenschap te bevrijden en het spirituele licht – de liefde - in de materiele wereld tot aanschijn te brengen.4 De zeven armen van de kandelaar met hun lichten symboliseren dan de zeven deugden die de mens daarbij helpen. Rabbi Nachman van Bratslav (plm 1800) somt ze op als een bondig programma voor een Moesar leergang: jezelf onthouden van eerbewijzen, boosheid, ongeduld en arrogantie, het hooghouden van waarheid tegenover de leugen; ver blijven van somberheid en nietsdoen; ver blijven van schade toebrengen door het gesproken woord via laster en roddel en van het bezoedelen van het zien en andere zintuigen; het heiligen van de ogen, neus, oren en mond. Er valt nog veel te doen om een menora te belichamen.

 

 Menora zijn

 

Een meer fysieke allegorie geeft ons Rabbi Isaiah HaLevi Horovitz (1555-1630, de Shelah) 6. Hij vergelijkt de vorm van manshoge menora met haar drie armen aan weerszijden van de schacht met de vorm van het menselijk lichaam, dat aan iedere kant van zijn romp drie uitsteeksels heeft, oren (de korte armen), armen (de iets langere middelste armen) en benen (de langste buitenste armen). Centraal is de romp die het hart bevat (en het hoofd zou ik zeggen). Waar zit het licht dan? Daarvoor kijken we naar Spreuken 20:27: de ziel van de mens is de lamp van Hashem (neer Hashem nisjmat adam).
Dat brengt mij tot een uitnodiging om mee te doen met de hieruit te destilleren ‘menora-meditatie’.  Kies een rustige plek in je huis of in de natuur. Ga stevig staan met beide voeten iets uit elkaar. Laat je adem rustig gaan, 1 … 2 … 3… etc. Maak dan een beeld dat je lichaam een schacht is, de schacht van de menora. Spreid dan je armen in een zijdelingse boog en laat je handen iets in de richting van je hoofd hangen, zodat drie vingers (duim, wijsvinger, middelvinger) naar een plek iets boven je hoofd wijzen. Maak dan het beeld dat diep uit de aarde een sterke lichtbundel omhoogkomt die via je benen, je geslacht, je hart door je hoofd en armen samenkomt in een helder licht boven je hoofd. Blijf een tijd zo staan en ervaar hoe het voelt. Sjabbat sjalom

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Naso zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2. R. Samson Raphael Hirsch werkt dit beeld verder uit in zijn Toracommentaar ad loc

3. In zijn commentaar op de Tora ‘Kedushat Levi’ ad loc zie op Sefaria org

4. De esoterische vonkenleer is de basis geworden voor het leerstuk van Tikoen Olam (herstel van de wereld) vooral in liberaaljoodse kringen

5. in Likutei Moharan 13

6. In zijn Toracommentaar Shney Luchot Habrit

RC mei 2021

 

 

Parasjat Naso   Bamidbar/Numeri 4:21–7:89 

Sjalom

De eerste drie parsjiot in Bemidbar behandelen alle toebereidselen die moeten gebeuren om na twee jaar bivakkeren in de nabijheid van de berg Sinaj de grote trek door de woestijn naar de grenzen van het beloofde land te hervatten. Er moest veel geregeld en geordend worden: de weerbare mannen geteld, het kampement goed ingedeeld waarbij iedere stam kreeg zijn plek rond de tabernakel kreeg, de taken moesten goed georganiseerd voor de hogepriester en de levieten.

Ieder zijn taak, ieder zijn plek

Gezien het komend vertrek moest het inpakken van de tabernakel en het vervoer tijdens de reis goed geregeld zijn; ieder van de drie huizen van de levieten kreeg zijn eigen taak daarin zodat ieder wist waar hij aan toe is. De parasja Naso 1 gaat daarmee voort en voegt nog een aantal speciale bepalingen daaraan toe; de lepralijders moeten buiten het kamp blijven, vergoeding na daden van beroving wordt geregeld, het godsoordeel over de vrouw in geval van een jaloerse echt genoot en de mogelijkheid voor eenieder die een speciaal gewijd leven wil lijden door de nazireeër gelofte af te leggen. Al deze bepalingen en verordeningen leggen de grondslag voor een harmonisch samenleven, waarin ieder onderdeel zijn gewaardeerde plaats heeft en afgunst wordt voorkomen, zodat er vrede ‘sjalom’ kan heersen 2. Niet voor niets staat aan het eind van deze verordeningen de priesterzegen die afsluit met de bede dat ‘de Eeuwige vrede mag geven’ en vrede ‘gaat boven alles’, zoals de Oude Wijzen zeggen 3. De parasja Naso besluit met vele lange bladzijde met de opsomming van de offers die de leiders van de twaalf stammen brengen bij de inwijding van de tabernakel, het is een bonte stoet van offerdieren en blinkende zilveren en gouden voorwerpen voor de tabernakel die iedere stam aanbiedt, twaalf keer wordt praktisch dezelfde opsomming in detail herhaald, waarom dat niet efficiënter in een keer afgehandeld? Om dat ieder stamhoofd en iedere stam als gelijkwaardig erkenning krijgt en zo de onderlinge vrede bewaard blijft. Er was toen even een grote harmonie.

Als we het zo bekijken dan zien we dat eigenlijk het principe van ordening de hele Tora doordesemt. Het begint al in Genesis, waarin de schepping eigenlijk niets anders is dan ordening uit chaos. En als die voltooid is zag ‘God dat alles wat hij gemaakt had heel goed was’ (Gen 1:31). Wanneer alles goed geordend is en ieder onderdeel op zijn plaats is en in goede verhouding tot elkaar is er vrede. Als er harmonie is kan de schepping van start gaan, kan de geschiedenis van de mensen beginnen, kunnen de Israëlieten verder trekken van de Sinai naar het beloofde land. Telkens wanneer een rustpunt van harmonie is bereikt, wanneer er sjalom is, is de balans delicaat en er is niet veel nodig om die naar chaos te laten doorslaan. De geschiedenis van Israël die we in Tanach lezen is een voortdurende terugval van vrede naar strijd en tenslotte ballingschap.

Een delicate balans

Als er geen vrede is zijn de dingen niet goed op hun plaats, zijn er onderdelen die niet goed geordend zijn, zijn er aspecten die geen erkenning krijgen, die niet goed met elkaar in verbinding staan. Dat geldt in ons persoonlijk leven en dan komt er een crisis, een burn-out of zelfs een ziekte. Het geldt ook voor een land en dan ontstaat er onrust en komen er gewelddadige protesten, waar dubieuze leiders graag gebruik van maken en burgeroorlog ligt dan op de loer. Het geldt zelfs ook voor werelddelen, waar vaak het evenwicht tussen landen en volken fragiel is. Het Europa van de eerste helft van de twintigste eeuw beleefde de heftige gruwelen van een door fascisme verstoorde balans en de met hoge prijs betaalde correctie naar een nieuw evenwicht van vrede die nu kleine tachtig jaar duurt. Vele leden van mijn Joodse familie hebben dat niet mogen meemaken. Ik mocht nog de ontberingen meemaken in Japanse kampen maar ook het herstel en de opbouw van een Nederland, waar een zekere ordening is bereikt, die altijd toch weer voorlopig is en kwetsbaar.
De pijlers van sjalom zijn rechtvaardigheid – het erkennen van het recht op bestaan van de ander – en compassie – het begrip voor de pijn van de ander 4.Terecht eisen steeds meer lang onderdrukte en genegeerde groepen erkenning en gelijkwaardigheid op, die tot nu in de geschiedenis van het Westen niet is gegeven. Een herschikking van de wereldorde is onvermijdelijk en we mogen bidden dat die met enige geleidelijkheid en zonder grote en gewelddadige ellende gaat plaatsvinden, op weg naar een nieuw plateau van durende vrede, sjalom.

Een gekweld gebied

Dit commentaar is geen politieke column, maar laat ik dit zeggen over het Midden-Oosten. We zien we daar de complexiteit en de pijn van het proces van ordening en onderlinge erkenning, het proces, waarin zowel de Joden als de Palestijnse Arabieren terecht een plek onder de zon van het voormalige Palestina opeisen. Hoe verdrietig is het dat burgers van Israël het slachtoffer worden van een wilde stormloop van raketten uit Gaza, dat burgers van Gaza en helaas zoveel kinderen slachtoffer worden van met beweerde maar onmogelijk waar te maken precisie uitgevoerde Israëlische vergeldingsbombardementen. De Palestijnse Arabieren zullen moeten accepteren dat er een natie Israël in hun midden is die recht heeft op een veilig bestaan; nu blijven ze volharden in haat en hun leiders maken gebruik van de verbittering om aan de macht te komen of te blijven. De Joden zullen de Palestijnse Arabieren als gelijkwaardige rechthebbenden op een waardig leven moeten erkennen en moeten ophouden met het beperken van het Arabisch levensgebied; niet langer moeten ze toegeven aan nationalistische aspiraties van sommige extreme groepen. Dan is er misschien kans dat er ooit sjalom op dit gekwelde gebied kan neerdalen.

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Naso zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2. Voor deze passages heb ik me laten inspireren door rabbijn Jonathan Sacks in zijn commentaar op Naso van 5777

3. Sifra Bechukotai, Chapter 1 8

4. Vgl het leiderschap van Israel in de woestijn: Mozes wordt geassocieerd met rechtvaardigheid, Aharon met compassie en vrede; beiden kunnen niet zonder elkaar

RC mei 2021 

parasjat Bamidbar      Bamidbar/Numeri 1:1-4:20 


Geteld worden

Het bijbelboek Bamidbar ‘in de woestijn' - in de latijnse benaming Numeri - begint met de gelijknamige parasja Bamidbar. Die latijnse benaming Numeri – ‘getallen’ -  wordt meteen duidelijk: het boek begint met het gebod aan Mosjee een volkstelling uit te voeren. Hoe die volkstelling moet plaats vinden wordt uitgebreid beschreven. Ieder stamhoofd of vorst, bij name genoemd, moet de leden van zijn stam tellen, hij geeft dan door aan Mosjé hoeveel mannen van boven de twintig er in zijn stam zijn.

Hef het hoofd

De middeleeuwse bijbelcommentator Rasji ziet deze telling als een uiting van de liefde voor de Eeuwige voor het volk Israëls. Tellen als een uiting van liefde is wel een heel antropomorf beeld van de divine genegenheid. Het doet mij een beetje denken aan toen ik als jongen trots mijn verzameling kleurige stuiters telde. Letterlijk staat er in Bamidbar 1:2 niet: ‘tel de mannen van de gemeenschap’, maar ‘hef het hoofd (het totaal aantal) van heel de gemeenschap’ – se’oe et-rosj kol edat benee Jisrael’- . Een rabbijnse uitleg behelst, dat het hier niet om een anoniem inventariseren van een massa gaat, maar dat vooral de uniciteit van ieder individu en zijn onmisbaarheid wordt benadrukt. De Isbitzer rebbe (19e eeuw) drukt dit zo uit: ‘Dit is de betekenis van “het aantal van de kinderen Israëls”: dat ieder absoluut nodig is. De grootheid van de Ene, gezegend zij Hij, wordt gezien in de hele gemeenschap van Israël en als er ook maar één lid van die gemeenschap mist dan mankeert er iets aan de compositie. Het is alsof het beeld van de koning is samengesteld uit een mozaïek van vele deeltjes en als er ook maar één deeltje zou ontbreken, dan klopt het beeld van de koning niet”. (1) Het wordt nog verder geaccentueerd door de woorden ‘Tel hen hoofdelijk en schrijf hen met naam en toenaam in, geordend naar geslacht en familie’.
Wel tekenen we aan, dat het hier gaat om het tellen van de weerbare mannen boven de twintig. Het doel is mede het inventariseren vanuit een militair oogpunt. Vrouwen en kinderen blijven buiten spel, maar we mogen de spirituele betekenis van de uitleg van de Isbitzer rebbe met zijn mozaïek toch ook naar de vrouwen en kinderen van het volk van Israël, ja van iedere gemeenschap, extrapoleren.

De halve sjekel

Hoe voltrok zich, dat tellen? Behalve de registratie van de namen gebeurde dat door het inleveren van een halve sjekel per man. Aldus heeft de Tora dit in Sjemot 30:12 al voorgeschreven: ‘Als je onder de Israëlieten een telling houdt, moeten allen die geregistreerd worden de Eeuwige losgeld betalen voor hun leven, om te voorkomen dat de telling hun noodlottig wordt’, ‘een halve ​sjekel​, volgens het ​ijkgewicht van het ​heiligdom’.
Die halve sjekel had een praktisch nut, zoals Rasji opmerkt – door de sjekels te tellen kwam je tot het juiste aantal. Bovendien werden met die vele sjekaliem ook nuttige dingen gedaan: ‘voor de dienst in de ​ontmoetingstent’ (…)’zodat de Eeuwige hen niet vergeet’ (Sjemot 30:16). Sjemot38:25 veronderstelt, dat er al vóór de inwijding van de tabernakel (misjkan) een volkstelling is gehouden door inzameling van de halve sjekel: ‘Het zilver dat de geregistreerde Israëlieten hadden afgedragen, bedroeg honderd talent en zeventienhonderdvijfenzeventig ​sjekel, volgens het ​ijkgewicht van het ​heiligdom:26één beka per persoon, dat is een halve ​sjekel​ volgens het ​ijkgewicht van het ​heiligdom, van alle geregistreerde personen van twintig jaar en ouder, zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig man.’ Met honderd talenten hiervan werden de voetstukken van de tabernakel gegoten. Een mooie symboliek, want iedere ziel – of hij nu huist in een rijke of een arme - is evenveel waard en juist die bijdragen vormen het fundament van het heiligdom en daarmee ook van de natie.

Tellen en registreren

Maar de betaling van die halve sjekel diende ook een ander doel, zoals we in Sjemot lezen. Het was ook ‘een losgeld voor hun leven, om te voorkomen dat de telling hun noodlottig wordt’. Door de telling kon je blootgesteld worden aan het ‘kwade oog’ (ajin hara)’- verklaart Rasji – ‘wat ziekte tot gevolg kon hebben. Misschien kan je het bijgeloof noemen, maar er zit toch een kiem in van begrijpelijke menselijke angst. We moeten ons voorstellen, dat het geteld worden is ervaren als opeens in de schijnwerper staan, zodat je als mens in al je tekortkoming zichtbaar werd voor de godheid; een zoengeld a priori zou preventief tegen eventuele kwade gevolgen werken. De angst om geteld te worden en zichtbaar te zijn voor de overheid of andere machthebbers is misschien een seculier-psychologisch residu van dit oude taboe. Waar de volkstelling natuurlijk praktische doeleinden heeft als inventarisatie van militaire weerbaarheid en efficiënte belastingheffing ligt de mogelijkheid van misbruik niet ver weg. Ook hebben we onze grenzen in hoeverre we willen dat ons leven publiek zichtbaar is en onze eigenaardigheden geregistreerd. Die discussie is een immer doorgaand proces, nu ook weer actueel ivm het vaccinatiepaspoort.

Ik herinner mij nog de heftige protestacties tegen de veertiende Algemene Volkstelling in 1971, waarbij de naweeën van de Tweede Wereldoorlog nog een rol speelden. Een interessant artikel in het Historisch Nieuwsblad (2) vermeldt, hoe ‘levensgevaarlijk’ de journalist Martin Van Amerongen (in 1970) vooral de gegarandeerde, 'absolute waterdichtheid' vond van het systeem van gegevensverwerking, 'gezien onze recente ervaringen met de - dankzij het goed geoliede mechaniek van onze bevolkingsadministratie foutloos uitgevoerde - arbeidsinzet en de vakbekwame oplossing van het joodse vraagstuk'. De volkstelling werd een halve mislukking maar leidde wel op termijn tot de eerste privacywetgeving, die steeds overigens weer vraagt om aanpassing aan nieuwe technische ontwikkelingen, die social media bedrijven graag gebruiken om begerig te grijpen naar de data rond onze persoon.
Het maakt heel veel uit of je geteld en geregistreerd wordt door rechtvaardige en eerlijke bestuurders, door winstbeluste commerciële giganten of door de beul.  

noten

(1) Living Waters, The Mei HaShiloach, a Commentary on the Torah by Rabbi Menachem Yosef of Isbitza, p. 268, mijn vertaling uit het Engels

(2) Maurice Blessing: Het verzet tegen de Volkstelling van 1971, Historisch Nieuwsblad 8/2005
https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/6697/het-verzet-tegen-de-volkstelling-van-1971.html

 

Behar-Bechoekotai   Wajikra/Leviticus 25:1-27:34

Een heftige waarschuwing

De parasja Bechoekotai 1 is de laatste parasja van het boek Leviticus / Wajikra. Het is het forse slotakkoord van dit boek met zijn vele mitswot, waaronder belangrijke ethische regels, zoals voorschriften om voor de armen, de weduwen en de wezen te zorgen, de vreemde ander niet te onderdrukken, arbeiders tijdig hun loon te betalen, niet te doen aan omkoping en corruptie, partijdigheid te betrachten in de rechtspraak, geen wrok te koesteren, je naaste te confronteren wanneer hij in de fout gaat, en hem of haar lief te hebben als jezelf. Elementen voor een moreel ontwikkelde samenleving. Allerlei hier in de parasja Bechoekotai genoemde positieve effecten op het welzijn van de samenleving zal de Eeuwige teweegbrengen als dat alles ook wordt opgevolgd, dwz ‘als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen’. Maarals jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen’ dan zal de Eeuwige vele rampen op het volk afsturen.

Een heftige waarschuwing

Het hieruit afgeleid paradigma van (Gods) beloning voor goed gedrag en straf voor slecht gedrag is door vele denkers, theologen en wetenschappers verlaten. Een subtielere benadering van Gods werking in de gang van de natuur en in de wegen der mensheid doen deze woorden meer recht. Het idee van God als de schenker van regen, vruchtbaarheid en welvaart en de bezorger van ziekte, dood en verderf hebben we losgelaten. We ontkomen er niet aan onze eigen verantwoordelijkheid onder ogen te zien. Wel is ons geschonken het intelligent vermogen het verband te zien tussen verwaarlozing in de gemeenschap van de regels van gerechtigheid en de schending van principes van solidariteit en compassie enerzijds en anderzijds de rampzalige ontwikkelingen, waarvan in deze parasja zulke plastische voorbeelden worden beschreven.

De passages lopen op in een crescendo waarin toenemende hardnekkige ongehoorzaamheid aan de geboden van de Eeuwige parallel oploopt met toenemende ellende en niet de minste ellende is de verdrijving van het joodse volk in vreemde landen en hun vernedering aldaar. Het valt op met hoe vaardige pen de rampen zijn geschreven. De opsomming van catastrofes– die wel de Tochacha, de berisping wordt genoemd 2 – is ongetwijfeld de neerslag van een lange reeks bittere ervaringen in het verleden. Een vastbesloten wil om de mensen met huiveringwekkende voorstellingen af te schrikken van mogelijke dwaalwegen heeft de redacteur van deze passages gebracht tot het uiterste van zijn literaire kunnen. Hoever moet het gekomen, dat mensen het vlees van hun zonen en dochters eten (35:29). Alles bij elkaar een heftige waarschuwing die zich richt tot het volk van Israël, maar die eigenlijk geldt voor ieder volk of natie.

Slechtheid en goedheid

In de afgelopen week van de 4 mei herdenking kon ik aan het verontrustend en smartelijk besef niet ontkomen over hoe vaak de beschreven afschuwelijkheden inderdaad hebben plaatsgevonden of zelfs nog zijn overtroffen, nog niet lang geleden, pas een kleine tachtig jaar terug, en niet in de laatste plaats zijn ondervonden door de Joden, waaronder vele leden van mijn joodse familie, maar ook door Roma, Sinti, homo’s, gehandicapten en zovele anderen. Het voorspiegelen van mogelijke rampen of catastrofes doorbreekt niet of te laat de onverschilligheid van de massa voor het geleidelijk verval van de normen en waarden van integriteit, rechtvaardigheid en compassie, zoals profeten al vroeger en moderne visionairen nu hebben ervaren, de gevaarlijke onverschilligheid die de voedingsbodem kan worden voor grootschalige misdaden tegen bevolkingsgroepen of zelfs tot oorlog.

Effectiever dan schrikbeelden om ons alert te houden lijken persoonlijke verslagen en getuigenissen van levende mensen die beproevingen aan den lijve hebben meegemaakt die ook deze dagen weer in druk en beeld verschijnen. Dat helpt om je los te maken van de waarneming van de ander als object of als instrumenteel voor het eigen belang, als hinderpaal voor het eigen welzijn of als bliksemafleider van de eigen onlust maar als rechthebbend op zijn of haar eigen ruimte van waardigheid als uniek persoon. Dat betekent hard werken aan de basis, in eigen kring, om ons te bevrijden uit het web van stereotypen, ideologieën en identiteiten, waarin we gevangen zitten en vanwaaruit we onze medemens benaderen.  Of zoals de Frans-Joodse filosoof Emmanul Levinas het uitdrukt: Het beroep dat mijn medemens op mij doet spreekt tot mij als een inbreuk op mijn natuurlijke neiging om alles om mij heen uitsluitend te zien, te duiden en te organiseren in het licht van mijn eigen lust of belang. De potentiële goedheid, die in de mens geraakt wordt door de unieke ander (door het gelaat van de ander zoals Levinas zegt) is eerder de weg naar het goddelijke dan het omgekeerde: dat de mens tot het goede komt, uitgaande van een God 3.

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Behar-Bechoekotai zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 
2. Deze Tochaha in Bechoekotai is uitgesproken bij de berg Sinai. Een kleine veertig jaar later wordt in Deuteronomium/Devariem, in de parasja Ki Tavo, een tweede Tochacha uitgesproken door Mozes/Mosjee, die twee keer zo lag is en extremer dan de eerste Tochacha, die aan de Eeuwige is toegeschreven. Was Mosjee als ik het zo mag zeggen ‘Roomser dan de paus’?
3. Levinas in een beluisterenswaardige interview op Youtube

Parasja Emor       Wajikra/Leviticus 21:1-24:3

Brood, ongedesemd en gedesemd

In de parasja Emor 1 vinden we een aantal voorschriften en bepalingen over priesters en de offergaven. Ook de hoogtijdagen passeren de revue, de sjabbat, Pesach, Sjawoeot, Rosj Hasjana, Jom Kipoer en Soekot. Tenslotte volgen bepalingen over de twaalf toonbroden en wordt nog eens teruggekomen op het ‘oog voor oog, tand voor tand etc.', de lex talionis, waarover we eerder in het commentaar op de parasja Misjpatiem hebben gesproken.

De feesten

De tekst maakt een zeer oude indruk, want de drie pelgrimsfeesten, Pesach, Sjawoeot en Soekot worden hier vooral als oogstfeesten beschreven. De nu gebruikelijke namen worden daar niet gebruikt; wel wordt het Pesachoffer genoemd. Pesach wordt gevierd ten tijde van de gerstoogst en heet hier het feest van het ongezuurde brood.
Sjawoeot ofwel het Wekenfeest, was oorspronkelijk een offerplechtigheid ten tijde van de tarweoogst en heeft in deze parasja nog geen naam; elders in de Tora wordt het betiteld als het oogstfeest of het feest van de eerstelingen of inderdaad het wekenfeest.
Soekot, het loofhuttenfeest, heeft ook nog niet zijn huidige naam, al wordt wel het verblijf in tijdelijke hutten, soekot, verordend, die mogelijk afstammen van de provisorische hutten op de oogstvelden, waarin de boeren en hun knechten de nacht overbleven tijdens de late oogst. Ook was Soekot een smeekfeest voor voldoende regen.
Het is kenmerkend voor het jodendom, dat deze landbouweesten in de loop van de jaren zowel een geschiedenis- aspect kregen als ook een spirituele betekenis. Het oude herdersfeest in de lente werd vooral herdenking van de uittocht uit Egypte en meer allegorisch een beeld van uiterlijke en innerlijke vrijwording. Het late oogst- en regenfeest in de herfst moest daarnaast vooral gaan functioneren als herinnering aan de tocht door de woestijn en als verwijzing naar de afhankelijkheid van de mens van de natuur. Op het Wekenfeest, Sjawoeot dat binnenkort aanbreekt gaan we wat verder in.

Sjawoeot

In de parasja Emor wordt het meest van alle feestvermeldingen in de Tora in detail ingegaan op wat er op Sjawoeot precies aan offers moet worden gebracht als dank voor de nieuwe graanoogst. Opvallen vooral het aanbieden van twee broden. Het feest wordt in het geheel nog niet in verband gebracht met het geven van de Tora, waar nu het accent ligt. Het is nog niet chag matan Tora, het feest waarop gevierd wordt, dat de Tora op Sinai aan het volk werd geopenbaard.

Hoe komt het, dat – blijkbaar in latere tijd – dat verband werd gelegd?
Historisch bekeken, lijkt het aannemelijk, dat een proces van losmaking van de landbouw een rol speelt, een proces dat is begonnen, in ieder geval versneld, in de eerste eeuw van de gewone jaartelling, na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem. Het centrum van de offergaven was daarmee vervallen en sowieso woonde buiten het beloofde land al een behoorlijke diaspora, die alleen nog maar toenam. De tempel was er niet meer, maar de Tora kon niet vernietigd worden en reisde altijd mee. Dat riep om een nieuwe interpretatie van deze hoogtijdag.

Van matsot naar gerezen brood

De Rabbijnen begonnen eens te rekenen: als de uittocht uit Egypte begonnen was op 14 Niesan, in de lente, en je telt daarbij zeven weken op – dat tellen wordt zelfs uitdrukkelijk in de Tora genoemd. -, dan moet het volk na zeven weken reizen in de woestijn aangeland zijn bij de Sinai. Dan moet er toch een verband bestaan met wat er op de datum van het Wekenfeest, 6/7 Siewan, op de Sinai is gebeurd, de bekendmaking aan het volk van de Tien Geboden, waarna aan Mozes de vele voorschriften van de Tora werden onthuld. Een indicatie vinden de uitleggers op het rituele vlak. Op Pesach worden ongedesemde broden gegeten, de matses,‘matsot', niet gerezen broden; ze zijn als het ware nog maar half af. Op Sjawoeot worden twee gerezen broden aan de Eeuwige aangeboden, nu gebakken met zuurdesem (chameets), zoals uitdrukkelijk is voorgeschreven. De broden zijn nu ‘af'. Dat verwijst naar een verband, naar een ontwikkelingsrelatie tussen Pesach en Sjawoeot. Zoals de matsot nu hun voltooiing vinden in de gerezen broden op Sjawoeot, dat het hoogtepunt markeert van de oogst van het graan dat de basis is van het fysieke bestaan, zo is de uittocht uit Egypte waarmee de bevrijding is begonnen na zeven weken voltooid met de schenking van de Tora die de basis is voor het spirituele leven.

Vrijheid en bestemming

Als we deze relatie tussen Pesach en Sjawoeot nog wat verder trekken, dan kunnen we zien, hoe vrijheid een bestemming nodig heeft en een leidraad van gekozen begrenzing. De Israëlieten reisden uit de slavernij niet in de wilde weg de leegte van de woestijn in. Welbewust voerde Mosjee hen naar de Sinaj, naar de eerste bestemming, waar ze zouden kunnen horen hoe hun vrijheid een basis te geven in essentiële waarden en vorm te geven in leefregels om samen een goede samenleving te vormen. De tweede bestemming was het beloofde land, dat we nu wellicht mogen ‘ontgeografiseren' als een wereld van rechtvaardigheid en liefde, een messiaanse toekomst, die hoe schimmig ook toch ergens als een vonk van verlangen blijft gloeien.

Maar ook vrijheid, die we in ons eigen leven aan ons lot moeten ontworstelen heeft een bestemming nodig, en misschien is Sjawoeot een goede gelegenheid om nog eens goed te luisteren of onze vrijheid goed is ‘afgestemd'.

Noot

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Emor zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

RC herzien april 2021

 Acharee Mot-Kedosjiem             Wajikra/Leviticus 16:1–20:27

Jom Kipoer en verzoening

Deze week zijn de parasjot Acharee Mor en Kedosjiem samen aan de orde.1
We focussen op Acharee Mot. In hoofdatuk 16 wordt de Grote Verzoendag, Jom Kipoer, en de procedures beschreven, die de hogepriester, de Kohen Gadol, heeft te volgen om verzoening voor de gepleegde misstappen te bewerkstelligen. Dit hoofdstuk wordt gelezen in de ochtenddienst van Jom Kipoer.

U zult rein zijn

Er zijn drie fasen in het verzoeningsproces. Eerst maakt de Hogepriester verzoening voor zichzelf. Dan als gezuiverde voorganger doet hij een gelijksoortig ritueel voor het hele priesterhuis en als derde fase wordt de verzoening bewerkstelligd voor het hele volk. Daarbij worden twee bokken onderworpen aan het lot. Het ene lot treft de bok die wordt opgedragen aan de Eeuwige en geofferd, de ander wordt door de Hogepriester belast met de zonden van het volk en de woestijn ingejaagd.
In de moesaf (aanvullende) dienst op Jom Kipoer wordt de tempeldienst, zoals die is geparafraseerd uit het Talmoed traktaat Joma, dat gaat over Jom Kipoer, gelezen en als het ware meebeleefd 2. Daarin wordt de tekst van elk van de drie fasen afgesloten met de zin uit vers 16:30 die luidt in transscriptie uit het Hebreeuws: Ki bajom hazè jechaper aleichem letaher etchem mikol chetoteichem lifné Hashem titharoe, in de Herziene Statenvertaling: ‘Want op deze dag wordt voor u verzoening gedaan om u te reinigen. Van al uw zonden wordt u voor het aangezicht van de Eeuwige gereinigd’.In de vertaling van A.S. Onderwijzer, die meer letterlijk vertaalt: ‘Want op deze dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult u rein zijn vóór de Eeuwige.' Betekenen deze woorden nu dat de lei met al onze ongerechtigheden daarmee automatisch is schoongeveegd? De tweede zinsnede zegt immers in Onderwijzers vertaling: ‘van al uw zonden zult u rein zijn vóór de Eeuwige'.

Met wie is iets goed te maken?

In de Misjna – de schriftstelling van de mondelinge leer en de kern van de Talmoed - wordt zo niet geredeneerd. De woorden worden anders verdeeld over de twee zinsneden. De eerste zin wordt gelezen als ‘Want op deze dag zal men verzoening voor u doen, om u te reinigen van al uw zonden vóór de Eeuwige'. De tweede zinsnede bevat alleen het Hebreeuwse titharoe, ‘je zal rein zijn', in de zin van ‘jezelf rein hebben gemaakt'. Dat leidt tot de interpretatie van R. Eleazar ben Azariah 3voor overtredingen tussen de mens en de Alomaanwezige verschaft Jom Kipoer verzoening, maar voor overtredingen tussen de ene mens en de andere verschaft Jom Kipoer pas verzoening als hij het met zijn naaste heeft goedgemaakt. In zijn uitleg wordt ‘titharoe' op het eind van de tweede zin gelezen als werkwoordsvorm in aansporende zin: laat u zich zichzelf (eerst) reinigen! Het is dan geen follow up van de eerste zin, maar eerder een conditie voor de eerste zin: de Eeuwige zal pas verzoenen als u rein ben door u zelf gereinigd te hebben door wat door u misdaan is aan uw naasten met hen goed te maken. Dat is de mainstream opvatting geworden van de leer rond verzoening op Jom Kipoer. De maand Elloel vóór Rosj Hasjana en Jom Kipoer staat speciaal in het teken van het nog eens nagaan tegenover wie je voelt te zijn tekort gekomen en dan stappen te nemen om het weer goed te maken.

Is de Tora alleen voor de Joden?

Hoofdstuk 18 gaat over een aantal verboden seksuele handelingen 4. Kennelijk waren die wel gebruikelijk in Egypte en Kanaän, want het hoofdstuk begint alvorens die handelingen te benoemen met de uitdrukkelijke waarschuwing de gebruiken van die volken niet na te volgen, en dan volgen de woorden (18:5) Mijn verordeningen en Mijn bepalingen moet u in acht nemen. De mens die ze houdt, zal erdoor leven (we jaäse otam ha-adam wachaj bahem). Ik ben de Eeuwige’. Dat vers speelt een rol in een rabbijnse discussie 5 over voor wie de Tora is bedoeld. Is het alleen aan de Joden om zich met de Tora bezig te houden? Talmoedrabbi Jochanan vindt van wel want we spreken van de Tora als morasjat kehllat Jaäkov, erfdeel van de gemeenschap van Jacob. Rabbi Meïr is het niet eens met Jochanan. Een niet-Jood die zich bezighoudt met de Tora wordt hooggeacht als de hogepriester en hij leidt dit af uit de laatste regel van 18:5: ‘De mens – dus niet de Jood - die ze houdt, zal erdoor leven’.
En dat ‘erdoor leven’, wat is daarmee bedoeld? Die vraag laat ik graag aan de lezer om erover te denken en eventueel te onderzoeken wat daarover eerder aan gedachten is uitgewisseld.

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Acharee mot-Kedosjiem zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2. Machzor Jom Kipoer p. 404

3. In Misjna Joma 85b

4. Veel van die beschreven seksuele handelingen, zoals incest zijn in onze huidige samenleving nog steeds taboe. In 18:22 vinden we de beruchte bepaling: ‘Jullie mogen niet slapen met een man, zoals jullie met een vrouw slapen, dat is een gruwel’. Op een breed front is het inzicht gekomen, dat fundamentele humanitaire Joodse waarden impliceren dat homoseksuelen het recht hebben op expressie van hun verlangens op gelijkwaardige wijze als heteroseksuelen

5. De discussie vindt plaats in het tractaat Sanhedrin 59a:2

 

Parasjat Tazria-Metsora              Wajikra/Leviticus 12-14 en14-16)  

Een gevaarlijke aandoening

De parasja Tazria (“zij die zwanger wordt”) handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over procedures rond de huidziekte tsaraät, vermoedelijk een vorm van melaatsheid, soms vertaald als ‘huidvraat'. Het is aan de priester om te bepalen, wanneer daarvan sprake is; in het bevestigende geval is de lijder onrein en moet hij buiten het kampement verblijven totdat de priester concludeert, dat genezing heeft plaats gevonden. In de volgende parsje Metsora volgen vergelijkbare voorschriften voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsaraät en tenslotte zijn er de regels voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en de bijbehorende reinigingshandelingen.  
Hoe men met de moderne wetenschappelijke kennis van nu hierover moge denken, men kan de Israëlieten van toen een intuïtie voor het belang van hygiëne voor gezondheid en welzijn niet ontzeggen. Toch leggen de Oude Wijzen daar niet de nadruk op.

Lasjon hara

Ze zien tsaraät niet zozeer als een medisch-hygiënisch verschijnsel als wel als een fenomeen dat waarschuwt dat er iets in de levenswandel van de getroffene door deze ziekte niet in de haak is. Wat plechtiger gezegd is de huidaantasting een uiting van een ‘innerlijke spirituele verstoring in de relatie van de lijder aan tsaraät met zijn Schepper' 1 Met name wordt dan gedoeld op lasjon lara, letterlijk ‘kwade tong, kwade taal', verbale uitingen over andere mensen, die hun schade kunnen toebrengen, zoals laster, roddel, geruchten, achterklap, geklets, niet geverifieerde verhalen, verzinsels 2 3. We moeten tsaraät dan niet meer letterlijk opvatten als een lichamelijke ziekte, schimmel uitslag van kleden of ondermijning van muren maar als metafoor voor de gevolgen van lasjon hara; een ziekelijke aantasting van de ziel of als een levensgevaarlijke kwaal van de samenleving.  Dat is een boodschap, die voor onze moderne tijd nog niets aan actualiteit heeft verloren.

Inflatie

Roddel, laster, kwaadspraak en de verspreiding van leugens zijn fenomenen van alle tijden, maar de uitvinding van de drukpers heeft dat enorm aangewakkerd. Dertig jaar geleden heeft het internet zijn intrede gedaan. Dat betekent naast het ontegenzeggelijk nut van dit inmiddels onmisbare medium een duizendvoudige inflatie van lasjon hara. Momenteel kan (en mag tot op grote hoogte) iedereen via sociale media laster, kwaadspraak, verzinsels en complottheorieën over de hele wereld uitstrooien. Individuen en instituten in dienst van duistere belangen kunnen als strategie halve waarheden of hele leugencampagnes de samenleving insturen en zo onrust en haat zaaien. Dat alles betekent een gevaarlijke ondermijning van de geloofwaardigheid van de maatschappelijke informatievoorziening. Wie en wat kan je nog als waar vertrouwen?

Corona een soort tsaraät?

Is de corona pandemie ook een soort aandoening als tsaraät? Uiterlijke gelijkenissen dringen zich op. Corona heeft in zekere zin een (tijdelijke) onaanraakbaarheid in de samenleving geïntroduceerd. De quarantainemaatregelen hebben wel wat weg van de verbanning van de lijder aan tsaraät uit het kamp en de coronatesten zijn de seculiere variant van de proeven van zuiverheid, die de priester toepaste. Natuurlijk zijn virusaandoeningen van alle tijden, maar de wereldwijde ontwrichtende omvang is toch heel opvallend.   Het is verleidelijk de globale pandemie te zien als de fysieke manifestatie van de verstoring in de omgang van de mens met de aarde. Of anders uitgedrukt als een symptoom van een onbalans in de kwetsbare – zo niet al verziekte - relatie van de mens en zijn natuurlijke omgeving. Hoe men de pandemie ook wil duiden zij betekent voor velen een signaal om die relatie fundamenteel opnieuw te overdenken. De stichting ParDeS biedt daarvoor een platform voor debat en discussie, bijvoorbeeld op het ParDeS WEBINAR 6 MEI 2021 15.00 - 17.30 uur

noten

(1)  Aldus het commentaar van Nechama Leibowitz op de parasja Tazria, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 115 ev

(2) Dit is als leerstuk van Sjmirat Halasjon tot in de meest subtiele details uitgewerkt door
Rabbi Israel Meir HaCohen Kagan, de bijgenaamd Chafetz Chaim (eind 19 e eeuw),

(3) De Tora verbiedt liegen en laster ook uitdrukkelijk: Sjemot/Exodus 20:16 U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.
Sjemot/Exodus 23:1 ‘U mag geen vals gerucht verspreiden'
Sjemot/Exodus 23:7 ‘Houd u ver van bedrieglijke zaken'
Wajikra/Leviticus 19:16 ‘U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan',

Rc april 2021 

Parasjat Sjemini     Wajikra/Leviticus 9:1 - 12:1

In Pardes

De parasja Sjemini 1 beschrijft onder meer de achtste dag (jom ha-sjemini) van de grootse inwijding van de tabernakel. Voor het eerst worden door Aharon als hogepriester de voorgeschreven offers gebracht. Aharon en Mosjee zegenen het volk. De Eeuwige staat het volk toe om Zijn majesteit (kawod) waar te nemen in de vorm van een uit de tabernakel komend vlammend vuur, dat het offer op het altaar verteerde, een spektakel, dat het volk de adem benam van ontzag en op de knieën bracht. Maar dan slaat schrik en ontsteltenis toe. Nadav en Avihoe, de twee oudste zonen van Aharon, brengen impulsief en in extase een reukoffer met ‘vreemd vuur' (eesj zara), dat de Eeuwige niet gevraagd had. Weer gaat er een vuur van de Eeuwige uit, maar nu een vurige vlam, die de twee overenthousiaste zonen verteert. Over wat Nadav en Avihoe nu precies hadden gedaan om deze vuurdood over zich af te roepen is veel rabbijnse speculatie gedaan. 2 Waar ik nu het accent op wil leggen is het gegeven, dat zij buiten de voorgeschreven paden zijn gegaan. In hun vurige geestdrift zijn ze voorbijgegaan aan de exacte inwijdingsregels die beoogden de mensen te beschermen tegen de mysterieuze energieën die bij de inwijding van de tabernakel zouden kunnen worden opgeroepen. Alsof het wonder van de vlam die uit de tabernakel was gekomen en het offer had verteerd niet al ontzagwekkend genoeg was wilden ze nog dichter bij het goddelijk mysterie komen.  Met hun extatische toewijding stortten zij zich op ‘unchartered territory’, onbekend, gevaarlijk terrein en bekochten dat met hun leven. Hun dood mag geen straf heten want zoals Mosjee naderhand aan hun vader Aharon verklaart: Door degenen die in mijn (Gods) nabijheid verkeren, toon ik mijn heiligheid”. Misschien mag je hen wel de eerste Joodse mystici noemen, die zich overmoedig en nog veel te onervaren op het esoterisch pad haastten.

De vier die Pardes betraden

Dit fatale gebeuren deed mij denken aan het in kringen van de Joodse mystiek bekende verhaal van de vier geleerden die de ‘Pardes’ betraden, de boomgaard, een metafoor voor het gebied van de hoogste of diepste esoterische kennis.3
Het is te vinden in de Talmoed en wat uitgebreider in de Tosefta, een verzameling toevoegingen aan de Talmoed. 4
Ben Azzai, Ben Zoma, Elisja ben Aboeja (bijenaamd ‘Acher’, de ander) en rabbi Akiva zijn de vier mannen die deze gewaagde onderneming waar geen regels voor bestaan aangaan. In de Tosefta wordt dit verhaal voorafgegaan door waarschuwingen, die studie van de geheime kennis slecht toestaat onder toezicht van een ingewijde wijze meester..5

De drie die keken

Drie van de vier mannen die de Pardes betreden zijn kennelijk aan deze stap in de mystiek niet toe toe. Er staat: ‘Een van hen keek (hetstiets) en stierf. Een van hen keek en werd gewond. Een van hen keek en kapte de bomen om’.
Ben Azzai is degene die sterft; bij hem wordt aangetekend: ‘Kostbaar is in de ogen van de Eeuwige de dood van Zijn gunstelingen’ (psalm 116:15), hetgeen doet denken aan de bovengenoemde uitspraak van Mosjee over de zonen van Aharon. Ben Zoma is degene die gewond wordt, wat wordt geduid als: krankzinnig geworden; bij hem wordt toegevoegd Spreuken 25:16: Als je honing hebt gevonden, eet dan niet meer dan goed voor je is. Elisja ben Aboeja, ofwel Acher, de ‘ander’ (met de bijbetekenis ‘ketter’), hakt de bomen om, wat volgens de communis opinio wil zeggen: hij is van zijn geloof gevallen; aan hem wordt worden de woorden uit Prediker 5:5 verbonden: sta je mond geen loze, zondige geloften toe.

Rabbi Akiva

En rabbi Akiva? Van hem wordt kort en goed gezegd: hij klom op in vrede en daalde af in vrede. Wat opvalt is dat niet gezegd wordt zoals van de andere drie dat ‘hij keek’. Kennelijk bleven de drie andere mannen gevangen in een kijken in de boomgaard, gebiologeerd door de overweldigende schittering van de vormenpracht en de donkere diepten van demonische verleidingen die ze in de boomgaard zagen. Ze werden alle drie bezeten door een spirituele onverzadigbaarheid en dat werd hun ondergang, net zoals bij Nadav en Avihoe. Maar Rabbi Akiva had zich een stevige basis gecreëerd; goed voorbereid en geïnstrueerd liet hij zich, onverstoorbaar en kalm, niet afleiden en ging rechtstreeks door hel en paradijs op zijn verheven doel af, de onuitsprekelijke nabijheid van de Altijdzijnde en keerde veilig en ik mag aannemen getransformeerd terug.5 Daarmee stelde hij een voorbeeld voor wiehet pad van de mysticus wil betreden.6

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Sjemini zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2. Zie op mijn website http://www.robcassuto.com/parasjotex.htm#shemi

3. Pardes, boomgaard, uit Oud-Perzisch/Avestisch ‘pairidaeza’, omheinde tuin.
In modern Hebreeuws vooral Citrus boomgaard. Het is ook een acroniem voor bijbel uitleg: psjat - letterlijke uitleg, remesj - allegorische uitleg, drasj – homiletische uitleg (de ‘preek’), sod – de mystieke (geheime) betekenis

4. Talmoed Chagiga 14b en Tosefta Chagiga 2; vooral de laatste tekst heb ik in de vertaling op sefaria.org gebruikt

5. Er wordt een anekdote verteld over de beroemde rabbi Jochanan ben Zakkaj (1e eeuw) en zijn student Eleazar ben Arach die onder kritisch toezicht van de meester een voorbeeldig betoog houdt over de zogenoemde Troonwagen (merkava), de mystiek die zijn begin vindt in het visioen in de profeet Ezechiel, zoals beschreven in hoofdstuk 1 van zijn gelijknamig boek; de twee mystieke richtingen die worden genoemd zijn de maäsee merkava, de meditatieve rituelen rond  troonwagen, en de maäsee beresjiet, meditatieve rituelen rond de creatie van het universum

5. Deels heeft mij geïnspireerd het essay van Alon Goshen Gottstein, Four Entered Paradise Revisited, The Harvard Theological Review, Vol. 88, No. 1 (Jan., 1995), pp. 69-133,
te vinden op Jstor

6. Ook de apostel Paulus moet een mysticus zijn geweest gezien zijn ontboezeming in 2 Korintiërs 12: 2: ‘Ik ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd – in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen. Maar ik weet dat deze man – in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen – werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken.’ 

 RC april 2021

 

Pesach 5781

Niet terug naar Egypte

Aan het eind van deze sjabbat 1 – sjabbat ha-gadol, de grote sjabbat - begint Pesach en zitten we aan de speciale maaltijd, die we de seider noemen. We herinneren ons, hoe we ooit slaven waren en bevrijd werden. We realiseren ons dat we in principe vrije mensen zijn. Nu we een jaar Corona-pandemie achter de rug hebben, de lockdown nog niet voorbij is en onze seidertafel amper drie personen mag tellen, eventueel via Zoom nog aangevuld, heeft dat een vreemde bijsmaak. Zo van de buitenkant gezien zijn we aan alle kanten gevangen in beperkende maatregelen en verlangen we hevig naar de beloofde vrijheid die zal aanbreken als het wonder van de vaccins zijn werk heeft gedaan.
Als de prognose van de minister-president uitkomt zal dat moment in Nederland in juli komen. Dan staan we aan het begin van een nieuwe fase in de samenleving, uit de benauwdheid komend staan we dan aan de rand van een zich geleidelijk openende ruimte . De grote vraag die zich al heeft aangediend is: hoe gaan we die nieuwe fase tegemoet? Hoe gaan we die nieuwe vrijheid invullen? Een vraag die van micro- tot macroniveau zich laat stellen.
De strenge beperkende maatregelen hebben hun sporen nagelaten in ons werk en ons gezinsleven, pleegden een aanslag op het cultureel en economisch welzijn van de samenleving. De fysieke en sociale afstandelijkheid heeft ons innerlijk leven ongetwijfeld beroerd. Veel jongeren kampen met stress en ervaren een afname van levensgeluk. De pandemie heeft u en mij aan het denken gezet over waar we vandaan komen en over hoe we als samenleving verder moeten. Kunnen we ons oude leven weer oppakken? Gaan we weer zo snel mogelijk naar het ‘oude normaal’ ?

Mijn besef is sterk, we kunnen niet terug, we kunnen hoogstens een verhaal over een geïdealiseerd verleden maken, waarnaar we terug willen, een verhaal dat per definitie een illusie is. In het Exodusverhaal komen we ook zoiets tegen. Toen de Israëlieten eenmaal weg waren uit Egypte begon al snel een verlangen bij de ex-slaven naar het ‘oude normaal’, de zekerheden van het slavenbestaan, op te duiken, het oude leventje dat gefantaseerd werd tot een luxe consumentenbestaan; vleespotten, brood, komkommers, watermeloenen, prei, uien en knoflook werden daar in overvloed door hun slavenmeesters gegeven. 2

We kunnen eigenlijk niet meer terug. Dat riep Mozes de angstige en klagende Israëlieten al meteen toe toen ze net ontkomen aan hun onderdrukkers richting de Rietzee gingen en het leger van de farao hen op de hielen zat: Exodus 14:13 Want de Egyptenaren die u vandaag ziet, zult u tot in eeuwigheid niet meer terugzien.
De Tora heeft daarom een taboe op de terugkeer naar een geïdealiseerd Egypte afgekondigd. De koning (Deuteronomium 17:16) mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar Egypte om veel paarden aan te schaffen, omdat de Eeuwige tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren. En een van de rampzalige gevolgen van ongehoorzaamheid aan de geboden zal, zo voorzegt Mozes, kunnen zijn dat de Eeuwige (Deuteronomium 28:68) ‘u in schepen terug (zal) sturen naar Egypte, ook al had ik gezegd dat u nooit meer daarheen zou teruggaan. Deze bepalingen liggen ten grondslag aan de rabbijnse beslissing het verbod om in Egypte te verblijven op te nemen als een van de 613 mitswot. In de Sefer HaChinoech, de middeleeuwse behandeling van de miswot, luidt mitswa 500: Je mag nooit meer in het land Egypte wonen. En in de opsomming van Maimonides in zijn grote werk ‘de Misjnee Tora’ is het mitswa 601: Vestig je niet permanent in het land Egypte. 3

In praktische zin heeft het verbod weinig uitgehaald. Vanaf de achtste eeuw BCE waren er Joden in Egypte. De profeet Jeremia zocht er zijn toevlucht en vanaf de stichting van de stad Alexandrië heeft er eeuwenlang een bloeiende Joodse gemeenschap gewoond, alwaar de legendarische zeventig geleerden de Tora hebben vertaald in het Grieks, ieder van de zeventig wonderlijk genoeg in dezelfde Griekse bewoordingen, de zogenoemde Septuagint. In de twaalfde eeuw CE heeft nota bene Maimonides het laatste deel van zijn leven in Egypte gewoond, in Fostat bij Kairo; hij was hij arts o.a. van de sultan Saladin en hoofd van de Joodse gemeenschap. Joden hebben er verbleven tot in de vijftiger jaren van de vorige eeuw, toen ze onder pressie van Nasser vertrokken, deels naar Israël, deels naar Amerika.

Wat kan het verbod om in Egypte te wonen ons nu nog zeggen? We kunnen het metaforisch opvatten. We kunnen in het verbod beter een diep geweten besef bespeuren, dat je niet je kaarten moet zetten op recreatie van het verleden. We mogen en kunnen er niet naar terugkeren en we kunnen er niet in wonen. Het koninkrijk van David, de Gouden Eeuw is voorbij, de vijftiger jaren met het touwtje uit de brievenbus, de Sovjet-Unie, we moeten het niet willen restaureren. En ook het pre-corona Oude zo vanzelfsprekende Normaal is voorgoed voorbij. Het voorbije Oude Normaal vraagt ons wel er lessen uit te trekken en stuurt ons sadder and hopelijk wiser vanuit zijn onvolmaaktheid en onafheid naar een toekomst waar steeds onze vrijheid en onze verantwoordelijkheid opnieuw begint. Een gedachte om verder aan de seidertafel verder te bespreken.

Noten

(1) Voor deze Sjabbat wordt gelezen de parasja Tsav. Zie hiervoor in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op http://www.robcassuto.com/parasjotex.htm#tsav2

(2) Zie Exodus:16:3 en Numeri: 11:5

(3) Zie Aronstein Elco M., 613 Mitswot, Ge- en verboden van het Jodendom, p 312

(4) Zie voor een uitgebreider verslag http://www.jewishmag.com/173mag/jew_live_in_egypt/jew_live_in_egypt.htm

 Chag Pesach Sameach!. RC

Parasjat Wajikra              Wajikra/Leviticus 1:1-5:26

Roeping

Het boek Wajikra

Het eerste woord van het derde boek van de Tora is wajikra – (Hij) riep - en het eerste woord is zoals het gebruik ook de naam van dat boek en van de eerste parasja.1 Het boek Wajikra – in het Latijn Leviticus genoemd naar de levieten - is heel wat minder aansprekend voor de moderne lezer en moeilijker in te voelen dan de eerste twee boeken Beresjiet en Sjemot. Het handelt vooral over de offers, de priesters en de dienst in en rond de tabernakel en over het secuur bewaren en herstellen van rituele reinheid. Een opvallend stuk, dat de actualiteit in een aantal belangrijke verzen heeft behouden, is het hoofdstuk 19, dat een aantal intermenselijke omgangsregels van hoog ethisch niveau bevat, waaronder het beroemde ‘hebt uw naaste lief als u zelf'. De tabernakel werd vele eeuwen later opgevolgd door de door Salomo gebouwde de tempel. Zoals zoveel religieuze instituten ontwikkelde de tempel zich uiteindelijk tot zowel het machtsbolwerk van een ultraconservatieve elite (de Sadduceeën, Tsedoekiem) als ook tot een commercieel en toeristisch centrum, waartegen de profeten en ook Jezus tekeergingen.

Onverwachte betekenissen

Na de verwoesting van de tempel in 70 CE is de offerdienst vervallen. Samenkomst in de synagoge, gebed en de sjabbattafel vervingen de dierenoffers en de tempeldienst. Nochtans zijn de rabbijnen in alle eeuwen intensief bezig geweest de teksten van Wajikra annex Leviticus van commentaar te voorzien. Ieder woord wordt gewogen, bekeken en driedubbel onderzocht op verborgen boodschappen. Onder de oude woorden in Leviticus bleken en blijken onverwachte betekenissen te schuilen. Neem nou alleen al het eerste woord wajikra.

De roep gaat voor de spraak

Er staat letterlijk: "En ___ riep tot Mosjee". Dat ‘en’ klopt wel want legt een vloeiend verband met het einde van Sjemot; aan het slot van dat boek is de tabernakel klaar, de wolk van de Ene is neergedaald en Mosjee wacht buiten geduldig op wat er nu moet gaan gebeuren. Dan klinkt aan het begin van het volgende boek een roep vanuit de tabernakel. Er staat geen onderwerp bij dat roepen, wie roept er eigenlijk; het antwoord van de midrasj is dat de oproep kwam van een plek die definities overstijgt, een plaats die geen naam of titel heeft. Het is roep vanuit de zuivere essentie 2. Wajikra wordt altijd gebruikt voordat de Ene aan Mosjee meedeelt wat zijn opdrachten gaan zijn - krija gaat voor diboer, roep gaat voor spraak, legt de middeleeuwse commentator Rasji ad loc uit -  het is een oproep zonder inhoud, een signaal om attent te zijn op wat komt en het antwoord van de geroepene is expliciet of impliciet: hinenni, ‘hier ben ik, ik ben beschikbaar’, zoals Mosjee antwoordde op de allereerste roep die hij hoorde vanuit de brandende doornstruik (Ex 3:4), de tweede was vlak voor de afkondiging van de Tien Woorden (Ex:19:3).

Een kleine stille stem.

Wie de sefer Tora (de geschreven rol) leest of de choemasj (gedrukte Tora) ziet dat de alef, de laatste letter in dat beginwoord wajikra  - van het werkwoord likro, roepen, noemen -  kleiner is geschreven resp gedrukt (alef zeïra). Een mooie verklaring in de midrasj is dat Mosjee aanvankelijk de alef weg had gelaten, een verschrijving? Er stond dan wajikar – van het werkwoord likrot, gebeuren - en dan betekenen de eerste woorden ‘Het gebeurde aan Mosjee’, of ‘het overkwam Mosjee’. Dat beviel de Eeuwige niet en hij beval Mosjee er een alef achter te zetten. Het maakt immers een groot verschil of je reactief handelt op gebeurtenissen die je ervaart als jou overkomend of dat je actief handelt omdat je daartoe geroepen wordt. Dat laatste noem je dan ook een roeping. Dat woord associëren we meestal met iets groots, maar je kan ook geroepen worden tot ogenschijnlijk kleinere daden, een vriendelijk woord, het bezoeken van een zieke, een daad van hulp en bijstand, het stoppen van een slechte gewoonte. Als je goed luistert. Want de stem die roept is vaak klein en stil. Vandaar die kleine alef, een kleine, stille letter.  

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Wajikra zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2. Rabbi Simon Jacobson ergens op http://meaningfullife.com/

3. Kitzur Baal Haturim on Leviticus 1:1:1. Een en ander ook geïnspireerd door het commentaar van Rabbijn Jonathan Sacks van 2020
https://rabbisacks.org/vayikra-shiur-5780/

RC maart 2021

parasjat Wajakhel-Pekoedee         Sjemot/Exodus 35:1- 40:38

Een sacraal project

In de parasjot Teroema, Tetsawee en Ki Tisa werden op de berg Sinaï aan Mosjee de instructies gegeven over hoe de heilige ark, de tabernakel met al zijn heilige attributen, de kleding van de hogepriester en de priesters eruit moesten gaan zien en hoe dit allemaal moest worden gefinancierd uit de vrijwillige gaven van het volk. In de dit jaar tezamen gelezen parasjot Wajakhel en Pekoedee (1), de laatste twee parasjot van het boek Sjemot/Exodus, wordt de realisatie van die ontwerpen uitvoerig en in veel detail beschreven.

Uitvoering van de projectbeschrijving

Praktisch gezien is er niet zoveel veranderd in vergelijking met hoe nu een gebouw of welk ander project ook wordt gerealiseerd. Het laatste deel van het boek Exodus beschrijft een systematisch proces, dat nog steeds wordt gevolgd: eerst de ontwerpfase annex projectbeschrijving, dan een verslag van de uitvoering en dan een rapport met rekening en verantwoording.  De parasja Wajakheel begint met de oproep door Mosjee aan het volk om al de benodigde materialen, goud, zilver, koper, linnen, huiden etc. bij elkaar te brengen, zoveel als het hart ingeeft. In groten getale en in ruime mate voldoet men daaraan, meer dan men kan gebruiken wordt gebracht en Mosjee roept een halt toe aan de toestroom. Hij zet de werkers aan het werk, de kunstenaar Betsaleel wordt benoemd tot opperman en Aholiav de wever als zijn assistent. Dan wordt precies de uitvoering beschreven van de ontwerpen die al eerder in de parasja Teroema uitgebreid waren uitgetekend. Tenslotte volgt in de parasja Pekoedee is het verslag van hoe het goud, zilver en koper is besteed aan welke objecten en welke materialen verwerkt zijn. Tevens wordt uitvoerig gerapporteerd hoe inderdaad de priesterkleding van Aharon van de kostbare ingeleverde materialen is gemaakt overeenkomstig wat in de parasja Tetsawee is beschreven. Het boek Sjemot/Exodus besluit dan met hoe het prachtig resultaat wordt gesanctioneerd door de opdrachtgever, de Eeuwige en zijn handtekening is de wolk die op de tabernakel neerdaalt.

Waarom zo gedetailleerd boekstaven?

Waarom nog deze uitvoerige beschrijvingen? Had men niet kunnen volstaan met een zinnetje: zoals het is ontworpen is het ook uitgevoerd, punt. Waarom die uitvoering en verantwoording nog eens zo gedetailleerd boekstaven voor het nageslacht?
We kunnen er een aantal zaken van leren. Hoe bijzonder en belangrijk de betrokkenheid van alle volksgenoten is. Hier zijn geen slaven aan het werk maar belanghebbende vrije mensen met hart voor de zaak. De Tora kan de vrijgevigheid en de toewijding van de mannen en vrouwen niet genoeg benadrukken. Het Hebreeuwse woord voor ‘hart', lev , wordt in hoofdstuk 35 t/m 36:8 wel twaalf keer gebruikt.  De minutieuze beschrijvingen benadrukken dat er niet gesjoemeld is met de uitvoering, ze bevestigen dat de tekeningen precies zijn gevolgd, ze belichten het enthousiasme en de kundigheid van de ambachtslieden, het zijn perfectionisten die niet met half werk genoegen nemen.

Het belang van accountancy

We leren in de parasja Pekoedee hoe belangrijk het is dat de ingebrachte gaven van de gemeenschap ook werkelijk terechtkomen op de plek waarvoor ze zijn bestemd en dat dat ook gecontroleerd wordt en dat daar ook een exact verslag van wordt gedaan. Itamar, de zoon van de priester Aharon (38:21) is daarmee belast, hij is de financiële man van de bouwleiding, als het ware de eerste accountant. Hij heeft goed werk gedaan, het volk kan gerust zijn, hier is geen sprake van corruptie, hier blijft niets aan de strijkstok hangen.

Een sacraal gebeuren

De perfectie en bezieling waarmee dit alles is gebeurd en ook opgeschreven kunnen we expliciet en tussen de regels ervaren; ze verheffen de bouw van de tabernakel tot een sacraal gebeuren dat model kan staan voor alle grootse ondernemingen. Ook wie niet meer een personalistisch godsgeloof heeft wil wel aannemen dat de Eeuwige in het resultaat wil wonen.

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasjot Wajakhel en Pekoedee zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website 

RC maart 2021

 

Parasjat Ki tisa                Sjemot/Exodus 30:11 – 35

Een halve sjekel

De parasja Ki tisa 1 vervolgt de instructies voor de tabernakel en de eredienst. Een volkstelling wordt verordend en het daarbij te heffen zoengeld, de constructie van het wasbekken, de zalvingsolie en de voormannen van de kunstenaars en ambachtslieden worden benoemd; de Sjabbat moet bij de vervaardiging van tent en heilige objecten in acht genomen worden. De hoofdmoot vormt het verhaal over de afvalligheid van een deel van het volk rond het gouden stierkalf, de weg van verzoening daarna bewandeld door Mosjee en het proces van vernieuwing van het verbond in de vorm van twee nieuwe tafelen. We gaan verder in op de volkstelling en het zoengeld, de halve sjekel

Een volkstelling

Het begin van de parasja luidt (30:1,2): Verder sprak de Eeuwige tot Mozes:
Wanneer u het aantal Israëlieten opneemt, volgens hun tellingen, dan moet ieder bij hun telling aan de Eeuwige een losgeld geven voor zijn leven, opdat er bij hun telling geen plaag over hen komt. Dit moeten allen die bij de getelden gaan behoren, geven: een halve sjekelgerekend volgens de sjekel van het heiligdom (…), een halve sjekel als een hefoffer voor de Eeuwige.

De telling heeft natuurlijk een onloochenbaar praktisch nut. Zij heeft betrekking op mannen van twintig jaar en ouder en is dus ook een monstering van het militair potentieel van het volk. De vele halve sjekalim zullen bijdragen aan de bouw van de tabernakel. Maar telling van mensen is niet zonder gevaar, reëele gevaren die al vroeg in de geschiedenis gevoeld kunnen zijn en zich vertaald kunnen hebben in de taboesfeer van het afkopen van noodlottige consequenties.

Hef het hoofd

Voor de telling van het volk gebruikt de Tora niet het gebruikelijke woord voor tellen – lispor – maar laset et-rosj = het hoofd opheffen: ki tisa et rosj benee Jisrael, als je het hoofd heft van het volk Israel, vgl Numeri/Bamidbar 1:2, waar een volkstelling wordt verordend vlak voor het vertrek van de berg Sinai: se'oe et rosj kol edat benee Jisraël, hef het hoofd =tel de gemeenschap van het volk Israel. 2

In het ‘heffen van het hoofd’ klinken de paradoxale aspecten van een volkstelling mee. Wie de mensen telt is per definitie al een machthebber, de mensen die hij telt zijn de nummers, die hij kan manipuleren. Hij is geneigd hun gezicht niet te zien, hij telt alleen de gegeven munten, de halve sjekels, of zet alleen een streepje op het papier, dan wel klikt hij alleen maar een getal op zijn of haar computerscherm. Op de lijst heb je geen ziel. Anonieme kwantiteiten. Daarom heeft het ‘hef het hoofd’ iets van ‘vergeet niet dat ieder een uniek gezicht heeft, een eigen waardigheid’. 3

De telling maakte de getelde volgens de Oude Wijzen in religieuze zin zichtbaar in al zijn onvolmaaktheid voor de Eeuwige en volgens sommigen ook voor kwade krachten. Rasji spreekt van het ‘kwade oog’, dat op je kan vallen.4 De halve sjekel is niet alleen een handig middel voor de volkstellers om te tellen, hij was ook een ritueel middel om de gevaren van de zichtbaarheid van de verkeerde daden van de volksgenoten door de telling af te wenden, gevaren voor ziel en lichaam hier verwoord in de ‘plaag’, negef.

Maar ook in de seculiere wereld van de moderne tijd worden de getelden (nu natuurlijk ook vrouwen) zichtbaar en bruikbaar voor de machthebber, die over zijn (of haar) lot kan beschikken, ten goede, maar ook ten kwade. Als je administratief geteld wordt of als je personalia in een big data-bestand worden opgeslagen bestaat er geen ritueel zoengeld meer om het risico van misbruik af te wenden. Ons hoofd wordt niet geheven, onze waardigheid niet bevestigd, integendeel wij moeten het hoofd buigen voor wat de teller en verzamelaar met onze gegevens van plan is te doen, tenzij wij voor zover mogelijk rigoureuze privacy maatregelen nemen.

Wat is het doel

Het doel waarvoor een telling (of gegevensverzameling) is gedaan is bepalend voor de gerechtvaardigdheid ervan. Het zoengeld van Exodus 30:13 maakte de leiders en de gevers van de halve sjekel bewust van het grote doel waarvoor ze het gaven: voor de tabernakel, de eredienst en voor de inventarisatie van de weerbaarheid tegen vijanden. Koning David op het toppunt van zijn macht wilde ook een volkstelling houden en gaf zijn minister Joab geen antwoord op de vraag waarom. Hij had geen andere bedoeling dan zich te verlustigen in de militaire macht van het enorme potentieel aan soldaten dat hij bleek te hebben. De fatale pestepidemie die na de telling uitbrak werd met deze onnodige escapade in verband gebracht. (II Samuel 24)

Geteld worden is levensgevaarlijk als het met louter commerciële, macht gerelateerde of racistische bedoelingen wordt gedaan, als de getelde mensen ‘hun gezicht verliezen’ en prooi worden van een op hol geslagen of falende bureaucratie, een gretige commerciële gigant of de genocidale beul.

Noten

1. Verschillende andere commentaren op de parasja Ki tisa zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website 

2. Veelal wordt rosj, hoofd, ook opgevat en vertaald als de totaalsom (bv Hirsch ad loc).
Veel komen we ook de opvatting tegen dat de halve sjekel een afkoop is voor de zonde van het gouden stierkalf.

3. Dergelijke uitleg vinden we bv ook in Marc-Alain Ouaknin, De Tien Geboden, Boom, 2001,p 130

4. Rasji ad loc: ‘Want getallen (dwz zaken die zijn geteld) zijn onderworpen aan het “kwade oog” en daarom kan als je ze telt de pest hen overkomen zoals we het in de dagen van David zien gebeuren (II Samuel 24:10 and 15)’.

Parasjat Tetsawee            Sjemot/Exodus 27:20 – 30:11

Ieder zijn gave

Tetsawee1 is de enige parsje in het boek Sjemot (Exodus) waarin de naam van Mosjee niet is genoemd. Centraal staat zijn broer Aharon; diens schitterende uitdossing en het ritueel van zijn inwijding tot hogepriester staan tot in detail beschreven. Mosjee treedt uit de schijnwerper en we zien Aharon in het zonnetje gezet. Is het boek Beresjiet (Genesis) onder meer te zien als de geschiedenis van de verstoorde relatie tussen broeders -  Kain en Abel, Jitschak en Jisjmael, Jaäkov en Esav, Joseef en zijn broeders -  , in het volgende boek Sjemot blijken de broers Aharon en Mosjee het goed met elkaar te vinden. Wat is het geheim van hun relatie en kunnen we daar nog iets van opsteken?

Leider en communicator

Ieder van de broers deed waarin hij het beste was en liet aan de ander datgene over waar die in uitblonk. Zo bleef hun verhouding in grote lijnen goed. Dat is een grote kunst, uitvinden waar je talent ligt en dat ten volle ontplooien en tegelijk accepteren waar je beperkingen liggen en zonder rancune aan anderen overlaten waar jij minder goed in bent.

Aharon wordt in het grote verhaal van Sjemot/Exodus geïntroduceerd met een kus 2; hij is zielsblij zijn broer te zien. De basis was dus al goed. Voortaan zouden ze samen optrekken. De gave en roeping van Mosjee was om een geïnspireerde leider te zijn, terwijl het talent van Aharon was om communicator tegenover het volk te zijn. Zo konden ze zich maximaal ontplooien en de gemeenschap dienen. In Sjemot/Exodus 4:15 staat het heel compact: Aharon zal voor Mosjee mond zijn en Mosjee zal voor Aharon god zijn; Dasberg vertaalt ‘Elohiem’ met ‘goddelijke inspiratie’. Je zou kunnen zeggen: Mosjee was het kanaal naar boven, Aharon de spreekbuis naar de buitenwereld.

Twee karakters

De broers waren heel verschillende mensen. Mosjee wordt beschreven als een zeer bescheiden mens, niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij.3 Misschien mogen we hem zelfs wel als verlegen bestempelen. Een man die in afzondering open kon staan voor de stem van gerechtigheid en die een inzicht geschonken kreeg in de bestemming van een heel volk en de koers die de gemeenschap had te gaan. Een man die eist en de lat hoog legt, zonder meer een leider die ook het volk onwelgevallige beslissingen kon nemen, een streng en rechtvaardig man die zich niet liet leiden door de sentimenten van het volk, de stand van de populariteitspolls of de hypes van het moment.

Aharon was heel anders. Hij was een vriendelijk en geliefd man, die moeilijke zaken aan het volk kon uitleggen, openstond voor onderhandeling en compromissen kon sluiten, ruzies kon bijleggen, een vredestichter. Hoe deed hij dat allemaal? De volksoverlevering, de midrasj aggada, noemt een voorbeeld: als hij twee mannen ruzie zag maken, placht hij er een apart te nemen en te zeggen: ‘Denk nu eens aan wat je vriend zegt! Hij weet zich geen raad, scheurt zijn kleren en roept: “Wat verschrikkelijk! Hoe moet ik mijn vriend onder ogen komen? Ik schaam mij, want ik was het die hem verkeerd heeft behandeld en tegen hem heeft gezondigd!”’ Aharon zou bij deze man blijven zitten totdat hij alle kwade gevoelens uit zijn gemoed had weggenomen. Dan ging Aharon bij hem weg, ging bij de andere man zitten en sprak met hem op dezelfde manier totdat ook hij uit diens hart de vijandigheid had gebannen. Als de ruziënde mannen elkaar dan later ontmoetten, omhelsden en kusten ze elkaar’.4 Een echte mediator met een heel eigen strategie. Rabbi Hillel zei: ‘Wees een leerling van Aharon; bemin de vrede en streef vrede na, houd van je medeschepselen en breng ze in kennis met de Tora.’ 5 Mosjee resoneert met onze innerlijke gids, die loepzuiver weet wat juist is en vals, wat recht is en wat krom. Aharon belichaamt de broodnodige compassie, mededogen met het menselijk tekort. De een kan niet zonder de ander.

Attributen

Parasja Tetsawee beschrijft Aharons finest hour, zijn uitdossing en inwijding. In In Bemidbar 20:26 wordt beschreven, hoe Aharon in vol ornaat de berg opklimt om er te sterven en de prachtige hogepriesterlijke attributen afstaat, de tulband en het diadeem, het borstschild, de gordel, het rituele schort, de blauwe mantel met granaatappeltjes en belletjes aan de zoom. Zo maakt hij ons ervan bewust dat ook wij ooit (moge dat nog lang duren) afscheid moeten nemen van onze attributen, onze functies, onze favoriete vaardigheden. Het enige wat toeneemt als het meezit en we ons ervoor inspannen is de wijsheid.

Poeriem sameach!

Noten

1. Verschillende commentaren op de parasja Misjpatiem zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website 

2. Sjemot/Exodus 4:27: ‘Hij trof hem bij de berg van God en kuste hem’ (Sjemot/Exodus 4:27). Psalm 85:11 zegt: ‘trouw en waarheid omhelzen elkaar, recht en vrede begroeten elkaar met een kus’ en de midrasj zegt: ‘trouw' dat is Aharon, ‘waarheid' dat is Mosjee, ‘recht' dat is Mosjee, ‘vrede' dat is Aharon. (Beresjiet Rabba 8:5 in combinatie met de Isbitzer Rebbe bij de parasja Tetsavee, Sjemot/Exodus 4:27, in de ‘Mei Ha-Shiloach. Living Waters’ p. 117)

3. In Bemidbar/Numeri 12:3.

4. Avot d’Rabbi Natan 12:3.

5. In Pirkee Avot, hoofdstuk 1, misjna 12.

 

 

 

Parasjat Teroema  Sjemot/Exodus 25 - 27:20

Een groots gezamenlijk doel

In dit bijbelstuk krijgt Mosjee opdracht om aan het volk te zeggen, dat het gaven moet geven, allerlei kostbaarheden, ieder zoals zijn hart hem ingeeft. Van deze gaven zal een heiligdom gemaakt gaan worden. Beschreven wordt hoe de te vervaardigen heilige ark, ha-aron ha-kodesj , de rituele objecten en de tent der samenkomsten, de tabernakel of wel miesjkan, eruit moeten gaan zien. Dit alles volgens de modellen die aan Mosjee op de berg worden getoond; in groot detail worden vele bladzijden lang uiterlijk, soorten materialen en afmetingen beschreven.

Heeft de Eeuwige eigenlijk wel een heiligdom nodig ?

De commentatoren komen meestal met dit antwoord: niet God heeft een heiligdom nodig maar de mensen, i.c. de Israëlieten, hebben het nodig om voortdurend herinnerd te worden aan Gods aanwezigheid. 
Umberto Cassuto (1) oppert: door een zichtbaar en schoon vormgegeven heiligdom, dat midden in het kampement komt te staan, wordt het volk steeds herinnerd aan de openbaring op Sinai en aan Zijn voortdurende nabijheid. En de gedetailleerde beschrijving van de heilige Woning benadrukt dat nog eens in schrift. Martin Buber (2) ziet het  in de lijn van Maimonides: in zijn wijsheid als leider van zijn volk heeft Mosjee hier een oplossing gevonden voor het verlangen van de massa naar een zichtbare aanwezigheid van een God, die in principe niet zichtbaar is en hij heeft daarvoor oude al bestaande elementen samengevoegd tot een nieuw symbool: de ark, een immanent object dat verwijst naar de transcendentie, een vorm van presentie die geen abstract concept is, maar een existentiële ervaring, die wij als mogelijkheid in relatie met anderen in principe kunnen realiseren.

cohesie

Naast deze verheven bedoeling had de bouw en vervaardiging van de misjkan en zijn parafernalia nog een al dan niet bewust gewild effect. De realisering van het project bevorderde de volkswording, anders gezegd de ontplooiing van een gedeelde volksidentiteit. Het bijeenbrengen van de vrijwillige substantiële gaven versterkte de onderlinge binding. De creatie van het heiligdom volgens de gegeven voorschriften daarna vroeg enorme gezamenlijke inspanningen, die zich richtten op een door allen gedeeld hoger doel. Een gemeenschappelijk de individuen overstijgend doel schept een enorme cohesie, zoals ook hedendaagse sociaalpsychologische experimenten aangetoond hebben.

cultureel potentieel

En dan: het werk zal het uiterste hebben gevraagd aan talent en bedrevenheid. Goud- en zilversmeden, houtbewerkers, timmerlieden, zij allen moesten zich wellicht scholen, bijscholen of al doende hun vaardigheden perfectioneren. De creatie van de misjkan met toebehoren zal het cultureel potentieel van het volk enorm omhoog hebben gebracht. Het resultaat zal een grote voldoening aan de gemeenschap hebben gegeven. Ook later zal religie een grote stimulans betekenen voor de bouw-  en beeldende kunsten (al heeft het rabbijnse  jodendom daar gezien het tweede gebod van de Tien Geboden  - het beeldverbod - daar wel grenzen aangesteld).
En, last but not least, heeft de grote leidsman Mosjee wellicht heel nuchter als prettig bijkomstig effect in het achterhoofd gehad: ledigheid is des duivels oorkussen.

Noten

(1) Umberto Cassuto (1883–1951), A Commentary on the Book of Exodus , Jerusalem, 1997 (eerst verschenen in Hebreeuws in 1951), p. 319 ev

(2) Martin Buber, Mozes , Servire, 1970; oorspr.: Moses, 1965; meer dan een biografie ook een beknopt commentaar op de Tora. Zie ook Maimonides, Gids der Verdoolden/Moré Nevoechiem XXXIII: 32

Parasjat Misjpatiem Sjemot / Exodus 21:1–24:18

Je baseren op ware feiten en staan voor je mening

Na de ontzagwekkende manifestatie van de Tien Uitspraken neemt de Tora plotseling een pragmatische wending. De verheven woorden worden onmiddellijk vertaald in een massa gedetailleerde richtlijnen over een bonte reeks onderwerpen. Bijvoorbeeld: over hoe je als professional zoals een rechter of journalist integer moet omgaan met de informatie die je beroepshalve bereikt. (maar het ook toepasselijk op ons allemaal als producenten en consumenten van informatie). Daar zeggen deze volgende verzen iets over

23:1:U mag geen vals gerucht verspreiden (‘tisa’), en u mag een schuldige niet uw hand reiken door een misdadige getuige te zijn. 2U mag de meerderheid niet volgen in het kwaad, en u mag in een rechtszaak niet zo antwoorden dat u zich schikt naar de meerderheid om zo het recht te buigen.

Dat is de Nederlandse vertaling van de Herziene Statenvertaling, die nog het dichtst bij het Hebreeuws blijft. Rabbijnse uitleg vat ‘tisa’  in het eerste vers niet op als  ‘verspreiden’ maar als ‘oppakken’, dus als: ernaar luisteren; je mag niet luisteren naar een valse getuigenis. (2) De rabbijnen zien het vooral als instructie aan de rechter in een rechtszaak. Men ziet deze - in het Hebreeuws nogal complexe en compacte - verzen als het opwerpen van een dam tegen verkeerde rechterlijke beslissingen. 

Rabbijn Samson Raphael Hirsch (plm 1850) vertaalt de eerste zin van het tweede vers als: ‘volg niet een exacte meerderheid om een ongunstige beslissing te nemen’, waarmee volgens de rabbijnse uitleg gezegd wil zijn dat er in het geval van voor de verdachte ongunstige vonnissen – met name in zaken van leven en dood – er een grotere meerderheid van rechterlijke stemmen moet zijn dan één. Dus een meerderheid van twee stemmen is vereist.

De tweede zin vertaalt Hirsch: ‘en ook zal je ingeval er tegengestelde meningen niet stemmen tegen je eigen mening in, zodat het vonnis altijd volgens een (authentieke) meerderheid is’. Dat wil zeggen: je moet als rechter absoluut je eigen oordeel volgen en niet laten afhangen van andere factoren, cq de meerderheid. Maar als er eenmaal is gestemd dan is de meerderheid altijd beslissend. Daarom is het volgens de halacha geïndiceerd dat bij een hoofdelijke stemming de jongere rechters van de rechtbank eerst stemmen en dan pas de gezaghebbende oudste rechter (zeg: de president van de rechtbank), zodat ze niet in de verleiding komen zich door de meest gezaghebbende in het college in hun oordeel te laten beïnvloeden.(3)

Maar we kunnen deze bepalingen ook opvatten in de meer letterlijke zin als moreel appel aan allen: luister niet naar geruchten of gefabriceerde leugens, baseer je mening op ware en bewezen feiten.
Heel actueel te vertalen als: luister niet naar complottheorieën van grote groepen mensen die zich op leugens baseren. Rasjbam ((1085 – 1158, kleinzoon van Rasji) zegt bondig (ad loc): ‘Als naar jouw mening de meerderheid bezig is een verkeerd oordeel te vellen, blijf dan niet zwijgen, omdat zij de meerderheid zijn, maar kom met jouw mening. Dat gaat zelfs op als je van tevoren weet, dat ze jouw zienswijze niet accepteren, maar die van de meerderheid'.(5)

Hoe toepasselijk is dit voor het functioneren in commissies, colleges, parlementen en ook niet minder voor het discours in massamedia en dan hebben we het nog niet eens over de ‘social media'. De opvolging van dit gebod om coram populo tegen de pressie van een massale achterban integer te spreken en te handelen eist een grote mate van moed. Is niet één van onze grootste angsten door de meerderheid, verlaten, verguisd en verworpen te worden. Je eigen authentieke stem te ontdekken en te ontwikkelen en er dan achter te staan is sowieso al een levenslange taak en hem publiek te laten horen nog een dappere stap verder.

Noten
(1) Verschillende commentaren op de parasja Misjpatiem zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website 

(2) Rasji: vat het op zoals de Targum (Aramese vertaling) het weergeeft: je moet geen valse getuigenis accepteren (ernaar luisteren)

(3) Samson Raphael Hirsch, The Pentateuch - with Translation and Commentary, Judaica Press, 1962, Exodus, ad loc

(4) Vgl Jesaja  8:12: ‘Noem niet alles een samenzwering wat zij een samenzwering noemen. Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt, heb er geen ontzag voor’.

(5) Actueel: Republikeinse senatoren durven zich in de impeachment procedure niet tegen Trump uit te spreken uit angst voor represailles uit hun vermeend trumpiaanse achterban

RC feb 2021

Parasjat Jitro    Sjemot/Exodus. 18:1 – 20:23

Het geluid van Sinai

De parasja Jitro (1) begint met het bezoek van de schoonvader van Mosjee , Jitro (Jethro), die een zeer verstandig advies geeft aan zijn overbelaste schoonzoon: taken delegeren; en dat doet hij.  Na de beschrijving van de eerste fasen van de wonderlijke gebeurtenissen op en rond de berg Sinaj komt de uitroep van de ‘Aseret ha-Dibrot', de Tien Woorden, de Tien uitspraken ofwel de Tien Geboden (Sjemot/Exodus 20:2 e.v.). De Tien Woorden zijn op te vatten als de preambule van het verbond dat verder in het boek Sjemot/Exodus in detail (te beginnen in de volgende parasja Misjpatiem) wordt uitgewerkt. Het zijn de basisprincipes, waarop het verbond is gebaseerd. Waarom zijn ze revolutionair?


Het is niet een wereldlijke macht die deze woorden spreekt, maar een transcendente dimensie waaruit woorden neerdalen. Een machtig fenomeen op een berg, dat zich kenbaar maakt als de Ene of Enige. Het moet een overweldigende ervaring zijn geweest bij de Sinaj. De midrasj vertelt ons dat er sprake was van een één geweldig geluid, dat alle Tien Woorden tegelijk bevatte, een uiting zonder spatie of onderscheiding, waarvoor het volk vol ontzag terugdeinsde (2). Er was een verwerking nodig van deze intense ervaring van transcendentie. Dat gebeurde door een menselijke middelaar, Mozes, Mosjee (Deut 5:5). Deze kon de ontzagwekkende oerstem (kol gadol) vertalen in voor mensen begrijpelijke woorden. De daaruit resulterende Tien Woorden zijn het begin van de verwerking van deze ervaring. Je kunt ook zeggen: vanuit de lichthoogte boven het menselijk bewustzijn of vanuit de schemerdiepte onder het menselijk bewustzijn openbaarde zich plotseling wat als kiem van weten omtrent het juiste al klaarlag. Opeens kan het onder woorden worden gebracht. Het kan nu voortaan als geverbaliseerd bewustzijn door de gemeenschap worden gedeeld en besproken.

Een uniek kenmerk van de decaloog is dat deze sacrale en morele boodschap voor een heel volk gold en nog steeds een dringend appel doet. Hij klonk ten overstaan van het gehele volk, dat verzameld stond bij de ‘berg van God’, 600.000 zielen. De matan Tora, het schenken van de Tora, drukte een stempel in ieders hart en smeedde een losse massa van reizende vluchtelingen samen tot één volk. Volgens de midrasj waren ook alle zielen aanwezig van hen die nog geboren moesten worden. Het vandaag van toen (ha-jom, zie ook Deut 29: 11-14) is ook het vandaag van nu.

Dat ene Joodse volk heeft zich ondanks drieduizend jaar beproevingen en ondanks veel assimilatie vooral in de laatste twee eeuwen gehandhaafd, een wonderlijk fenomeen van duurzaamheid. Tegelijk is het ook een wonderlijk geschakeerd conglomeraat, dat allang niet meer homogeen om de religie heen staat en zich heeft vertakt in tal van bestaanswijzen. Voor de een ligt het anker van het Jood zijn nog steeds in de religie en de observante religieuze praktijk, voor de ander is het accent meer verschoven naar de culturele kant, de taal, de muziek, literatuur, de keuken, voor weer een ander ligt het zwaartepunt vooral op het zionisme en is de focus op het wel en wee van de staat Israël, voor weer een ander weegt de Sjoa en de traumatische familiegeschiedenis zwaarder dan de andere aspecten. Het signaleren en bestrijden van uitingen en daden van antisemitisme kan een belangrijk bestanddeel vormen van de Joodse identiteit (3). Natuurlijk zijn combinaties in wisselende samenstelling denkbaar. Maar ergens in het innerlijk van de joodse mens van welke sekse of pluimage ook echoot het geluid van de Sinaï dat geen tijd kent nog na.

Noten

(1) Verschillende commentaren op de parasja Jitro zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn  website  

(2) Zie bijv. Midrash Tanchuma, Yitro 11:2, Rabbeinu Bachya op sefaroa ad Ex 20:1 op sefaria.org geeft een uitgebreid overzicht van de midrasj.
Volgens vele commentaren hoorde het volk wel de eerste twee geboden, maar werden ze doodsbang en lieten de interpretatie toen aan Mozes over. Vgl Midrash Shir Hashirim Rabbah hfst 5, ‘de zielen van de Israelieten verlieten hen toen de Eeuwige sprak en toekwam tot dat gedeelte en ze konden het niet meer begrijpen etc’

(3) Geïnspireerd op de ‘schijf van vijf’ van Ido Abram zl, een de formule om de Joodse identiteit ook schematisch te illustreren (verschenen in Joods nu, jaargang 3, nr. 3, december 2017). Zie ook
http://stichtingleren.nl/wp-content/uploads/2019/05/De-Joodse-identiteit-is-geen-vast-gegeven-20dec17-1.pdf

Parasjat Besjalach Sjemot/Exodus 13:16-18

Terug naar Egypte?

Wie ooit echt honger of dorst heeft geleden zal weinig belangrijker vinden dan een stuk brood of een slok water voor hemzelf en vrouw en kinderen. Je moet wel sterk in je schoenen staan om zonder eten en drinken je met verheven zaken bezig te houden. De Israëlieten, net ontkomen aan de slavernij onder farao’s juk, hebben dat aan den lijve ervaren, zo lezen we in deze parasja Besjalach (1). Momenten van grote vreugde om de herwonnen vrijheid wisselden af met momenten van ontbering en wanhoop. Wanhoop aan de oever van de Rietzee toen het achtervolgende leger van de farao akelig dichtbij kwam, vreugde na de wonderlijke doortocht door de Rietzee. Wanhoop toen na een paar dagen in de woestijn de dorst toesloeg, opluchting toen die gelest kon worden bij de Mara bron. Daarna diende de honger zich aan. Een maand later in de dorre woestijn van Sin is het proviand van de uit Egypte meegenomen matzot  op. Het volk jammert en klaagt bij zijn leiders, Mosjee en Aharon. ( Exodus/Sjemot 16:3): De Israëlieten zeiden tegen hen: Och, waren wij maar   door de hand van de Eeuwige gestorven in het land Egypte, toen wij bij de vleespotten zaten en brood aten tot verzadiging toe! Want u hebt ons uitgeleid naar deze woestijn om heel deze gemeente van honger te laten sterven.

Rabbijn Samson Raphael Hirsch (2) heeft empathie voor de indringende verwijten van het volk aan de leiders: alle wonderen die het volk tot nu toe waren overkomen verloren hun betekenis in het gezicht van een mogelijke hongerdood van vrouw en kind. Hij citeert een gezegde: ‘het voorzien in dagelijks brood is een groter wonder dan het splijten van de Rode zee’. Werkelijke honger of de dreiging daarvan legt alle principes en goede voornemens het zwijgen op en zolang de mens niet is bevrijd van de drukkende last van de zorg voor het dagelijks brood is er geen ruimte voor de verwezenlijking van het programma van de vroomheid.

In toestanden van grote spanningen en hoge nood gaan mensen het verleden dat meestal bepaald niet zo geweldig was idealiseren. De Israëlieten dachten niet meer aan de onvrijheid en wreedheid van het slavenbestaan. Het karige rantsoen, dat ze als slaven kregen werd opgeblazen tot overvloedige vleespotten en broden. Later zeggen ze ook nog vis, komkommers, watermeloenen, prei, uien en knoflook van hun slavenmeesters te hebben gekregen (Num 11:5). (3) Honger roept fantasieën op van voedzame maaltijden.

De hang naar een geïdealiseerd verleden is sterk. Van de tien keer, dat de Israëlieten in kommervolle en benauwende omstandigheden tegen Mozes protesteerden maakten ze zeven keer gewag van een hevig terugverlangen naar Egypte. Zelfs veertig jaar later maakte een nieuwe generatie, die genoeg had van de lange en moeizame tocht en het eenzijdige voedsel, Mozes het verwijt, dat hij hen uit het land van de farao had gebracht.

We herkennen deze regressieve reactie in tijden van spanning ook nu nog.
Was de gouden eeuw wel zo goud? Waren de Oost-Duitsers ondanks hun onvrijheid onder het communisme niet beter af? Waren de vijftiger jaren van de vorige eeuw met dat touwtje uit de brievenbus wel zo authentiek en onbedorven?

Het verhaal van de Israëlieten maakt wel duidelijk, dat teruggaan naar het verleden geen oplossing is. Omkeren naar Egypte was geen optie meer. Ondanks alle ellende en protesten zat er voor de Israëlieten niets anders op dan moedig voorwaarts te gaan,  telkens weer,. Er kwamen oplossingen, het bittere water bij Mara werd zoet, het manna en de kwakkels vielen letterlijk uit de lucht, wonderlijke gebeurtenissen die als goddelijk ingrijpen werden begrepen.

In de huidige tijd moeten mensen zelf de verantwoordelijkheid oppakken en de hun gegeven vindingrijkheid aanwenden (en misschien zo dwingt het wonder afdwingen). Het enige wat het verleden biedt is dat we ervan kunnen leren.

Ook nu in deze coronatijd van lijden we aan honger naar fysiek en persoonlijk contact, velen hebben grote economische zorgen. Klachten en protesten zijn niet van de lucht. In ons groeit iedere dag het verlangen naar hoe het vroeger was, vòòr de pandemie, de tijd die we ‘het oude normaal’ noemen, een tijd die we wellicht spoedig al gaan idealiseren. Maar naar dat oude normaal kunnen we niet meer terugkeren. Hopelijk willen we het niet ten koste van alles opnieuw creëren. Het ligt definitief achter ons met al zijn (schijnbare) zekerheden. Het nieuwe normaal post corona dient zich aan en aan ons hoe dat eruit gaat zien.

noten

(1) Verschillende commentaren op de parasja Besjalach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn  website  

(2) Rabbijn Samson Raphael Hirsch, de Pentateuch, Exodus, ad 16:2

(2) Dat karig rantsoen is mijn veronderstelling. De midrasj in de Mechilta de Rabbi Yisrael, ad 16:3  schildert een heel rooskleurig beeld van het voedsel van de slaven in Egypte.

RC jan 2021

Parasjat Bo  Exodus/Sjemot 10:1–13:16

Wiedergutmachung

In hoeverre mogen de slachtoffers van slavernij of vergelijkbare uitbuiting alsnog het loon vragen voor de arbeid die zij of hun voorouders hebben geleverd al dan niet met vergoeding voor het leed dat zij hebben geleden? Of compensatie claimen voor het door hen gederfde aandeel in de opbrengsten, die hun onderdrukkers over hun rug hebben genoten? Het is een vraag die in deze tijd eerder aan actualiteit heeft gewonnen dan ingeboet. In de parasja Bo (1) vinden we een eerste behandeling in de geschiedenis van deze kwestie. 

Als het vertrek van de Israëlieten uit Egypte aanstaande is - net voordat de laatste plaag, de dood van de eerstgeborenen, over het land zal komen - verzoekt Mozes zijn landgenoten dringend (11:2 ), dat iedereen zilveren en gouden sieraden aan zijn (Egyotische) buren moet vragen, de mannen aan hun buurman, de vrouwen aan hun buurvrouw. De Eeuwige zorgde ervoor dat de Egyptenaren het volk goedgezind waren.

Mozes bracht daarmee tot uitvoering wat al eerder hem was opgedragen in hoofdstuk 3 vers 22: Alle vrouwen moeten aan hun buurvrouw en aan de vrouwen die bij hen in huis wonen, zilveren en gouden sieraden en ook kleren vragen. Die moeten jullie je zonen en dochters laten dragen. Zo zullen jullie de Egyptenaren beroven.
En bij de uittocht wordt nog eens bevestigd dat ze het ook gedaan hebben, zie hoofdstuk 12 35: Ze hadden gedaan wat Mozes had opgedragen en de Egyptenaren om zilveren en gouden sieraden en om kleren gevraagd. 36 En de Eeuwige had ervoor gezorgd dat de Egyptenaren hun goedgezind waren, zodat ze op hun verzoek ingingen. Zo beroofden ze de Egyptenaren.

De Tora spreekt van ‘vragen' (werkwoord sja'al) om deze kostbaarheden. Veel rabbijnen uit vorige eeuwen maakten zich niettemin zorgen over een mogelijk immoreel imago van plunderaars (2). Zij wijzen er graag op, dat de Israëlieten tijdens de laatste plaag van de driedaagse duisternis, terwijl hun eigen woonplaatsen in het licht waren, al die tijd de kans hadden alles van de Egyptenaren te stelen wat los en vast was; maar dat hebben ze niet gedaan en daarmee hun hoge morele peil bewezen in de ogen van de Egyptenaren. Daarvoor waren de Egyptenaren dankbaar en was het voor hen niet moeilijk hun kostbaarheden vrijwillig weg te geven.

Maar was dat vragen ook niet gebaseerd op een recht van de Israëlieten op materiële genoegdoening voor vele jaren slavenarbeid - gederfd loon zou je kunnen zeggen - en compensatie voor daarmee gepaard lijden. Rabbeinu Chananel (11e eeuw) zegt het heel duidelijk: De Eeuwige zorgde ervoor dat de Egyptenaren zich terdege van bewust waren, dat niets dat ze zouden geven kon opwegen tegen het loon dat deze mensen al die jaren nooit hadden ontvangen. Net zoals vele andere commentatoren wijst hij op de parallel met het voorschrift aan de eigenaar die zijn slaaf vrijlaat (Devarim/Deuteronomium 15: 12): u moet hem met gulle hand een deel geven van uw kudde, van uw graan en uw wijn, of van wat de Eeuwige u ook maar heeft toebedeeld. 15 Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de Eeuwige, uw God, u bevrijdde. Daarom geef ik u vandaag dit gebod

De Israëlieten hadden het recht om na zoveel jaren slavenarbeid niet met lege handen te vertrekken. Waar er geen werelds gerechtshof bestond om de Egyptische overheid te dwingen om aan deze verplichtingen te voldoen, zorgde een hemels gerechtshof ervoor, dat in de loop der gebeurtenissen dit universeel recht op genoegdoening werd gerealiseerd, aldus ongeveer commentator Umberto Cassuto (3). En dan hebben we het nog alleen maar over het gederfde loon en niet over de gepleegde misdaden zoals de door farao bevolen moord op de Israëlitische pasgeboren jongetjes.

Het hemels gerechtshof heeft nu zijn plaats afgestaan aan menselijke gerechtshoven en politieke commissies. Herstelbetalingen voor tijdens perioden van slavernij en oorlog geleden leed en gedane dwangarbeid staan momenteel weer in het centrum van de belangstelling, evenals emotionele genoegdoening in de vorm van excuses. Een voorbeeld is de discussie over de slavernij periode in de Nederlandse koloniale geschiedenis.

Nederland heeft in de 17e tot begin 19e eeuw zeshonderdduizend slaven vanuit Afrika verhandeld, deels naar Suriname. Toen de slavernij in Nederland in 1863 werd afgeschaft zouden volgens de rabbijnse uitleg deze slaven recht hebben gehad op uitbetaling van het loon voor de vele jarenlang geleverde arbeid. In plaats daarvan kregen de slavenhouders 300 gulden schadeloosstelling en moesten de ex-slaven nog verplicht 10 jaar lang op de plantages doorwerken alvorens als vrij man te mogen gaan en staan waar ze wilden. (4) Momenteel klinkt de roep om emotionele en materiele genoegdoening weer luid, mede onder de invloed van de Black Lives Matter beweging. Spijt heeft de Nederlandse regering betuigt in 2013, excuses (dat is kennelijk een stapje verder) kunnen er nog niet af, gezien de financiële claims die daarna zouden kunnen volgen. Overigens zouden de juridische kansen voor een succesvolle claim minimaal zijn, nu de slavernijperiode vele generaties achter ons ligt. (5) Een causaal verband tussen het slavenbestaan van meer dan honderdvijftig jaar geleden en de materiele en psychische toestand van de individuele nakomelingen nu (die hun afstamming ook zouden moeten kunnen aantonen) is haast niet juridisch aantoonbaar, al is de morele verantwoordelijkheid voor de sociaal culturele gevolgen daarmee niet verdwenen. (6) Aantoonbaarheid van causaal verband was uiteraard geen centraal probleem bij de Duitse herstelbetalingen aan de (nakomelingen van) de Joodse oorlogsslachtoffers in de Tweede Wereldoorlog.
Ook nu is slavenarbeid of daarmee gelijk te stellen uitbuiting wereldwijd aanwezig en zal de roep om compensatie nog vaak klinken.

Toch zou je je kunnen afvragen: als de Israëlieten recht hadden op compensatie waarom moest Mozes er dan op aandringen dat ook te vragen? Het zou te maken kunnen hebben met de walging die de vernederden en onderdrukten kunnen voelen als ze contact moeten hebben met hun voormalige folteraars of beulen,  de weerstand om nog iets met hen te maken te hebben, de trots om iets van hun rijkdommen aan te nemen, waar compensatie voor het onrecht en psychisch leed eigenlijk onmogelijk is. Een aanmoedigging om hierom tocht vragen is dan nodig: vandaar de aandrang van Mozes. (7) Nog recent in het begin van de nieuwe natie Israël hebben we dat zich zien afspelen.

Begin vijftiger jaren van de vorige eeuw was Menachem Begin rabiaat tegen onderhandelen met de Bondsrepubliek Duitsland over herstelbetalingen ter waarde van anderhalf miljard dollar. Kon dit akkoord wel geaccepteerd worden? Heftig werd het debat gevoerd. Het was een klap in het gezicht van de overlevenden en hij zou het akkoord bestrijden op leven en dood. Het merkwaardige is dat een enquête onder het volk uitwees, dat 80% het met hem eens was, aanhangers van hem bestormden zelfs de Knesset. Ben Gurion loodste het niettemin door hem met de Bondsrepubliek gesloten akkoord succesvol door het parlement (61 vóór, 50 tegen, 5 onthoudingen); uiteindelijk heeft de opbouw van Israël hier wel bij gevaren.(8)

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Bo zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn  website  

(2) Naast ‘vragen’ is er sprake van ‘beroven’ (werkwoord ‘ nitseel ') van Egyptenaren, althans zo wordt het vrijwel overal vertaald, soms zelfs met plunderen (Engels: spoil). Het kenmerk van roven is toch dat je neemt tegen de wil van de beroofde en niet vraagt (tenzij onder dreiging van geweld). Is het wel een zuivere vertaling? Het woordenboek van Pimentel geeft voor ‘nitseel' ook de betekenis van ‘exploiteren, gebruik maken van'. Omdat de Egyptenaren zoals de tekst meldt graag hun goud, zilver en kleren gaven – wellicht ook uit angst voor verdere rampen – lijkt een vertaling van ‘van de gelegenheid gebruik maken', ‘ausnützen' beter op de plaats. Umberto Cassuto spreekt over dit ‘roven' van een stilistische overdrijving. Een samenvatting van rabbijnse meningen in het commentaar van Rabbijn Samson Raphael Hirsch ad loc.

(3) Umberto Cassuto, a Commentary on the Book of Exodus, p. 44

(4) https://historiek.net/slavernij-suriname-a-curacao/4386/

(5) Over de excuses van de gemeente Amsterdam

(6) Bij het congres van de US ligt een voorstel over reparations voor de black community

(7) uitgebreider zie https://www.hagalil.com/archiv/2004/10/wiedergutmachungsabkommen.htm

(8) Hoewel de omstandigheden tussen deze Wiedergutmachung en de Exodus niet volledig vergelijkbaar zijn, zou Nachmanides dit waarschijnlijk hebben ondersteund. Hij ziet het geven van de gouden en zilveren voorwerpen als een erkenning van schuld door de Egyptenaren en als een impliciete vraag om vergiffenis; het ontvangen van de geschenken geeft de Israëlieten de gelegenheid vergiffenis te schenken en daarmee hun wrok en boosheid in Egypte achter te laten en zich te openen voor een nieuwe vrijheid (zo ongeveer de weergave in Harvey Fields, in zijn ‘Commentaar voor deze tijd’  Exodus, p 30).

Parasjat Waëra                Sjemot / Exodus 6:2 – 9:35

De hardheid van het hart

Al in hoofdstuk 4 als Mozes de reis is aangevangen vanaf de tenten van zijn schoonvader Jetro en nog voordat hij in Egypte is teruggekeerd hoort hij dat de
Eeuwige het hart van de farao, van wie hij de vrijlating van de Israëlitische slaven gaat eisen, zal verharden. (4:21 achazek). En inderdaad, na elke plaag die over Egypte kwam (behalve de laatste, de dood van de eerstgeborenen) staat er dat de farao zijn hart verharde. (1)

Wat betekent dat verharden? In het Hebreeuws worden hiervoor drie werkwoorden gebruikt, die resp. afgeleid zijn van kasjè, hard, chawed, zwaar en chazak, sterk. Farao dan wel de Eeuwige maakt farao’s hart resp. hard, zwaar of sterk. Rabbi Samson Raphael Hirsch (19e eeuw)(2) onderscheidt hier een verschil in betekenis. Daarbij moeten we beseffen, dat de betekenis van lev (soms Levav), hart, in het oude Hebreeuws niet zozeer een emotionele associatie met liefde heeft als wel met wil, moed, intentie. Een hart dat kasje is, hard, staat niet open voor indrukken, is afgesloten, onverschillig. Een hart dat chawed, zwaar, is staat wel open voor indrukken, maar laat zich niet bewegen tot koersverandering, maar kan uiteindelijk met veel moeite toch geraakt worden. Een hart dat chazak, sterk, is is vastbesloten en weert alle met die wil tegenstrijdige indrukken af. In die zin is het verharde hart onvrijheid; de overmatig versterkte wil staat niet open voor wat de werkelijkheid nog voor andere mogelijke aanzichten en mogelijkheden biedt. Het is blind voor welke tekenen, signalen, mogelijk zelfs wonderen zich voor ogen afspelen. Het tegendeel van een ‘open mind’

Een bekende theorie in de sociale psychologie - de dissonantie-theorie van Leon Festinger – sluit eigenlijk mooi aan op deze uitleg van Rabbijn Hirsch en werpt mede een licht op de koppigheid van farao en zijn verharde hart. Festinger signaleerde en toonde in experimenten het volgende aan.(3)
Als we eenmaal een beslissing hebben genomen of een keuze hebben gemaakt veroorzaakt alle informatie die we daarna (bijvoorbeeld over ongekozen alternatieven) opdoen en die tegenstrijdig is met onze keuze of onze beslissing tegenspreekt dan wel die in twijfel trekt een onaangename gevoel, een dissonantie. We zullen dan heel ver kunnen gaan om die dissonantie ongedaan te maken. Dat doen we dan door informatie te zoeken die de voordelen van onze keuze of beslissing overmatig zal vergroten. We zullen de voordelen van de ongekozen alternatieven minimaliseren en de nadelen ervan overdrijven. We kunnen zelfs informatie over die alternatieven geheel negeren of vermijden. De auto die we net na veel twijfel en prijsvergelijking hebben gekocht is achteraf altijd veel beter dan de auto’s die we ook hebben bekeken maar niet gekocht. We zien dat heel sterk bij ideologische overtuigingen, die zich rotsvast in onze geest hebben genesteld en die moeilijk toegankelijk zo niet immuun zijn geworden voor welke alternatieve of tegenstrijdige informatie dan ook. We zijn bijvoorbeeld alleen maar bezig ze bevestiging te zoeken op internet of in onze sociale media bubbel. Zo’n overtuiging wordt een onderdeel van de identiteit en is geladen met prestige.  Echt gevaarlijk wordt het als die overtuigingen zijn gebaseerd op valse of foute informatie en gepaard gaan met het systematisch afweren van kennisneming van de feiten die die overtuiging onderuit zouden kunnen halen. Het geweld ligt dan om de hoek. U mag zelf invullen waar u dat om u heen ziet (of herkent u het een beetje in u zelf?).

Farao is het prototype van de ideologische machthebber. Hij houdt, gesteund door zijn adviseurs (chatoemiem, zegt de Tora, schriftkundigen), tot het uiterste vast aan zijn besluit het volk van Israel niet te laten. De funeste gevolgen van dat beleid zal hij minimaliseren en negeren. Niet alleen telt zijn overtuiging dat het nuttige en goedkope arbeidsreservoir van stenenbakkers en stedenbouwers behouden moet worden, ook zijn prestige van politieke en theologische opperbaas, de kern van zijn identiteit, staat op het spel. Hij is verblind en verdoofd voor de signalen, die hem bereiken – of op zijn minst bagatelliseert hij ze –, signalen die hem aan het verstand proberen te brengen, dat zijn beleid van tirannieke onderdrukking van een hele bevolkingsgroep onrechtvaardig is. Alleen een totale crisis kan nog verandering brengen. De rampzalige consequenties moeten zo groot worden, dat het bastion van zijn politieke en theologische prestige bezwijkt; dat gebeurt pas als hij in zijn eigen familie wordt getroffen door het verlies van zijn zoon.

Rabbi Jonathan Sacks z.l. geeft nog een bijzondere ingenieuze interpretatie, die ik waag kort aan te raken.(4) Hij beziet de ‘zwaarte’ (chawed) of het ‘gewicht’ van farao’s hart in het licht van het Egyptische geloof, dat na de dood het hart van de dode gewogen wordt op een weegschaal met op de ene schaal het hart en op de andere schaal een veer, die het Egyptische principe van kosmische orde en gerechtigheid (de godin Maät) belichaamt. De handhaving daarvan was zijn goddelijke taak. Met iedere daad van onderdrukking van de Israëlieten (eerst misschien nog begrijpelijk als strategische beslissing) werd het hart van farao zwaarder, zijn schending van de kosmische orden en gerechtigheid groter; het gewicht zal dan doorslaan naar onheil. Met dit voor Egyptenaren te begrijpen metafoor van het gewicht van het hart werd het verhaal van de plagen en de uittocht een verhaal dat niet alleen aan de Joden maar ook aan de Egyptenaren was gericht en belicht het de universaliteit van gerechtigheid. Het is een verhaal voor de hele wereld met als boodschap dat het ingrijpen van de Almachtige in de geschiedenis aan de kant staat van machteloze minderheden, aldus heel pregnant samengevat rabbijn Sacks.

noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Waëra zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn  website  

(2) R. Samson Raphael Hirsch, The Pentateuch, Exodus, Judaica Press, 1973, ad Ex. 7:3

(3) Zie bijv. https://www.apa.org/pubs/books/Cognitive-Dissonance-Intro-Sample.pdf

(4) In zijn commentaar van 5780 https://rabbisacks.org/vaera-5780/

 

Parasjat Sjemot |  Sjemot/Exodus 1:1–6:1  

Vreemdelingen  

De familiekroniek van Genesis gaat in het boek Sjemot/Exodus over in de geschiedenis van een natie in wording. Al snel groeien de nakomelingen van Avraham, Isaac en Jacob, die ontkomend aan de honger en op zoek naar een beter leven zich dankzij de bemiddeling van de tot onderkoning opgeklommen Jozef in Egypte hadden mogen settelen, uit tot een talrijk volk, zo lezen we in de sidra Sjemot (1). De farao, die Joseef niet meer heeft gekend en die verontrust is geraakt door het groeiend aantal immigranten aan de grens van zijn rijk, noemt de aanvankelijk vrije immigranten aan de grens van zijn rijk een ‘am benee jisrael', een volk van kinderen van Israel (1:9), maar dan begint de gedwongen bouwarbeid aan steden (en misschien ook pyramiden). Even verderop in deze sidra als de onderdrukking door de Farao genocidale vormen heeft aangenomen met als doen de groei van het volk te stoppen worden de dwangarbeiders ook aangeduid als Hebreeën, ivriem, namelijk bij de episode van de ‘vroedvrouwen van de Hebreeën’ Sjifra en Poea, die het bevel van de farao om na de bevalling de jongetjes te doden, trotseerden (1:15). De populaire etymologie van de term Hebreeën legt een link met avar, voorbijgaan, overtrekken (van een rivier). Avraham is op zijn weg naar Kenaän rivieren als de Eufraat overgetrokken en wordt een Ivri , een Hebreeër, ‘eentje van de overkant van de rivier’,  genoemd (Genesis/Beresjiet 14:13).  De bekende semiticus en commentator Umberto Cassuto († 1951) legt echter een verband met een andere woordstam die ook in Akkadische en Egyptische documenten voorkomt en die de betekenis heeft van vreemdeling of nieuwkomer in een vreemd land die harde arbeid verricht, zeg maar een antieke vorm van gastarbeider.(2)

De Hebreeën als een met harde arbeid onderdrukte minderheid van vreemdelingen ver van hun land van herkomst dat is het onderwerp van de sidra Sjemot. De Tora schrijft over hoe die Hebreeën van het juk van de farao loskomen en worden tot een vrij volk van Israëlieten, maar vraagt in haar voorschriften meermalen nadrukkelijk dit vreemdelingschap nooit te vergeten. Een markant voorbeeld: eenmaal in het beloofde land moesten de eerste opbrengsten van de oogst (bikoeriem) aan de Tempel worden aangeboden met de plechtige recitatie van een beknopte samenvatting van het bevrijdingsverhaal waaronder de woorden (Deuteronomium/Devariem 26:5): ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen etc.', zinnen die we herkennen als centraal onderdeel van de Hagada, de handleiding van teksten en liederen bij de seidermaaltijd op de eerste twee dagen van Pesach.

Vanaf het ontstaan van het Israëlitische (later Joodse) volk heeft zich in de psyche een diepgaande vertrouwdheid genesteld met het vreemdeling zijn. In Exodus lijkt wel een scenario vastgelegd dat zich talloze malen zou herhalen.
Vele exodussen zijn nog gevolgd, meestal niet vrijwillig. Vele eeuwen Joods vreemdelingschap zijn er nog gevolgd in bijna alle landen van deze wereld! En hoe vaak is het niet voorgekomen, dat net als we denken geen vreemdeling meer te zijn we er verbaal en soms hardhandig weer aan worden herinnerd.
Ergens binnenin hebben we nog voeling met het vreemdeling zijn en het verlangen naar een ooit komende veilige thuiskomst. Als Joden zijn we het prototype voor allen die zijn gedwongen huis en haard te verlaten om elders toevlucht trachten te vinden. Als minderheid in andere landen zijn we gemakkelijk de bliksemafleider geweest voor economische, psychologische en spirituele frustraties. Alertheid op mogelijke ontwikkelingen in die richting is een tweede natuur geworden. Ook in het herwonnen thuisland van de relatief nieuwe staat Israël is die alertheid te midden van een wereld met antizionistische tendensen terecht nog niet verdwenen.

Eigenlijk zijn we als archetypische vreemdelingen exemplarisch voor het existentiële vreemdelingschap van ieder mens. Israël als pilotproject voor de mensheid. Want zijn we deep down niet allemaal, Joden en niet-Joden, hoe verschillend vaak ook, vreemdelingen op deze aardbol. "… want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn.", zegt de Eeuwige (Leviticus/Wajikra 25:23).
Moeten wij, zonder zin vooraf geworpen in het bestaan op aarde, zoals de existentialistische filosofen beweren, ons leven zelf ontwerpen? Wij willen er liever vanuit gaan, dat in ieder leven een zin verborgen, ontdekt en ontplooid wil worden tijdens het aards verblijf, dat ons is gegeven en dat naarmate je ouder wordt maar een korte tijd in beslag lijkt te nemen. Het besef dat we als mens het vreemdelingschap existentieel met alle andere mensen gemeen hebben kan ons helpen elkaar met nieuwe en meer liefdevolle ogen te bezien. Een gezegend en gezond 2021!

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Sjemot zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn  website  

(2) U. Cassuto: Commentary on the Book of Exodus, Magnum Press, Jerusalem. 1951,1967, p 13

RC jan 2021

Parasjat Wajechi

Een tsaddik onder de broeders'

Beresjiet/Genesis 47:28-50:26

door Rob Cassuto    

Deze parasja verhaalt over het sterfbed van Ja’akov, die nog 17 jaar in Egypte heeft geleefd, als zijn einde nadert. Hij bezweert Jozef zijn lichaam te begraven in het land Kena’an in de grot Machpela, waar zijn voorvaderen liggen. Hij zegent de twee zonen van Jozef, Efrajim en Menashe en roept zijn zonen bij elkaar. Na zijn laatste woorden tot hen sterft hij, 147 jaar oud. Een grote stoet begeleidt zijn gebalsemde lichaam naar de grot Machpela. Na de dood van hun vader zijn de broers van Jozef alsnog bang voor de wraak van Jozef, maar deze stelt hen gerust. Ze mogen in alle vrede in Egypte blijven wonen in de landstreek Goshen. De dood van Jozef, 110 jaar oud, besluit het eerste boek van de Tora, Bereshiet/Genesis. Ook zijn lichaam wordt gebalsemd. Jozef heeft nog voorspeld dat ooit het volk van Israël zal terugkeren naar het land van herkomst en hij laat beloven zijn lichaam dan mee te nemen.

De familiekroniek is afgesloten en in het volgende boek Shemot/Exodus zal een natie geboren worden.

Terug naar het sterfbed van Jacob.
Jacob roept zijn zonen bij elkaar om hen te vertellen, wat in ‘latere dagen zal gebeuren’.
Voorspellingen zijn het maar ten dele. Het lijken eerder karakterschetsen, die de door het leven getekende oude vader zijn weerbarstige zonen voorhoudt in een stroom van in koortsdroom voortijlende beelden.

Bijbelwetenschappers kenmerken deze verzen als een zang, die gecomponeerd is in de tijd van de Richteren en die een epische schets geven van de situatie van de stammen in het toenmalige Kena’an, een zang die later is ingevoegd in het verhaal van Jacob (vermeld in G. Plauts Tora uitgave).

Los van de filologie en meer in de sfeer van tekstcommentaar lopen de meningen over de intentie van Jacobs zwanenzang uiteen. Sommigen zien deze laatste woorden van Jacob in de educatieve sfeer; hij houdt de zonen als het ware een spiegel voor, een confrontatie in soms lovende, soms snijdende bewoordingen. Met deze confrontatie moeten sommige zonen het doen. Shimon en Levi bijvoorbeeld krijgen het flink voor hun kiezen. Wat moeten de mannen met deze woorden:

(HSV) Shimon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen;
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.

Duidelijk klinkt hier de verbittering bij Jacob door over de wrede en gevaarlijke wraakneming van de twee broers op de bewoners van Shechem. De vader neemt afstand van de twee mannen en wil niets meer met hun plannen te maken hebben.
Inderdaad schijnt in de loop van geschiedenis van de twaalf stammen in het land Kena’an de stam van Shimon betrekkelijk gauw verdwenen te zijn, opgegaan in de stam van Juda.
Dat de afstammelingen van Levi, de Levieten, zulke vrome dienaren van de ark en de tempel zouden worden is uit deze woorden niet af te leiden.

Andere commentatoren leggen het accent op de uitverkiezing van Juda als de nieuwe leider onder zijn broeders. Duidelijk komt dat tot uiting in Jacobs woorden: ‘voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen’. Nog niet lang geleden had Juda leiderschap getoond door zich als woordvoerder op te werpen voor zijn broeders met zijn indringende pleidooi tegenover de onderkoning voor het sparen van zijn jongste broer Benjamin. Jacobs woorden zouden volgens deze commentatoren dan een soort verantwoording zijn van zijn keuze voor Juda tegenover zijn andere zonen. Hij is ook de enige, die direct wordt toegesproken:

Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
Juda is een leeuwenwelp;
van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon, en zo verder.

Naast Juda is het Jozef, over wie de meest lovende en zegenrijke woorden worden uitgestort. Ook Jozef krijgt zijn deel. Jacob erkent de beproevingen die zijn zoon doorstaan heeft:

Boogschutters hebben hem verbitterd,
beschoten en hem gehaat,
maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –

Zo gaat de stortvloed van zegeningen voor Jozef verder, lees zelf verder in uw Tenach of bijbel.

Eigenlijk is het merkwaardig, dat Jozef niet als de leider wordt aangewezen. In de eerste plaats was hij feitelijk al de leider en de meest machtige van zijn broeders.
Maar ook Jozefs levensloop en karakterontwikkeling zouden er alle reden toe hebben kunnen geven. Van verwende arrogante jongen met vele talenten, een dromer, ontwikkelt hij zich in een grillige levensloop vol tegenslagen tot een man, die zich zelf niet meer centraal stelt, maar zich een instrument weet in dienst van een hoger doel. Een man, die door zijn broeders is verraden, tot slavernij is gebracht en in de gevangenis is terecht gekomen, maar die zich niet door wraak laat leiden, maar de stap doet naar vergevingsgezindheid. Hij redt niet alleen zijn eigen volk van de catastrofe, maar ook het volk van Egypte door transformatie van zijn visionaire gaven in vooruitziendheid en wijze strategie.

Ondanks dat voorvoelde Jacob, ergens voorbij de muren van de tijd, dat op Juda de bestemming rustte van de continuïteit van het Joodse volk. Alleen zijn stam zou uiteindelijk (met die van Benjamin) de geschiedenis overleven tot in de moderne tijden en zijn naam zou de naam worden van dat volk, het Joodse volk.

Niettemin blijft Jozef in de Joodse traditie in wijsheid en deugd boven allen uitsteken, een unieke figuur. Hij wordt een tsaddik genoemd.

RC dec 2020

Parashat Wajigasj Beresjiet/Genesis 44:18 – 47:27

De paradox van de twee lagen

Als Joseef na de emotionele pletrede van Juda de overtuiging heeft gekregen, dat zijn broeders werkelijk ten goede zijn veranderd, kan hij zich bekend maken als de broer, die zij ooit verkocht hebben aan de karavaan van de Midjanieten. De broeders zijn eerst verbijsterd en bang, maar de onderkoning Joseef stapt als het ware van zijn troon af en laat de geschrokken schare dichtbij hem komen. Hij bezweert hen niet bang of boos te zijn. Niet met zoveel woorden vergeeft hij de mannen hun schuld – maak jezelf niet langer verwijten, zegt hij – en hij plaatst de hele keten van gebeurtenissen, die hebben geleid tot de hoge en machtige positie die hij nu heeft in een ander perspectief, dat van de Goddelijke voorzienigheid:  
Beresjiet Genesis 45: 7 (NBV) ‘God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie voortbestaan op aarde veilig te stellen; zo wilde hij veel levens redden'. 

Die Goddelijke voorzienigheid is in de laatste eeuwen van verlichtingsdenken en moderniteit nogal in discussie gekomen, zo niet door de meeste moderne denkers als idee verlaten.  
In de 18e eeuw deden de vaak nog christelijk georiënteerde filosofen een poging om het beeld van een God die een goede wereld heeft geschapen en een voortreffelijk plan heeft uitgestippeld te verenigen met enerzijds de onloochenbare feiten van de natuurrampen en het morele kwaad en anderzijds met de steeds verfijndere concrete wetenschappelijke feiten van een wereld die voor de verklaring van de verschijnselen geen God nodig heeft. In veel van hun redeneringen werd het kwaad gezien als een door God ingestelde onvermijdelijke omweg naar de uiteindelijke goede eindbestemming. (1)
Later werden door moderne filosofen en wetenschappers deze soort pogingen geheel gestaakt en gingen vele (existentialistische) denkers de menselijke positie zien als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de uitdaging het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen levensontwerp maken, enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Moedig en opstandig bepaalt hij zijn eigen lot.   Sterk wordt de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid voor het eigen leven en de vrijheid om vorm te geven aan dat leven, dat in grote mate maakbaar is.

In die sfeer kan Joseef gezien worden als een schoolvoorbeeld van iemand die er het beste van heeft gemaakt. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn lot. Hij had een helder verstand, een prima intuïtie, een vermogen om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen. Die gaven heeft hij uitstekend gebruikt. De misdaad die zijn broers aan hem gepleegd hadden heeft hem uitgedaagd zijn talenten tot het uiterste uit te buiten. De hele reeks gebeurtenissen rond Joseef kunnen prima geduid worden als bepaald door de acties van een man, die verantwoordelijkheid neemt, zelfvertrouwen heeft en vastbesloten is. Zò is hij opgeklommen uit het dal naar de top, misschien een beetje geholpen door gelukkig toeval.   Waar is er die superviserende Voorzienigheid voor nodig?  

En bovendien: een Goddelijke voorzienigheid, die misdaden nodig heeft om zijn voorziene doelen te bereiken, is die wel te verdedigen? Het is opvallend hoe vaak de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, dwalingen, vooruit: zeggen we ‘zonden', de geschiedenis juist essentieel vooruit hebben helpen duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis van de mensen; de jaloersheid van zijn broers brengen Joseef - en uiteindelijk de Israëlieten – in Egypte; de zonde van Juda met Tamar brengt het nageslacht voort dat zal leiden tot koning David en diens zonde met Batsjeva en de moord op haar man brengen de grootste koning van Israel voort, Sjlomo ha-melech, koning Salomo.   ‘Overtredingen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israel; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn uitverkoren volk te bevorderen'. (2)

Het blijft een lastige kwestie. Hoe het ook zij, Joseef zelf had de ervaring, dat hij instrument was van een Goddelijke hand. Had hij dat verkeerd? Hoe kunnen we dat in ons hedendaags denken rijmen?
Mijn indruk is, dat in het beste van het Joods gedachtegoed de paradox geduld kan worden, dat er als het ware twee bestaanswijzen naast elkaar kunnen bestaan, twee lagen van bewustzijn, waarin de wereld en het menselijk bestaan gepercipieerd en onderzocht kan worden.  (3)

De eerste laag is de laag van het contingente en concrete gebeuren in de wereld, waarin de mens tot op grote hoogte de vrije wil ervaart om binnen gegeven voorwaarden beslissingen te nemen en zijn leven en omgeving vorm te geven. Het is goed te doen om in deze laag te leven zonder idee van voorzienigheid; er is geen vooraf ingebouwde voorzienigheid of zin.   De wetenschap is de meest rationele uitbouw van deze bestaanswijze.
De met hoe dan ook met enige reflectie (misschien mogen we zeggen met religiositeit in de meest ruime zin) behepte mens is daar toch niet tevreden mee. Hij vermoedt een tweede laag, een hogere of diepere laag, die zich stelt boven (of onder) alle contingente fenomenen en menselijke onderscheidingen zoals bijv. goed en kwaad, een laag waarin iets gewaar of vermoed kan worden omtrent onder- of bovenliggende richting, sturing, bestemming.   Wat je als mens kan doen is je daarvoor trachten open te stellen en proberen te zien of te luisteren naar wat de weg is die hem wordt aangeboden vanuit een volstrekt andere dan de vertrouwde dimensies.

In die termen is de kwaliteit van Joseef geweest om in de nood van het moment open te staan voor die diepere/hogere laag en voor de tekenen, die de noodzakelijke richting aangaven; wie weet geeft een dergelijke openstelling voor die andere dimensie (God zo je wilt, maar je mag het ook ongenoemd laten) de gelegenheid zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is. Dat inzicht over hoe dat bij hem het geval was moet bij Joseef ten volle ingedaald zijn, toen hij zijn broeders na ruim twintig jaar weer voor zich zag. 

RC dec 2020

Parasjat Wajesjev   Beresjiet/Genesis 37:1-40:23

Lotsbestemming

Jacob had Jozef, de zoon van zijn geliefde overleden vrouw Rachel, meer lief dan diens negen broers, de zonen van zijn andere vrouw Lea. Daar hadden die broers moeite mee, zij moesten had werk doen, terwijl Jozef rondliep in zijn veelkleurige mantel, geschenk van de vader aan zijn oogappel. Bovendien controleerde Jozef hen ook nog eens als een soort werkmeester en bracht hij allerlei praatjes over hen aan hun vader over wat ze allemaal niet goed zouden doen. (37:2) Als toppunt vertelde de arrogante knaap ook nog eens over dromen die hij had over hoe hij de baas zou worden van de hele familie. (37:5 ev.)

Lange tijd gedoogden de broers de situatie, maar ‘ze konden niet met hem spreken in vrede', staat er letterlijk, lo jochloe dabro le-sjalom. De veel geraadpleegde Middeleeuwse commentator Rabbi Shlomo Jitschaki (Rasji) zei ongeveer: het is niet goed, dat ze dat deden, maar je moet toegeven, dat ze met hun mond niet iets anders zeiden dan ze in hun hart voelden. Ze hebben van hun hart geen moordkuil gemaakt. Boze burgers, boeren en buitenlui tegen de elite. Met beide partijen kon het op den duur niet goed gaan.

De broers konden geen goede oplossing voor hun haatgevoelens vinden. Toen hun jonge broertje in opdracht van zijn vader Jacob hen in het afgelegen weidegebied ver van huis kwam opzoeken, met weer die prachtige kaftan aan, om hen weer eens te inspecteren ontlaadde de haat zich en besloten ze hem te doden. Uiteindelijk doodden ze hem niet en – een idee van Jehoeda – verkochten ze hem als slaaf aan een passerende handelskaravaan op weg naar Egypte.

Wat zou er gebeurd zijn, als de broers meer begrip hadden gehad voor de jeugdige overmoed van de puber Jozef en meer compassie voor Jacob en zijn speciale gevoelens voor de zoon van zijn zozeer gemiste overleden Rachel.
Wat zou er gebeurd zijn als de jonge Jozef meer inzicht had gehad in zijn eigen gedrag en meer empathie had gehad voor zijn hard werkende broers? Wat als ze een groepssessie hadden gehouden om het eens uit te praten? (dat zou meer dan twintig jaar later wel gebeuren, zie parasja Wajigasj)

We zullen het niet weten, maar waarschijnlijk zouden Israël en de Joden in de geschiedenis zijn verdwenen zoals alle verwante volken. Wat we wel uit de komende parasjot in de Tora weten is, dat ongeweten de broers toen met de verkoop van Jozef als slaaf naar Egypte hun redding uit de ooit komende hongersnood vooruit hebben gezonden. Maar de prijs was hoog. En dat de geschiedenis niet lineair verloopt en volgens ethische paden maken deze verhalen in Genesis maar al te zeer duidelijk. Het is vaak juist middels overtreding van de moraliteit dat de geschiedenis van Israël verder wordt gebracht. Is daaronder nog een goddelijk plan werkzaam?

De rabbijnen meenden van wel en vonden aanwijzingen in de tekst voor goddelijke sturing. Zo vroegen sommigen zich af: Waarom zond de vader zijn geliefde zoon op deze riskante missie naar een plek waar ver van het vaderlijk toezicht zijn jaloerse broers samenhokten? De tekst luidt.:
37: 14: Zo stuurde hij (Jacob) hem (Jozef) het dal van Hebron uit
Rasji merkt op(2): Hoezo ‘uit het dal van Hebron’  me-èmèk Chevron?  Hebron ligt immers op een berg? Maar de diepe (èmèk = diepte) betekenis is, dat met het dal van Hebron Avraham is bedoeld, die daar begraven is en aan wie ooit is gezegd (Gen 15:13): ‘Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken’. Met het wegsturen van Jozef op zijn gevaarlijke missie werd een eerste stap gezet in de realisatie van deze door de Eeuwige aan Avraham onthulde lotsbestemming. Jacob gaf onbewust gehoor aan deze voorspelling.

Het vers gaat verder met:
en hij kwam naar Sichem. 15Een man trof hem aan, want zie, hij was aan het ronddwalen op het veld, de broers waren niet op de afgesproken plek. Waarom keerde Jozef niet terug en bleef hij ronddwalen bij Sichem toen zijn broers niet vond? en de man vroeg hem: Wat zoek je? De man weet waar zijn broers zijn, verderop in Dotan. Wanneer er sprake is van een anonieme ‘man' gaat het in de Tora meermalen om een instroming in de manifeste wereld van een transcendente kracht, die een lotsbestemming verder brengt. Soms wordt hij een ‘man' genoemd, zoals de mannen die bij Awraham op bezoek komen en hem de geboorte van Jitschak in het vooruitzicht stellen; en denk ook aan de ‘man' met wie Jacob heeft geworsteld aan de Jabbok. Soms wordt hij een boodschapper genoemd. een malach, Griekse equivalent:‘angelos' dat is geworden tot onze Nederlandse ‘engel'. Rasji verklaart beknopt, dat het hier gaat om (de engel) Gabriël. Daarmee kiest deze commentator duidelijk voor de interpretatie dat het hier een ingreep van de Eeuwige betreft, die Jozef verder naar zijn lot bracht.

noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajesjev zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA   , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) Rasji ad loc. Targum Jonathan (Aramese bijbelvertaling) op Genesis 37:14 vermeld dat expliciet: Maar hij zond hem overeenkomstig het diepe raadsbesluit dat werd gesproken tot Avraham in Hebron: want op die dag begon de gevangenschap in Mitsrajiem (Egypte)
Zo ook het commentaar van de Shelah (plm 1600) Genesis 37:14 with Shenei Luchot HaBerit (sefaria.org)

Parasjat Wajisjlach  Genesis/Beresjiet 32:4 – 37

Overwinnen met een litteken

Jacob is op de terugris vanuit Charan naar de tenten van zijn jeugd. Zijn broer Esau, die hij tweeëntwintig jaar geleden ontvlucht was trekt hem tegemoet, beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jacob de ontmoeting met zijn vermoedelijk wraakzuchtige broer naderen en hij vreest het ergste. Verschillende preventieve maatregelen treft hij. Hij verdeelt zijn mensen over verschillende plaatsen, zend rijke geschenken aan vee vooruit. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje aan de beek Jabbok en vecht met een onbekende man

De nacht van Jacobs worsteling met de ‘man'  (iesj ) ontpopt zich als een beproeving. De paradox is dat de duistere kracht die Jacob aangrijpt en het op zijn ondergang voorzien lijkt te hebben, hem kwetst aan zijn heupspier, zich in de loop van het gevecht onthult als engel van licht die Jacob kan zegenen en hem een nieuwe identiteit (als ik dat beperkte woord kan gebruiken) in leidt. Het is Jacob die zijn inzet ten volle moet geven, maar als hij dat dan ook doet, wil de tegenstand wijken en blijkt daarachter de goddelijke zegen schuil te gaan.

In zijn jonge jaren was Jacob jaloers op Esau, hij wilde de macht en de ongeremde spontaniteit van de door de vader zo geliefde Esau hebben en aan het ziekbed van zijn vader kleedde hij zich zelfs in Esau's kleren, wilde als het ware in zijn schoenen staan. Nu vindt hij zijn werkelijke identiteit en zijn missie: man te zijn van de geest, die het primaat heeft boven de illusie van fysieke macht en materiële rijkdom. Het nachtelijk gevecht betekent ook de rekenschap die Jacob zich moet geven over zijn leugenachtig en jaloers gedrag tegenover zijn vader en zijn broer, een ‘ chesjbon hanefesj' , een afrekening op diep psychisch niveau; Jacob heeft ommekeer – tesjoeva – gedaan. Van een Jaäkov, een hielenvolger, een bedrieger, is hij een Godstrijder, Israël, geworden.

Toch is Jacob er niet zonder ‘kleerscheuren' vanaf gekomen.
Hij is gewond geraak aan zijn dijbeen, meer speciaal aan de zenuwpees die over de heup loopt, de nervus striaticus . Hebreeuws gied nasjee , je zou kunnen zeggen een variant van de Achilleshiel.  Daar op die plek wist de nachtelijke man/engel net nog voor het ochtendgloren, toen hij ‘op verlies' stond, Jacob nog te raken. De rabbijnen associëren dit met een stukje kwaad, dat Jacob zo met zich meenam en (zelfs dat dit mystiek gezien een opening bood voor rampzalige gevolgen als de verwoesting van de tempel), een denkwijze die doet denken aan soort van negatief ‘karma', dat toch aan de gelouterde aartsvader bleef kleven. Het staat dan voor de zwakke plek die wij allemaal hebben om te bezwijken voor hartstochten, die ons op een onbewaakt ogenblik kunnen overweldigen. Gied nasjee , letterlijk ‘de zenuw van het vergeten' , want wanneer die zwakke plek – volgens de Zohar niet voor niets vlak bij schaamstreek, - eenmaal geraakt is kunnen we alle morele scrupules en al het  rationele denken vergeten, overboord zetten. Zo verklaart men het taboe, dat de Tora voor het eten van de heupzenuw geeft (1).

Als alternatieve uitleg zou je ook kunnen zeggen, dat Jacobs kwetsuur op indringende wijze weergeeft, dat alle intens ingrijpende ervaringen van fysiek en psychisch geweld een trauma nalaten. Jacob hield er een mank been aan over. De overwinning is nooit absoluut. Je kan er overheen komen, er rijker uitkomen, maar een litteken blijft schrijnen. Dat herinnert de mens aan zijn worsteling om de crisis te boven te komen, sadder and wiser.

Noot
1) zie de een uitgebreide kabbalistische behandeling door Isaiah ben Abraham Horowitz (c. 1555 – March 24, 1630) ofwel de Shelah in Shney Luchot Habrit op sefaria.org

 

 

Parasjat Wajetsee Beresjiet /Genesis 28:10 – 32:4

Vertrekken en opnieuw beginnen

In deze parasja (1) vertrekt Jacob uit zijn vaderhuis te Berseba (Beër Sjeva) op de vlucht voor zijn op wraak beluste broer, wiens vaderzegen hij slinks aan vader Isaac had ontfutseld. Zijn bestemming is Paddan Aram (in het tegenwoordige Syrië) de woonst van zijn oom Lawan. Nav de vorige parasja belichtte ik het thema broederstrijd, dat door het hele boek Genesis (en de geschiedenis) heen speelt. Het thema dat ik nu graag naar voren haal is vertrekken en opnieuw beginnen, dat kenmerkend is voor Jacob, de geschiedenis van de Israëlieten en de Joden in breed verband.

Het vertrekken en opnieuw beginnen neemt een aanvang bij Jacobs grootvader Avraham (voorafgegaan door het vertrek van vader Terach uit Ur). Het afscheid van zijn vertrouwde familie in Charan is voor Avraham noodzakelijk om onafhankelijk van de religieuze praktijken van zijn familie een nieuw leven te beginnen naar zijn eigen inzichten over de Ene godheid van rechtvaardigheid en mededogen. Avraham vertrok in het gezelschap van zijn vrouw Sara, zijn personeel en zijn vee naar Kanaän en vaak brak hij op om weer elders in deze streken neer te strijken.

Zijn kleinzoon Jacob die zich ambitieus – als was het meer met list dan met eerlijke middelen - had opgeworpen als erfgenaam van Avrahams geloofsgoed stond misschien nog wel voor een grotere onderneming toen hij moederziel alleen uit Berseba vertrokken was en met een volstrekt open toekomst voor zich zijn moede lijf voor een eerste nachtrust onder de blote hemel neerlegde met een paar stenen om zijn hoofd als bescherming en hoofdkussen. Daar kreeg hij zijn beroemde droom over de ladder naar de hemel met de engelen die naar boven en beneden gingen. De meest eenvoudige uitleg van de engelen is misschien dat de naar boven gaande engelen vooral smeekbeden om bescherming waren van de eenzame man in een vreemde omgeving. De neergaande engelen waren dan de tekenen van bevestiging van die bescherming. Bescherming klonk ook door in de woorden die Jacob in zijn droom hoorde van de Eeuwige die bij hem (alav) stond (28:13).

De midrasj vertelt hoe Jacob in de droom door de Eeuwige een ver zicht in de toekomst werd gegund. (2) Laten we ons eens voorstellen dat hij gezien zou kunnen hebben hoe hij en na hem zijn nakomelingen tot in honderden generaties ver menigmaal zouden opbreken, inpakken (of zelfs dat niet), vertrekken, zich weer zouden vestigen en opnieuw beginnen.

Bij zijn oom Lavan zag Jacob zich uitgroeien tot een vermogend man met een groot gezin, maar na twintig jaar zag hij het moment aangebroken voor vertrek en een nieuw begin, dat zijn culminatie zou vinden toen tijdens zijn existentiële gevecht met de engel hem een nieuwe naam werd gegeven: Israël. Na bijlegging van het conflict met zijn broer Ezau zou na vele jaren Jacob nog eenmaal moeten opbreken om naar een heel nieuw land te gaan, Egypte. Daar was zijn zoon Jozef al eerder naar vertrokken om daar beginnend als slaaf op te klimmen naar vicekoning. Maar niet alleen Jacob vestigde zich op zijn oude dag nog in een vreemd land, ook zijn elf andere zonen deden dat door hongersnood gedwongen en bleven daar om gedurende vierhonderd jaar uit te groeien tot een grote menigte die na dat lange verblijf toch ook weer geroepen werd te vertrekken om te horen bij de heilige berg hoe Avrahams erfenis door bemiddeling van Mozes nu in een revolutionaire verbale vorm werd gegoten als basis voor een functioneren als een nieuw volk: de Tora.

Gesetteld in de streken waren de aartsvaders als nomaden hadden geleefd waren ze toch niet bestemd om daar voor altijd te blijven. Een vernieuwing vormden de profeten die steeds waarschuwden om de richtlijnen van de Tora te blijven volgen, maar dat mocht niet baten Na vijfhonderd jaar roerig verblijf in Kanaän  werden de Judeeërs afgevoerd in ballingschap naar het Babylonische rijk in Mesopotamië, een ballingschap die na zeventig jaren werd afgesloten met een terugkeer in Judea. Die ballingschap luidde die tegelijkertijd een vernieuwing in van het geloofs- en gedachtegoed in de vorm van de definitieve optekening daarvan onder leiding van Ezra, hetgeen het begin betekenden van een nieuwe praktijk van uitleg en commentaar. Vanaf het jaar 70, de verwoesting van de tempel te Jeruzalem begon het massale vertrek uit de Romeinse provincie Palestina. Het einde van de tempel en het verblijf in vreemde landen bracht wel weer een vernieuwing met zich mee, de mondelinge leer werd opgetekend en zo behouden voor volgende generaties: de Talmoed en de midrasj.

Tweeduizend jaar ballingschap nam een aanvang, tweeduizend jaar waarin steeds gemeenschappen van Joden – soms na vele eeuwen - door vervolging of verbanning werden gedwongen, soms na moordpartijen en met achterlating van vele doden, te vetrekken en elders opnieuw te beginnen. Maar steeds werd de geestelijke erfenis van Avraham en Mozes en de daaropvolgende leraren meegenomen en ieder generatie bracht weer nieuwe vernieuwende inzichten aan. De twintigste eeuw kende een ongekende opleving van antisemitisme en tegelijk in toenemende golven de terugkeer van Joden naar de plek van oorsprong. Het verbijsterende dieptepunt van de sjoa gaf niettemin een definitieve push aan de stichting van de staat Israël.

Vertrekken en opnieuw beginnen gaf zoals boven geschetst vaak een impuls tot creatieve vernieuwing van het gedachte- en geloofsgoed in de Joodse gemeenschap.  Is dat fenomeen nu met de massale terugkeer en thuiskomst in het zo lang beloofde land nu tot stilstand gekomen?  Om weer een nieuw begin te maken met de toekomst, om uit de verstarring van een volhardende en benauwende status quo of een proces van verval in routine en vastgeroeste posities te stappen naar nieuwe creatieve nieuwe verhoudingen moeten we in Israël (en als we Israël zien als pilot project voor de wereld ook in de wereld) beslist niet wachten tot geweld of noodzaak daartoe dwingt.

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA   , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) Bijv. De midrasj veronderstelt dat Jacob in de engelen die de ladder op en neer gingen zijn de komende rijken ziet die in de verre toekomst zullen opkomen en weer verzinken, zoals de Babyloniërs, de Meden en Perzen, de Grieken en de Romeinen. (Pirké de Rabbi Eliezer 35)
Gen 28:  ‘Je zult zo veel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is’ ontlokt het rabbijns commentaar, dat dit slaat op de behandeling van de Joden in hun verbanning als stof waar je op trapt, maar ook op stof als het positieve fenomeen: stof dat hoger opwaait dan de persoon die erop trapt, verwijzend naar dat de Joden hoger zullen rijzen dan de volken die hen vernederen. (Rabbeinu Bachya ad loc)

  

Parasjat Toldot    Beresjiet/Genesis 25:19-28:9

Twee naties

Genesis is mede een verslag van een fundamentele broederstrijd. Het is een strijd, die de ontwikkeling van het volk van Israël zal bepalen en die misschien wel iconisch is voor de ontwikkeling van de mensheid. Het is een strijd tussen twee polen: de pool van de grove macht van het fysieke en mentale geweld en de zachte kracht van de geest en moraliteit. Vaak lijkt de laatste ondergeschikt aan de eerste. De eerste manifestatie hiervan in de bijbel vind plaats als Kajin zijn jongere broer Abel (Hevel) doodslaat. Abrahams stuurt zijn oudste zoon Ismael (Jisjmael) vanwege diens spot om zijn jongere halfbroer Isaac weg de woestijn in. Het volgende bedrijf speelt zich in deze parasja (1) af als Isaacs vrouw Rebekka (Rivka) zwanger wordt van een tweeling. In de baarmoeder botsen de twee al tegen elkaar (2) en maken de moeder wanhopig. Ze vraagt raad aan de Eeuwige, die antwoordde (de midrasjiem zeggen bij monde van Avraham, resp via de jesjiewa van Sjem) (HSV 25:23):
Er zijn twee volken in uw schoot,
en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden.
Het ene volk zal sterker zijn dan het andere
en de meerdere zal de mindere dienen
.
(rav jaäwod jaïer)

In de boezem van Isaacs familie komt deze strijd tussen de macht, kracht, impulsiviteit en emotie enerzijds en geest, overleg, bedachtzaamheid weer boven en tot volle ontplooiing. Hij wordt nu belichaamd door Ezau (Esav) en zijn enkele minuten jongere tweelingbroer Jacob. Dat hij in de baarmoeder van Rebekka al is begonnen laat zien hoe fundamenteel deze tweespalt is. Moest Abel, de man van de geest nog het onderspit delven voor zijn impulsieve en sterke oudere broer Kajin en moest de vreedzame Isaac nog worden beschermd voor zijn onstuimige broer Ismael, Jacob zal het zelf moeten doen en hij zal uiteindelijk niet wijken voor de macht van Ezau, al is de strijd niet beslist en duurt hij nog steeds voort.

Samson Raphael Hirsch (1808-1888, grondlegger van de moderne orthodoxie) ziet (3) de twee broers twee soorten naties representeren. De ene staat bouwt zijn grootheid op grond van geest en moraliteit en het menselijke in de mens, de ander zoekt zijn grootheid in berekening en macht, geest en macht, moraliteit en geweld staan tegenover elkaar en al vanaf hun ontstaan zullen ze tegenover elkaar staan. De ene staat zal steeds machtiger zijn al de andere. De schaal zal voortduren nu eens naar de ene kant dan weer naar de andere kant doorslaan. De hele geschiedenis is niets anders dan een strijd over of de geest of het zwaard de dienst uit zal maken of zoals de Oude Wijzen zeggen: Jeruzalem of Caesarea (destijds de Romeinse hoofdstad van het bezette beloofde land).

Dat schreef de rabbijn in de 19e eeuw, nog onbewust van wat er allemaal komen zou. Ook nu in deze wereld van nieuwe politieke en maatschappelijke verschuivingen zien we deze worsteling plaatsvinden. Maar ook in onszelf kunnen we met enige reflectie de impulsieve, manipulerende amorele, egocentrische stem ontwaren naast een beter weten over wat de menselijkheid van ons vraagt.
Ik ontkom niet aan het beeld, dat ik in Barak Obama meer een persoon in de buurt van Jacob zie en Donald Trump als een manifestatie van Ezau

De meerdere zal de mindere dienen, rav jaäwod jaïer. Hirsch benadrukt dat rav niet de ‘oudere’ betekent (zoals in sommige vertalingen zoals de NBV) maar ‘groot in aantal en macht’. Uiteindelijk zal de machtige zich moeten schikken naar de geest en de moraliteit. Macht en geest kunnen niet zonder elkaar maar de macht zal de geest moeten erkennen en dienen. Dat is misschien ook de kern van de verzoening (misschien een groot woord, wederzijdse erkenning is misschien beter) die Jacob later met Ezau zal bereiken in de volgende parasja.

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA   , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) Wanneer botsten Ezau en Jacob in de buik van Rebekka? De vrome Oude Wijzen wisten: als Rebekka voorbij de Tora academie van Sjem kwam schopte Jacob om eruit te komen en als ze voorbij een heidense tempel kwamen wilde Ezau door schoppen uit de baarmoeder komen (Genesis Rabba 63:6)

(3) In zijn Tora commentaar ad loc

 RC 2020

Parasjat Chajee Sara             Beresjiet/ Genesis 23:1–25:18

Zinvol leven, rustig heengaan: in memoriam Jonathan Sacks

De parasja Chajee Sara (1) gaat over dood en nieuw leven. Het begin van de parasja beschrijft de dood en begrafenis van Sara en aan het eind de dood en begrafenis van Avraham. Daartussen in lezen we het ontroerende verhaal van hoe Avrahams knecht een vrouw voor Isaac (Jitschak), Rebekka (Rivka) vindt en naar Avrahams tenten brengt. Zo is de basis gelJonathan Sacksegd voor de continuïteit van Israëls bijzondere geschiedenis.
In de week van deze parasja over de dood van de aartsvader en de aartsmoeder, is ook - te vroeg - na een kort ziekbed overleden Lord Jonathan Sacks, zijn stem die inzake religieuze verdraagzaamheid en antisemitisme gezag had in de Joodse wereld en ver daarbuiten zal niet meer klinken. Aan de boeken en frisse, erudiete en ruimhartige visie op de Tora van deze emeritus opperrabbijn van het orthodoxe Jodendom in Engeland hebben velen waaronder mijn persoon nieuwe inspiratie opgedaan. (2)
Hij is als trouwe commentator op de parasja van de week niet meer toegekomen aan een nieuw commentaar op de parasja Chajee Sara voor 5781. Laten we eens kijken wat hij heeft geschreven in zijn commentaar van het jaar daarvoor, Dat gaat over hoe Sara en Avraham na een leven vol beproevingen toch in volle vrede zijn gestorven.(3)

Van Avraham weten wij dat hij in volle vrede is heengegaan omdat dat expliciet vermeld is in 25:8: ‘Toen gaf Abraham de geest en stierf in goede ouderdom, oud en (van het leven) verzadigd’.
Van Sara veronderstellen we dat op grond van Rasji’s uitleg van de Hebreeuwse tekst over haar heengaan, die letterlijk vertaald luidt: ‘Het leven van Sara was honderd jaren en zeventig jaren en zeven jaren, de jaren van het leven van Sara’. Waarom wordt dat nogmaals vermeld aan het eind, de jaren van het leven van Sara, nu zonder getallen? Dat is om aan te geven dat alle jaren voor Sara even goed waren (dus ook het laatste), annoteert de middeleeuwse meester.

Beiden overleden in een serene kalmte ondanks de tegenslagen die zowel Sara als Avraham te verduren hadden, tegenslagen die hen niet tot verbitterde slachtoffers maakten. Sara moest de gevaarlijke tijd in de harems van de farao en koning Avimelech doorstaan, waarin zij was terechtgekomen toen zij om haar echtgenoot voor represailles door deze machtige heersers te behoeden zich als zijn zuster had voorgedaan. Ook haar lange kinderloosheid ondanks alle goddelijke beloften aan haar en Avraham was een aanslag op haar moreel geweest. Ook moest ze lange tijd verduren dat haar noodgedwongen aan Avraham als bijzit afgestane slavin Hagar bij Avraham een zoon had en zij niet, tot eindelijk Isaac was gekomen. Sacks ziet als bittere pil voor Avraham, dat hij ondanks alle beloften van God van een hem toekomend land toch nog steeds een nomade is gebleven, een vreemdeling in Kanaän, die met veel moeite een eerste stukje grond van de Hethieten had losgekregen voor een graf voor zijn vrouw, de trouwe metgezel van zoveel jaren die hij moest verliezen. Ook het bijna-offer van zijn lang beloofde geliefde zoon (zie vorige parasja) deed hem niet van zijn rotsvast geloof vallen. Ondanks al deze beproevingen was zijn gevoel van goddelijke nabijheid ongeschokt, gezien de mededeling in 24:1, dat de Eeuwige Avraham in alles had gezegend.

Wat is de inspiratie die Avraham en Sara deed opbreken uit een vertrouwde omgeving naar een vreemd land, waar onzekerheid en onveiligheid hen wachtte?
Wat maakte, dat hun vastbeslotenheid niet wankelde en zij hun innerlijke rust konden bewaren?  Het is het geloof dat zij hadden in de betekenis van hun leven om, ondanks dat de schijn vaak tegenzat, voorlopers te zijn van een bijzonder volk, dat uit hen zou voortkomen, en om als zodanig pioniers te zijn van een levenswijze op basis van rechtvaardigheid en compassie, die de wereld als voorbeeld zou dienen. Dit weten waarom je leeft geeft een geestelijke rust die je de grootste ontberingen doet trotseren. (4)

Sacks zegt dan: ‘de kalmte van Sara en Avraham ten overstaan van de dood kwam voort uit een diepgaande kalmte ten overstaan van het leven. Avraham wist, dat alles wat hem overkwam, zelfs de slechte zaken, deel uitmaakten van de weg, waarop God hem en Sara had gezonden, en hij had het geloof om door de vallei van de schaduw van de dood te gaan zonder vrees voor het kwaad, omdat hij wist dat God met hem zou zijn.’
Ik ben ervan overtuigd, dat deze zinnen ook gegolden kunnen hebben voor Jonathan Sacks, hij ruste in vrede.

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA   , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) We laten evenwel in deze noot niet onvermeld dat de propagandist van religieuze tolerantie met zijn ruime stellingname in zijn boek ‘The dignity of Difference’  inzake het spreken van God in verschillende religieuze talen en meervoudige waarheden – een moeizame relatie had met het progressieve Jodendom in zijn land.
https://www.theguardian.com/global/2020/nov/08/lord-jonathan-sacks-obituary

(3) https://rabbisacks.org/to-have-a-why-chayei-sarah-5780/

(4) In zijn commentaren noemt Sacks vaak survivors van de Sjoa als voorbeelden van mensen, die ondanks de geleden verschrikkingen zich niet opstelden als slachtoffers van hun verleden, maar als scheppers van een zinvolle toekomst, zoals Israel Kristal, de oudste man van de wereld die op 114-jarige leeftijd overleed in Israël, Edith Eger, de psychotherapeut die haar ervaringen op 90-jarige leeftijd publiceerde (Edith Eger, The Choice, Rider, 2017), psychotherapeut Victor Frankl (Man’s search for meaning). De bekendste Engelse survivor en populaire voorman van de Reform in Engeland, Hugo Gryn (overleden 1996), voert hij niet op. Het doet pijn, dat hij onder druk van de rechtervleugel van de orthodoxie niet op diens begrafenis was.

RC 2020

Parasjat Wajera            Beresjiet/Genesis 18:1 – 22:24

Spreken en zwijgen

In de parasja Wajera worden een aantal sleutelgebeurtenissen verhaald uit het leven van Avraham. Na het bezoek van de drie ‘mannen' (engelen), die, gastvrij onthaald door Avraham, hem de geboorte van een zoon uit Sara aankondigen, de verzen komt er een opmerkelijke passage18:17 t/m 19 (HSV):
‘En de Eeuwige zeide: ‘Zal Ik voor  Abraham  verbergen, wat Ik doe? Aangezien Abraham gewis tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden. Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van de Eeuwige houden, om te doen gerechtigheid en gericht’.
‘Ik heb hem gekend' (jadativ) is een uiting van liefde en wil eigenlijk zeggen; ‘Ik houd van hem' en zo vertaalt Dasberg het ook. Andere vertalingen hebben gekozen voor (uit)gekozen. Dat ‘opdat (lema’an) hij zijn kinderen etc' is geen opdracht van de Eeuwige, maar is eerder causatief op te vatten: Hij kende Avraham en wist dat hij zijn kinderen zou opdragen de weg van de Eeuwige te bewandelen, daarom koos Hij hem. En wat is de ‘weg van de Eeuwige' dan? Het doen van tsedaka en misjpat, ‘deugd en recht' vertaalt Dasberg,

Dan onthult  de Eeuwige zijn voornemen om de twee ontaarde steden Sedom en Amorra te vernietigen. De aartsvader trekt zich het lot aan van de onschuldigen, die mogelijk zouden worden meegesleept in het fatale goddelijke oordeel (18:22 ev). ‘Wilt U ook de rechtvaardige verdelgen samen met de boosdoener?' was Avrahams verbaasde – misschien wel verontwaardigde - reactie. We zien in Avraham het besef ontluiken dat religie en ethiek niet los van elkaar staan. Hij houdt zich bezig met wat gerechtigheid is en de morele afweging die daarbij hoort. Voor de eerste keer waagt de mens Avraham het erop de strenge godheid daarover te bevragen. In een lang gesprek pleit hij voor matiging van de goddelijke woede en rekening te houden met gerechtigheid en compassie. God moet een zucht van verlichting hebben geslaakt en wie weet even hebben geglimlacht – als ik even op de antropomorfe toer mag blijven - , toen Hij merkte dat zijn geliefde pupil met zijn vragen inderdaad bleek te beschikken over compassie, een besef van rechtvaardigheid en het vermogen om daar denkend uiting aan te geven en in daden vorm te geven. 

De principes van gerechtigheid en compassie – hoe vervormd soms ook in de contingente praktijk van het mensdom – vormen sindsdien het fundament in het Jodendom en, soms anders begrepen, in het Christendom en de Islam. Religie is niet alleen gehoorzaam het ritueel volgen maar ook daarmee verbonden moreel bewust leven. Avrahams leven geldt als een lichtend voorbeeld. Maar als ‘Jood avant la lettre' kan hij het debat niet nalaten. ‘Als God ons verstand heeft gegeven, heeft Hij ook de bedoeling gehad, dat we dit zouden gebruiken, zelfs als dat zou betekenen, dat we daarmee de hoogste bevelen zouden uitdagen', aldus de Joodse denker en ethicus Susan Neiman over Avraham.(3)

Een contrast met Avrahams dialoog met de Eeuwige over Sedom en Amorra lijkt het gebeuren rond het offer van zijn geliefde zoon Jitschak dat de Eeuwige van hem vraagt (22:1 ev). Zonder morren zadelt de vader zijn ezel en gaat met zijn zoon op reis naar de offerplaats op de berg Moria.

Het mainstream Jodendom ziet dit als een staaltje van Avrahams toewijding. Jewish Renewal-rabbijn Michael Lerner (4) daarentegen meent dat Avraham was bevangen in het halfduister van oude ‘heidense’ opvattingen en dat hij pas toen de engel bij het altaar hem toeriep het offer van zijn zoon te staken de ware stem van gerechtigheid en compassie hoorde. De grootheid van Avraham is niet (curs. ML) dat hij zijn zoon naar de berg Moria (….) neemt zodat hij hem kan offeren. Nee, de grootheid van Avraham is dat hij er niet mee doorgaat.

Emeritus opperrabbijn van Engeland Rabbi Jonathan Sacks (5) wijst op de gangbare familie opvatting in het oude Midden-Oosten - en ook vaak nog te vinden in het moderne veelal Islamitische Midden-Oosten - dat de vader de absolute macht heeft over zijn gezin, een macht over leven en dood. In Sacks' uitleg gaat de Tora tegen deze opvatting in. Het verzoek ging niet om een kinderoffer maar om iets heel anders: de Eeuwige wilde dat Avraham ervan af zou zien zijn zoon als zijn eigendom te beschouwen. Het verhaal wil ons bijbrengen, dat kinderen geen bezit van de ouders zijn maar individuen op zichzelf. Sacks noemt dit inzicht de geboorte van de mogelijkheid van individualiteit.

Mij intrigeert het zwijgen van de vader tijdens de bijna drie dagen durende reis naar de offerplaats.  Er is geen dialoog van Avraham met de Eeuwige over gerechtigheid, geen beroep op compassie. In hem moet de pijn hebben geschuurd van het besef, dat in het leven soms de allerliefste moet worden losgelaten.

noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA   , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) Jadativ van  jada, weten in het oud-Hebreeuws. heeft een rijke betekenisonderlaag van beminnen (tot en met het fysieke beminnen toe), zoals Rasji ook toelicht in zijn aantekening bij dit vers: het is een uiting van liefde

(3) In: ‘Is Morality Driven by Faith? ' Washington Post, okt. 2008 .

(4) Michael Lerner, Jewish Renewal: A Path to Healing and Transformation (1994), hfst 2, Abraham and the psychodynamics of childhood, controversieel en boeiend…

(5) Jonathan Sacks: http://www.rabbisacks.org/binding-isaac-vayera-5775/

Parasjat Lech lecha    Beresjiet/Genesis 12-18

Avraham en Hagar

Als Avrahams vrouw Sara maar steeds geen kinderen krijgt stelt zij haar echtgenoot voor dat hij dan maar een kind moest proberen te krijgen bij de Egyptische slavin Hagar.(1) Toen Hagar zwanger werd en hooghartig begon te doen naar haar meesteres maakte Sara haar het leven zwaar, dit met uitdrukkelijke toestemming van Avraham, die hierin de partij koos voor zijn vrouw ondanks dat eindelijk een eerstgeboren zoon op komst was. Hagar hield de pesterijen niet uit en vluchtte van Avrahams tenten weg. Een engel maande haar terug te gaan naar haar strenge meesteres en stelde haar de geboorte van een zoon in het vooruitzicht die een machtig man zou worden met vele nakomelingen. Het bezoek van de engel vond plaats bij de bron Be’er Lachai-Roï (Gen 16:14). Die bron zullen we later in dit verhaal nog een keer tegenkomen. Hagar krijgt een zoon, Ismaël (Jisjmael). Maar de relatie tussen Sara en Hagar zal er niet beter op worden als 14 jaar later Sara alsnog een lang verhoopte zoon krijgt: Isaac (Jitschak). Hoe liep het verder af met Avraham, Hagar en Isaac?

Als Sara meent te zien dat op het feest gegeven ter gelegenheid van het spenen van de peuter Isaac de puber Ismael hem bespot (metsachek, let op de woordgelijkenis met Jitschak = ‘hij zal lachen) dring ze er bij Avraham op aan de slavin en haar zoon weg te sturen.(21:10 ev)  Dat doet Avraham met grote tegenzin. Telkens kiest de aartsvader de partij van zijn vrouw (daartoe trouwens aangemaand door de stem van de Eeuwige). Hij stuurt de Egyptische en haar zoon met wat brood en een zak met water de woestijn in. Als het water op is en de jongen van dorst dreigt te sterven en Hagar om dit niet aan te zien een pijlschot verderop huilend neerzit komt een engel haar zeggen dat het kermen van de jongen is gehoord en haar ogen ontwaren opeens een waterput die zich vlakbij haar blijkt te bevinden. Na deze wonderbaarlijke redding groeit Ismael voorspoedig op en Hagar koos een Egyptische vrouw voor hem uit.

In de rabbijnse traditie heeft Ismael geen goede naam. Toch is er niets wat daar aanleiding toe geeft. Rabbijn Jonatan Sacks (2) wijst erop, dat de tekst van de Tora weliswaar Isaac als opvolger van Avrahams erfenis aanwijst maar beslist Ismael niet afwijst; ook aan hem wordt macht, land en een overvloedig nageslacht beloofd. In een late midrasj uit de 7e eeuw, de Pirkee deRabbi Eliezer (3), wordt de figuur van Ismael als goddeloos en losbandig voorgesteld – misschien wel om de persoon van Sara te disculperen van haar minder mooie jaloersheid. Maar het geschrift vertelt ook dat een bezorgde vader Avraham drie jaar na het vertrek van Ismael hem ging opzoeken, nadat hij de jaloerse Sara had bezworen niet van zijn kameel af te zullen stappen. Midden op de dag trof hij Ismaels vrouw aan, die hem zei, dat zijn zoon weg was om fruit te oogsten. De vermoeide reiziger vroeg om een stukje brood en wat water, maar dat weigerde ze. Avraham zei haar, zeg Ismael, dat een oude man uit Kenaän langs is geweest en dat de ontvangst niet goed was. Ismael begreep de hint, scheidde van zijn vrouw en nam een andere (‘Fatima’ wil de legende). Na drie jaar waagde Avraham het weer en zittend op zijn kameel hoorde hij wederom, dat Ismael niet thuis was en wederom vroeg hij een stukje brood en een slok water. Ditmaal voldeed de vrouw graag aan het verzoek en Avraham ‘stond op en bad voor zijn zoon en Ismaels huis werd vervuld met al het goede en met zegen. Toen Ismael thuiskwam vertelde ze dit alles en Ismael wist, dat Avraham hem liefhad, zoals een vader zijn zoon liefhad.’ Dit verhaal is in verschillende varianten in de Islamitische traditie overgenomen en bewerkt (4). Het biedt mogelijkheden voor een dialoog met de Islam. Ismael verwekte twaalf zonen, die vorsten zouden worden van twaalf stammen.

Een wat werd er van Hagar? De midrasj (5) vertelt nog over een happy end van haar relatie met Avraham.  Avrahams knecht Eliezer had in Haran de aanstaande vrouw van Isaac, Rebekka (Rivka), gevonden. Op de terugweg en bijna thuis was hij tegen de avond aangekomen bij de bron Be’er Lachaj-Roï  (Gen 25:62)- weet je nog, de bron waar de gevluchte Hagar de engel ontmoette die maande dat ze weer terug naar Sara moest. In een veld daar vlakbij trof hij Isaac aan. Waarom was Avrahams zoon bij die bron geweest? Omdat hij net Hagar had opgehaald opdat zijn vader en weduwnaar Avraham haar weer tot vrouw zou nemen, aldus deze legende. In de tekst van de Tora heet Avrahams nieuwe vrouw Ketoera(25:1ev), maar dat is dus niemand minder dan een teruggekeerde Hagar.
Was Sara hem ten behoeve van de geschiedenis van Israël als eerste echtgenote voorbeschikt, misschien was Hagar wel de romantische vrouw van zijn leven. Zo’n tweespalt zou zich herhalen bij zijn kleinzoon Jacob en diens vrouwen Lea, de minder geliefde, en Rachel, de innig geliefde. De bejaarde patriarch krijgt bij haar nog zes zonen (over dochters wordt niet gesproken), die op hun beurt de stamvader zullen zijn voor vele stammen.
Inderdaad, vele volken zijn uit Avraham voortgekomen

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Lech lecha zijn te vinden in mijn boek  REIZEN DOOR DE TORA  , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn  website  

(2) in zijn boek ‘Niet in Gods naam’, met name tav de rol van Avraham, Hagar en Ismael, zie hfst 6, ‘De halfbroers’

(3) Pirkee deRabbi Eliezer. Hfst 29

(4) Zie uitgebreid hierover Marcel Poorthuis, ‘Hagar’s Wanderings: Between Judaïsm and Islam’ Der Islam 2013; 90(2): 220–244

(5) In de midrasjverzameling Beresjiet Rabba (60:14)

 

Parasjat Noach Beresjiet Genesis 6:9-11:32

Hoe rechtvaardig was Noach ?

De vorige Parasja Genesis/Beresjiet eindigt met de constatering, dat de mensen alleen nog maar slechte en gewelddadige dingen deden en de Eeuwige spijt had van zijn schepping. Hij besloot tot een algehele eliminatie van mens en dier door een immense watervloed.  Alleen de man Noach, de enige rechtvaardige onder de verdorven mensheid, besloot Hij te sparen.
Zo wordt Noach in het begin van de parasja Noach (1) geïntroduceerd: 6:9: ‘Dit zijn de generaties van Noach. Noach was een rechtvaardig man, onberispelijk (een iesj tsaddiek tamiem) onder zijn generaties (be-dorotav), Noach wandelde met God.’

Je zou zeggen dat de kwalificatie van Noach als een rechtvaardig en onberispelijk bijna niet te overtreffen is. Toch zetten de Oude Wijzen een paar stevige kanttekeningen bij de persoonlijkheid van deze redder van mens en dier.

Rabbi Jehoeda (2e eeuw) haalt uit dat ‘onder zijn tijdgenoten' (be-dorotav, ‘in zijn generaties') een sterke relativering van Noachs goede eigenschappen. Had Noach geleefd in de generaties van Mozes of Samuel dan was hij niet opgevallen als een bijzonder rechtvaardige; onder de blinden wordt de eenogige helderziend genoemd en de kleuter een geleerde. In een verdorven wereld is valt een klein beetje rechtvaardigheid al snel op.
Maar - zoals het in het rabbijns discours vaak toegaat - heeft zijn collega rabbi Nechemja een tegenovergestelde mening: als hij in die generatie destijds al een rechtvaardige was, hoeveel te meer zou hij dat niet in de tijd van Mosjee (Mozes) zijn geweest! (2). Als je in een verdorven wereld rechtvaardig leeft, wat voor power heb je dan niet om desondanks rechtvaardig te zijn!

De twee genoemde rabbijnen gaan verder met de grootheid van de persoonlijkheid van Noach te vergelijken met die van zijn nakomeling van tien generaties later: Avraham.
Van Noach hebben we net gelezen dat ‘hij rechtvaardig was en dat hij wandelde met God' (6:9). Dat is toch niet niks. Maar wanneer Avraham in de volgende parasja wordt geïntroduceerd staat er weliswaar niets over zijn karakter of goede eigenschappen, maar wel (in het vers, waarin de Eeuwige hem een verbond aanbiedt (17:1)): ‘Wandel voor mij uit en wees onberispelijk', een opdracht voor de toekomst, hij moet het allemaal nog waarmaken.
Maar de twee geleerden ontwaren niettemin een markant verschil ten gunste van Avraham. Rabbi Jehoeda ziet het wandelen met God van Noach als minder groots dan  het wandelen voor God uit van Avraham: de morele kracht van Noach was zwak als een kind, waarvan de vader zegt: wandel bij mij. De morele kracht van Avraham was groot als van een volwassene, waarvan de vader zegt: wandel voor me uit. Rabbi Nechemja ziet dat ook ongeveer zo als hij Noach vergelijkt met een vriend van de koning; de vriend zakt weg in de modder en de koning zegt: wandel met mij hier is de grond stevig. Abraham is de vriend van de koning, die vanuit zijn raam de koning ziet wandelen in een donkere steeg en hem met een licht bijlicht; de koning zegt dan: kom je huis uit, vriend, en loop met je licht voor mij uit.(3)

Maar er is nog iets met dat wandelen met God: het klinkt nogal geïsoleerd, zo signaleert onder anderen R. Levi Jitschak van Berditchev (18e eeuw) (4). Het bewijst Noachs afstandelijkheid naar zijn medemensen. Hij wandelde met God maar niet met zijn medemensen, sterker nog hij had moeten proberen ze tot ommekeer te brengen en de rechte weg te wijzen. En mocht dat niet gelukt zijn, dan had hij toch in gebed om coulance kunnen vragen. (5)

Men wijst dan op het contrast met Abraham en Mozes in situaties waarin de catastrofale vernietiging van grote collectieven aanstaande was. Abraham trok zich het lot aan van mogelijk onschuldige burgers in de verdorven steden Sodom en Gomorra en pleitte voor compassie. (Gen/Ber 18:22 ev). Mozes trachtte na de zonde van het gouden kalf Gods woede van het volk van Israel af te wenden en riep Zijn barmhartigheid in; Mozes bood zelfs aan dat in plaats van het afvallige volk van de Israëlieten hìj zou worden uitgeschreven ‘uit het boek dat U geschreven hebt’ (Ex/Sjem 32:32). Zijn levenswerk was gericht op de gemeenschap en het bouwen van een fundament van recht en omzien naar de ander. In de tijd dat Noach zijn ark bouwde – de midrasj weet te melden dat dat 120 jaar duurde - zweeg de man (5). Hij was alleen bekommerd om de redding van zichzelf en zijn familie. (6) Zo zien we een zekere volwassenwording van moreel besef van Noach naar Avraham en dan naar Mozes.
Parallel daaraan zien we ook hoe de Eeuwige ‘opgroeit’ in Zijn verhouding tot de mensen.(7) Bij Noach is de Eeuwige slechts een zender van goddelijke mededelingen. Bij Avraham is de Eeuwige een partner in de dialoog geworden als Hij op Avrahams moedige vragen over gerechtigheid antwoorden geeft. Tot Mozes heeft Hij zich gericht als interactieve inspirator bij de uitvaardiging van een complex van richtlijnen voor een rechtvaardige samenleving.

RC 2020

Noten

(1) Verschillende commentaren op de parasja Noach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .

(2) Midrasj Beresjiet Rabba, 30,9

((3) Midrasj Beresjiet Rabba, 30,10

(4) In zijn Tora commentaar Kedushat Levi

(5) Een andere midrasj voert Noach wel sprekend op. Talmoed Sanhedrin 108b: ‘Noach de rechtschapene placht de mensen van zijn generatie te berispen en hij deed uitspraken die streng als fakkels waren en zij behandelden hem met verachting’

(6) Vgl  Talmoed Kidushin 40a onderscheidt twee soorten rechtschapenheid: ‘Iemand die zowel goed is naar de hemel als naar mensen is een goed rechtschapen person. Iemand die goed is naar de hemel maar slecht naar mensen is een rechtschapen person maar niet goed’.

(7) Deze kant van de zaak haalde ik uit het commentaar op My Jewish Learning

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8 

man en vrouw schiep hij hen

De schepping van de mens, man en vrouw, wordt in Genesis/Beresjiet hoofdstuk 1 in vers 27 uiterst summier weergegeven, bijna zakelijk, in de context van de weliswaar ontzagwekkende, maar toch ook functioneel omschreven ontvouwing van de zes scheppingsdagen. (1) De termen, die hier gebruikt worden voor man en vrouw, ‘zachar' en ‘nekewa' zijn Hebreeuwse woorden die verwijzen naar de functie van voortbrenging en verwijzen naar de opdracht om samen over de aarde te heersen en haar te bevolken. Man en vrouw worden in deze korte introductie als nevengeschikt opgevoerd. ‘Man en vrouw schiep hij hen' (1:27 ) is een indicatie van de volstrekte gelijkwaardigheid van man en vrouw. De uitwerking van de man- en vrouwschepping in meer detail vindt plaats in Genesis 2. Wat is daar te zeggen over hun relatie?

De introductie van de vrouw in Beresjiet 2 komt voort uit een gemis, een inzicht dat er iets mankeert, dat er iets in de schepping nog niet goed is.(2) De Eeuwige constateert dat het niet goed is dat de mens alleen is. Dat gemis als een functioneel te duiden als de behoefte van de mens aan praktisch partnerschap en tegelijk als een emotioneel te duiden verlangen naar liefde en geborgenheid van de nietige mens in een overweldigende kosmos. Dat is een ander perspectief dan het eerste hoofdstuk biedt op de mens als onderwerper en heerser over de aarde met haar dieren en planten.
2: 18 ‘De Eeuwige God zei: Het is niet goed dat de mens alleen is’ – dan volgt: ‘ik zal een helpervoor hem (Adam, de mens) maken die bij hem past',in het Hebreeuws: ezer ke-negdo.

Wat is af te leiden uit dat ezer ke-negdo, in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald als:een helper die bij hem past? Dasberg kiest: passende hulp'. Maar deze vertalingen zijns ‘te harmonisch'. De Herziene Statenvertaling vertaalt: ‘Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem’. Inderdaad is ezer ke-negdo als je hetletterlijk vertaalt ‘een helper (als) tegen hem’ een paradoxale uitdrukking die een spanningsboog in zich bergt, een term die de suggestie van ambivalentie wekt. Bijbelcommentator Umberto Cassuto (3) vat ‘ezer ke-negdo' niet zo paradoxaal op en interpreteert ‘ke-negdo' als ‘gelijk aan', ‘evenwaardig aan' en ‘ezer ke-negdo' als ‘soul mate'. Maar anderen hebben de ambivalentie van de uitdrukking meer gehonoreerd in de sfeer van een dialogische relatie.

Met name de middeleeuwse meester Rasji tekent aan bij ‘ezer ke-negdo': ‘als hij het verdient – een helper, als hij het niet verdient – tegenover hem, om met hem te strijden'.
De Maharal (16e eeuw) heeft daarover gezegd (geciteerd door Nechama Leibowitz in haar commentaar (4)): ‘deze uitleg bevat een diepe waarheid. Man en vrouw vertegenwoordigen twee tegengestelden. Als de man het verdient smelten zij samen tot één geheel. In alle gevallen smelten twee tegengestelden samen om één geheel te vormen wanneer zij het verdienen, dat wil zeggen als de Almachtige die vrede maakt tussen tegengestelden hen verbindt en verenigt. Maar wanneer zij het niet verdienen, dan heeft het feit dat zij tegengestelden zijn tot gevolg dat zij “tegen hem” is'. Een relatie-ethiek in een notendop!

De Joodse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) redeneert ongeveer in deze trant: Eveneens komt het er in de tussenpersoonlijke relatie niet op aan mij en de ander te-zamen te denken, maar tegenover elkaar te staan, en elkaar in 't gezicht te kijken. De werkelijke vereniging of het werkelijke te-zamen is niet het te-zamen van de synthese, maar dat van het van aangezicht tot aangezicht' (5).

Volgt in hoofdstuk 2 het relaas van een zoektocht naar een partner. Onder de dieren die de Eeuwige schiep en aan de mens toonde was die niet te vinden. De geschikte partner werd gevonden in een medemens die tijdens een diepe slaap uit de mens  - uit zijn rib of zijde, tsela - werd afgesplitst en hem werd getoond.
Verheugd roept de mens uit:
2:23 ‘Deze keer is zij het!
been van mijn been,
vlees van mijn vlees.
Ze zal vrouw – ‘iesja' – genoemd worden,
want uit een man – iesj – is zij genomen'
(7)

Van oudsher zagen commentatoren zagen in de creatie van de vrouw uit 'Adams rib'  een overduidelijke aanwijzing naar de ondergeschiktheid, zo niet inferioriteit van de vrouw. De bewoording weerspiegelt natuurlijk de patriarchale optiek van waaruit de Tora is geschreven.  Dat dat helemaal niet onvermijdelijk in de teksten ligt opgesloten en ook andere duiding mogelijk is hebben moderne bijbelgeleerden (met name vrouwen) proberen aan te tonen; daarover een andere keer.
Overigens wekken de lyrische welkomstwoorden van Adam – de mens - sterk de indruk dat vreugde overheerst en de machtsstrijd over wie de baas is en wie de ondergeschikte niet aan de orde is of in ieder geval nog niet begonnen.

noten

(1) Verschillende commentaren op de parasja Beresjiet/Genesis zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .

(2) Dan was alles dan toch niet ‘zeer goed’ (1:31)? Gaat men uit van dat het paradijs drama van hfst 2 en 3 plaatsvond op vrijdagmiddag van de zesde dag – waarvoor Umberto Cassuto pleit - en dat van de schepping van de mens niet wordt gezegd dat die goed was (de goedheid van de mens moet deze steeds waarmaken) dan klopt het; als God daarna zegt van de hele schepping dat alles zeer goed was, dan is dat eerder principeverklaring dan een feitelijke weergave van de realiteit

(3) Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Genesis, part one, from Adam to Noah, The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998,

(4) Nechama Leibowitz Studies in Bereshit/Genesis, WZO, Jerusalem, 1981, 4 e ed.

(5) 'Ethisch en oneindig', gesprekken met Philippe Nemo

 

Overdenking Simchat Tora 5781 
opgedragen aan Marina Irene Pool zichrona livracha

Het zijn bijzondere tijden waarin we ons met deze Simchat Tora bevinden. Er is meer eenzaamheid gekomen en ongerustheid en angstigheid steken soms de kop op. Gelukkig kunnen we zoomen maar het is toch behelpen zonder fysieke nabijheid. En bij sommigen is er sprake van erger verlies: van werk of zelfs geliefden. Zitten we midden in een wake up call voor de wereld? Een oproep aan ons om de vanzelfsprekendheid van ons gedrag onder de loep te nemen? Is daar in het kader van Simchat Tora iets over te zeggen? Ik doe een poging.

Op Simchat Tora sluiten we de jaarcyclus van Toralezing af met het verslag over de zegeningen van Mosjee over de stammen Israels en het relaas van zijn waardige dood. Onder Jehosjoea zullen de Israëlieten de Jordaan oversteken en de wereldgeschiedenis binnenstappen, die met vallen en opstaan, met veel wel en veel wee, ooit moge uitlopen op de messiaanse tijd. Mosjee mocht op de berg Pisga vlak voor zijn dood al een blik werpen op de loop van die geschiedenis tot het einde der tijden, aldus de middeleeuwse meester Rasji (ad 34:2)

Het verhaal over de schepping van de aarde en de mens in Beresjiet staat buiten de geschiedenis. Het is een cyclisch verhaal. Steeds wordt de wereld opnieuw geschapen, ieder jaar, iedere dag als we wakker worden. Steeds opnieuw krijgt de mens – ha-adam – volgens Beresjiet 1:26 de taak om ‘de aarde te onderwerpen en te heersen over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt’.

Hoe staat het met die taak van Adam? Wat is er van een goed beheer terecht gekomen? Dat is een relevante vraag in deze moderne tijd. We zijn ons met onze slimheid en onze prachtige techniek enorm ver gekomen, maar wel een flink eind losgeraakt van de natuur, de dieren en de planten, vervreemd van de aarde.  We hebben haar wel dankbaar gebruikt maar ook genadeloos geëxploiteerd en de aarde slaat terug met opwarming, droogte, overstromingen, uitsterven en met epidemieën. De band van Adam, de mens, met de aarde – adama – is gebroken. Die verbondenheid vinden we wel degelijk terug in het scheppingsverhaal, evenals in veel midrasj. En trouwens ook in de prachtige song Adama van Ofta Haza op tekst van Ehud Manor: Adama ani kesjoeva lekolech, Aarde, ik let op je stem. De volgende woorden uit de midrasj op het boek Kohelet (Prediker) zullen jullie bekend voorkomen: Eens voerde God Adam, de eerste mens, langs de bomen van de tuin van Eden. ‘Zie hoe schitterend ze zijn geschapen’, zei Hij. ‘Zorg goed voor hen, want als je Mijn schepping verwaarloost is er niemand na jou die het verloren gegane kan herstellen’. Herkennen jullie dit?..... Inderdaad uit de alternatieve tweede alinea van het Sjema. Ik wandel graag langs bomen in het bos. Toen ik nog veel hardliep in de bossen bij Nijmegen had ik een favoriete boom, waaronder ik rustte en mediteerde, een oude eik bij de zogenoemde drie meertjes op de St Jansberg bij Mook, beetje heidens misschien, maar ook wel des Adams. Ik voelde me even verbonden.

Over bomen gaat het ook in pasoek 19 van hoofdstuk 20 in het boek Devariem. Het gaat als volgt: ‘Als je gedurende langere tijd een stad moet belegeren om die door middel van oorlog in te nemen, vernietig de vruchtbomen dan niet door de bijl erin te slaan, want je kunt ervan eten, vel hem dus niet. '
Met hulp van de onvolprezen website sefaria.org gaan we iets van de rabbijnse discussie daarover bekijken.
De Rabbijnen gingen deze tekst breed uitleggen: als je vruchtbomen in de meestal door schaarsheid beheerste oorlogsomstandigheden al niet mag omhakken, hoeveel te meer niet in tijd van vrede, dus ging dit verbod gelden voor alle vruchtbomen (1). En van daaruit redenerend werd het ook van toepassing geacht op alle producten die door mensenhanden werden bereid uit aardse grondstoffen zoals kleding, vaten, meubels, en ook nodeloze verspilling ging eronder vallen. Dit principe kwam te boek te staan onder de titel ‘Bal Tasjchit', תַּשְׁחִית בַּל ‘vernietig niet'. Een voorbeeld uit de Talmoed. In het traktaat Shabbat (2) zegt Rav Zutra: Iemand die een olielamp bedekt of iemand die de bedekking van een naftalamp weghaalt schendt het principe van bal tasjchit. Wat bedoelt hij? De middeleeuwse meester Rasji legt uit: Beide handelingen maken dat de olie of nafta sneller verbrandt en vereisen meer brandstof dan nodig is om het licht aan te houden. Het is verspilling van energie.

Maimonides vat in de twaalfde eeuw in zijn grote werk Misjnee Tora de rabbijnse casuïstiek nog eens samen: niet alleen iemand die een vruchtboom omhakt, maar ieder die vaten breekt of kleding verscheurt, een gebouw vernietigt, een bron doet verstoppen, of voedsel vernietigt schendt het principe van Bal Tasjchit.(3) Het accent ligt sterk op het teloorgaan van economisch of maatschappelijk nut

Ook in sefer ha-Chinuch (4)– de middeleeuwse behandeling van de 613 geboden – staat zoiets maar het boek heeft als motivatie voor het verbod ook oog voor liefde en respect voor de schepping an sich: het dient om ons te leren om het goede lief te hebben, ervan te genieten en je aan het goede te hechten. En daardoor hecht het goede zich aan ons en zullen we ons ver houden van slechte en destructieve zaken, aldus ongeveer de tekst en dan: Zij die zich hieraan houden hebben de vrede lief en zijn gelukkig om het welzijn van wat leeft en brengen het bij de Tora. Ze vernietigen zelfs niet een korrel mosterdzaad in de wereld. Zij zijn verdrietig door alle verlies en vernietiging die ze zien en als zij het kunnen voorkomen zullen ze dat doen met al hun kracht. Als ik dit lees moet ik denken aan Greta Thunberg, die kleine bijna bijbelse profetes.

R. Samson Raphael Hirsch, de gangmaker van de moderne orthodoxie, spreekt vanuit zijn 19e eeuw ons in gewichtige zinnen ernstig toe: Onder het principe bal tasjchit moet een verbod worden begrepen om wat dan ook zonder enig doel te vernietigen, zodat het ‘vernietig niet’ in de tekst de meest omvattende waarschuwing wordt aan de mens om zijn positie die de Eeuwige hem gegeven heeft als heerser over de wereld en haar materie niet te misbruiken door wat dan ook op aarde te vernietigen of te verspillen op grillige, obsessieve of gewoon gedachteloze wijze. Alleen voor een wijs gebruik heeft de Eeuwige de wereld aan onze voeten gelegd, toen hij zei tot de mens: onderwerp haar, en heers over haar. (5) Daar kunnen we het mee doen!

In het moderne Jodendom geldt het principe van Bal Tasjchit als een van de pijlers onder de beweging van eco-kasjroet, Wat houdt dit principe in voor de moderne tijd? Het is een punt van veel discussie in Joodse kringen, vooral in Amerika(6).In hoeverre betekent een handeling een nodeloze belasting van de natuur of brengt zij nodeloze vernietiging met zich mee?. Neem bijvoorbeeld het eten van vlees. (7) Ik las ergens: de productie van een kilo rundvlees brengt bijna 80 keer meer broeikasgassen voort dan een kilo tarwe. (8) Dan schrik je toch wel even. Het ongeremd vlees eten kan je toch wel rangschikken als in strijd met het principe van Bal Taschit  (9)

Het daagt ons uit om bij onszelf na te gaan (10): Wat voor energie gebruik ik? Bij welke bank breng ik mijn geld onder. Is mijn vakantievlucht echt noodzakelijk. Is dat biefstukje echt nodig? Steeds weer is de vraag: kun je het voor jezelf verantwoorden? Vernietig ik door mijn daden en gebruik van producten en diensten op termijn niet veel meer dan het nut wat ik er nu van lijk te hebben? En als je al dan niet stipt sjomer kasjroet bent, valt dat te combineren? Eco-kasjroet, het is toch een stukje tikoen olam. We hoeven niet meteen het beste jongetje of meisje van de klas te zijn. Neem nou Rav Avraham Kook – de eerste opperrabbijn in het toenmalig Palestina – die was vegetarisch. Hij meende dat dat ook Gods bedoeling was en dat in de messiaanse tijd de mensen en zelfs de dieren vegetarisch zouden zijn, zie de leeuw die naast het lam zal liggen volgens de profeet Jesjajahoe. Maar niet zelden at hij op vrijdag een kippetje. Waarom doe je dat, vroeg men hem. Hij antwoordde: dat is om mijzelf eraan te herinneren dat de messiaanse tijd nog niet gekomen is. Tot zover.
Als je wil kan je het allemaal nog eens nalezen inclusief vindplaatsen op onze website ljggelderland.nl

Noten

(1) Rabbijnse uitzonderingen daargelaten Een uitgebreide behandeling van de rabbijnse discussie zie https://www.reformjudaism.org.uk/bal-tashchit/

(2) Talmoed Shabbat 67b

(3) Mishne Torah, Laws of Kings 6:10

(4) sefer ha-Chinuch 529:1,2

(5) R. Samson Raphael Hirsch ad loc, The Pentateuch, Vol 5, p 395

(6) Een uitgebreide discussie onder de titel ‘What is eco-kosher?’ door rabbi Arthur Waskow op https://theshalomcenter.org/node/1284

(7) Zie ook het commentaar van Rob Cassuto over vlees op de parasja Reëe in zijn boek Reizen door de Tora deel 2, p.174  en op zijn website

(8) https://document.leefmilieu.brussels/opac_css/elecfile/IF%20Part%20Voeding%2005%20NL

(9) Recent is verschenen ‘Leven en laten leven’ een boek over ‘Ecologie en de Joodse traditie’  van de hand van Marcus van Loopik, een gedegen verslag van wat de Joodse bronnen hebben te zeggen over de verbondenheid van mens en aarde.

(10) Zie ook Rabbijn Clary Rooda in een interview door Shirah Lachmann, Joods nu nr 2 juni 2014 / 5774. P 12 en 13, http://www.levisson.nl/images/stories/artikelen/JoodsNu_2.pdf

 

RC 020 

 

Voorganger Mischa Schrijver over Soekot 2020 

Parasjat Haäzinoe Devariem/Deuteronomium 32:1–52
Een poëtische laatste oproep

De parasja

In de vorige parasja Wajelech heeft Mosjee een vergezicht gehad op de ooit komende afvalligheid van de Israëlieten; in verband daarmee kreeg hij een gedicht ingegeven met de bedoeling om het aan het volk voor te dragen, een epische vermaning om de catastrofe van de verre toekomst te keren, een machtige dichterlijke poging van de terminale leider om over zijn graf heen invloed uit te oefenen op de koers van zijn geliefde maar lastige volk. De parasja Ha'azinoe (‘Hoort!')bestaat grotendeels uit deze poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Die bestaat uit vijf episoden (1).
De eerste is een korte aanhef, waarbij hemel en aarde als getuigen worden aangeroepen.
De tweede episode brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen en dat Hij dit volk Zijn bijzondere bescherming zal geven: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt'. Daarna volgt in de tekst dan een schets van een fase van voorspoed waarin Jesjoeroen (=Israël.(2)) vadsig en vet wordt, het verzadigd raakt, dik en rond wordt.
Dan volgt de derde episode: het volk, vadsig en vet geworden, loopt weg van zijn schepper, versmaadt zijn stut en steun, zijn rots. De vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Ballingschap ( galoet ) en diaspora zullen zich gaan afspelen Eerder in Devariem/Deuteronomium werd eveneens het beeld van de arend gebruikt, in dat geval als agressieve aanvaller: (28:49): 'Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt'. Maar eerder zagen we weer de zorgzame arend in Sjemot Exodus 19:4: ‘Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht'. (3)
Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden breekt een vierde episode aan, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven. Het motief dat voor deze wending wordt geschilderd is niet zozeer een hernieuwde compassie met het geteisterde Israel als wel de aantasting van de reputatie van de Eeuwige, die op het spel staat. De vijanden van Israël mogen niet misleid worden en hun overwinning op het arme volk aan zich zelf toeschrijven, blind voor het feit, dat hier sprake is van de wil en de hand van de God van Israël. De redenering doet denken aan het argument waarmee Mosjee God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf geen prooi van vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"' In andere passages in Dewariem/Deuteronomium wordt als motivatie genoemd de compassie van de Eeuwige als antwoord op ommekeer, Dat spreekt mij en misschien ook u meer aan (4).
Ten slotte, in de vierde episode wordt de almacht van de Eeuwige nog eens breed uitgemeten.
Als de recitatie van het gedicht is afgelopen krijgt Mosjee te horen, dat hij nu de berg Nevo zal moeten gaan beklimmen om er te sterven; daarmee eindigt de parasja.

Wie heeft de schuld?

In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of God en zijn geboden af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor afval de vreselijkste rampspoeden, die herhaaldelijk en ook nu weer in geuren en kleuren beschreven worden. Steeds is Mosjee 's boodschap daarbij, dat, als het verkeerd gaat, het niet aan God ligt. De termen en beelden van het leerdicht ‘Ha'azinoe', zijn straf en krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Wanneer we door de epische terminologie van God als almachtige oorlogsvorst – in die tijd gebruikelijk – heenkijken en zo ons best doen om een betekenis voor ons te ontwaren, dan horen we een oproep, die steeds weer opnieuw klinkt - de laatste dag van Mosjee is steeds de dag van nu, vandaag, hajom - : een herinnering, gekleed in heftige lyriek, een herinnering aan de mogelijkheid tot vrijheid die de mens heeft en een oproep die vrijheid te gebruiken voor verantwoordelijkheid.
Rabbijn Jonathan Sacks zegt (4) iets belangrijks; daarbij vraag ik aan de niet-God-gelovigen en aan de meer het woord God liever vermijdenden (zoals ik) de ‘Gods-taal' van de rabbijn voor lief te nemen en naar de essentie te gaan (vertaling door mij, cursief in origineel):
‘Het is de macht van de hoop, die geboren wordt, als Gods liefde en vergiffenis zich verbinden met de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Het is die macht, die het Jodendom heeft gemaakt tot de morele kracht, die het altijd is geweest voor mensen met een open hart en geest. Maar die hoop, zegt Mosjee met een passie die ons bijna zeer doet, als we die opnieuw op ons in laten werken, die hoop gebeurt niet zomaar. Er moet voor gewerkt worden, hij moet worden gewonnen. De enige manier, waarop dat wordt gerealiseerd is door  niet God de schuld te geven . Als wij een betere wereld willen, moeten wij die maken. God onderwijst ons, inspireert ons, vergeeft ons wanneer wij falen en tilt ons op als wij vallen, maar wij moeten het doen. Het is niet wat God doet voor ons, dat ons transformeert; het is wat wij doen voor God.'

noten
(1) Zie ook: Gunter Plaut (ed),The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981, p
(2) Jesjoeroen, poetische naam voor Israel, hier voor het eerst genoemd; volgens Ibn Ezra afgeleid van ‘jashar', recht(op), rechtvaardig
(3) Zie de aantekening van Rasji bij de arend van Devariem/Deuteronomium 32:11; hij verklaart, dat het unieke van de arend is dat hij als enige vogel de jongen niet in zijn klauwen draagt maar op zijn rug, want de enige dreiging voor het hoogvliegende dier komt van beneden, van de pijlen van de mens. Hij meent dan dat dit speciaal slaat op de wolk van de Eeuwige, die zich beschermend plaatste tussen de pijlen van de achtervolgende Egyptenaren vlogen naar de Israelieten op weg naar de Rietzee. Zie ook Mechilta de Rabbi Yishmael perek 19:4. Overigens is het biologisch gezien niet bewezen dat de arend de jongen op zin rug draagt, mogelijk is het gezichtsbedrog als in de verre hoogten de arend beschermend over zijn jongen zweeft bij hun eerste vlucht.
(3)Bijv. Devariem/Deuteronomium 30:2 ev. (NBG): ‘(...) dan zal de Hasjem, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen', we sjav Hasjem elochecha et sjewoetcha we rachamecha.
(4) http://www.rabbisacks.org/haazinu-5774-leaders-call-responsibility/
Lees ook zijn discussie in zijn commentaar van 2015/5776

Parasjat Nitsaviem-Wajelech    Devariem/ Deuteronomium 29:9-31:30

Het begin van de wijsheid

De parasja Nitsaviem wordt in de meeste (niet-schrikkel) jaren tezamen met de parasja Wajelech gelezen. De tekst begint met: ' Hier bent u allen nu bijeen ( nitsaviem ), ten overstaan van de Eeuwige, uw God: de stamhoofden, de oudsten, de schrijvers, alle mannen, vrouwen en kinderen van Israël, en alle vreemdelingen die als houthakker of waterputter in het kamp werken – bijeen om toe te treden tot het verbond dat de Eeuwige, uw God, vandaag met u sluit, en de sancties die erbij horen te aanvaarden'.
Heel Israel, van hoog tot laag, mannen, vrouwen en kinderen (ik zie de vrouwen met kleuters om hen heen en baby's op de arm), stamhoofden maar ook waterputters, staan in onafzienbare scharen voor Mozes, en als het ware ook voor de Eeuwige. Hajom , vandaag, dat wil zeggen toen, maar ook nu heden ten dage nog steeds.
Binnenkort is het Rosj Hasjana en Jom Kipoer en staan ook wij weer daar tezamen in grote schare in sjoel. Ervaren wij als schare voor Zijn aangezicht nog hetzelfde als toen?
Kent de ervaring en de perceptie van het Altijdzijnde een (r)evolutie?

De bekende protestante theoloog Harry Kuitert , een man die van uit gereformeerde orthodoxie zich ontwikkelde tot theoloog, bekende uiteindelijk tot ontsteltenis van de gereformeerd-protestante wereld: God bestaat niet. Van hem zijn de in protestante kringen beruchte woorden:
‘Al het spreken over boven komt van beneden, ook als we zeggen dat het van boven komt' - een slogan, die voor velen klonk als een vloek en die voor anderen een bevrijding uit een orthodox keurslijf betekende. Voor Kuitert – als je hem ziet spreken in een interview op zijn 80 ste verjaardag een intens religieus man - betekende het dat de verhalen in de bijbel over God niet betekenisloos zijn, maar ze zijn wel door de menselijke geest gemaakt en geschreven.

In de Joodse sfeer wordt er naar mijn indruk niet zoveel gediscussieerd over of God (of de Eeuwige of Hasjeem) nu wel of niet bestaat. Het lijkt wel of het bestaan van de Eeuwige niet ‘im Frage' is. Zelfs al zingen de sjoelgangers een dienst lang ‘ Adonai Elohenoe' , Eeuwige onze God, over Hem wordt na de dienst bijna nooit gesproken .
Het doet mij denken aan die witz van de rijke Joodse New Yorker, al lang niet meer ‘observant', die de beste school van de stad voor zijn zoon wilde. Hij stuurde hem naar het katholieke Trinity College. Na een jaar vroeg hij zijn zoon, wat leer je daar nou allemaal. De zoon zegt, nou over de Heilige Drieenheid van God de vader, de Zoon en de Heilige geest.
Vader: ‘ik haal je direct van die school af: God is één, hoor je, al geloof ik niet in hem!'.

In de Joodse sfeer ligt het discours over God misschien anders dan in het christendom, en moet hij anders gevoerd worden, maar de ‘slogan' van Harry Kuiters geeft ons toch een uitgangspunt. Als al het spreken van beneden komt, ook het spreken, dat het van boven komt, hoe zit dat dan met het feit, dat uit de natuur (in de zin van Spinoza) een wezen voortkomt, dat het over ‘boven' kan hebben en zichzelf dit antwoord kan geven?

We kunnen het met Kuiterts antwoord deels eens zijn: de verhalen van de bijbel en ook van de Exodus en Sinaj zijn door mensenhand geschreven. Het zijn verhalen geworden, die Israel en later nog andere volken een basis hebben verschaft om een samenleving sturing en richtlijn te geven, succesvolle verhalen, die in hun eeuwenlange geschiedenis vele andere verhalen hebben overleefd (je zou bijna zeggen succesvolle ‘memen' in de zin van de atheist Daniel Dennett ), al verkeren ze heden wel in de gevarenzone. Verhalen, die in mijn visie niet de waarheidsclaim van de dogmatiek hebben, maar ook weer meer zijn dan poëzie. literatuur of mythologie. Verhalen, die steeds iedere generatie weer een nieuw antwoord vragen. Wat geeft die verhalen dan hun bijzonder karakter?

Nu kom ik op een vruchtbaarder vraag dan de vrij zinloze vraag of God wel of niet bestaat, zinloos te meer omdat het woord God een woord is met een zo grote kring van associaties in alle richtingen, dat het of teveel of te weinig zegt.
Die vraag is: is er openbaring (revelation)? Is er bij religies - met name de monotheistische religies, voorop het Jodendom – sprake van een openbaring, die uitgaat boven de gebruikelijke kennisverwerving door schade en schande, noodzaak of nieuwsgierigheid? Toegespitst op het Jodendom: gebeurde er iets bijzonders op de heilige berg Sinaj of was het niet meer dan illusie of zelfhypnose Of kwam de ervaring van de Ene en zijn tien geboden uit de onderverdieping van de psyche à la Sigmund Freud, als een troostende illusie in een harde wereld? (1)

De Joodse filosoof Martin Buber meent, dat er wel degelijk sprake was van een openbaring, niet van Gods essentie, maar van Zijn relatie met de mens. Buber is universalist. Er is sprake van een intense ervaring van Zijn presentie, die op zich nog geen geboden inhoudt. Maar de vertaling van deze ervaring in geboden (mitswot) is het werk van de mens Mozes.
Daarom zijn ze slechts bindend voor het individu in zoverre deze vanuit zijn persoonlijke ervaring van de relatie met de Ene geboden vrijwillig op zich neemt. Franz Rosenzweig, Martin Bubers medevertaler van de Tanach en medestichter van het Freies Jüdisches Lehrhaus , ging toch een stap verder. Rosenzweig erkent weliswaar, dat de openbaring van de presentie van de Ene niet de openbaring van de mitswot met zich meebrengt. Maar hij bepleit wel de acceptatie van het geheel van de mitswot. Dat is rationeel niet te beredeneren, maar vraagt een daad van geloof. Die daad van geloof springt voort uit de loyaliteit aan de voorvaderen, die het Hajom (‘vandaag') van toen tot het Hajom van nu maakt. Rosenzweig is particularist.(2)

De antropoloog en stichter van de psychoanalyse Sigmund Freud heeft de traditie geheel afgezworen. Hij accepteert ook Bubers mytieke presentie van de Eeuwige in relatie met de mens niet; religie, God en de goddelijke autoriteit van de geboden zijn een kinderlijke illusie van de mens. Freuds hoop is gevestigd op de Wetenschap, die met zijn Rede, de mensheid, als het meezit, uit zijn waanidee zal helpen uitgroeien. En toch komt de atheïstische antropoloog er toe om in zijn boek over Mozes en het Monotheïsme te zeggen, dat het in het Jodendom gaat om de door Mozes gestichte en vooral door de profeten bewaarde en doorgegeven leer, dat ‘de godheid offers en ceremonieel afwijst en enkel geloof en een leven in waarheid en gerechtigheid (…) eist' (3). Freud noemt de ethische uitstraling van het Jodendomj een geistige Leistung', voor het overige is hij volstrekt areligieus.

Hoewel? Hij heeft ook geschreven: ‘Critici volharden in de gewoonte om een mens die openlijk uitkomt voor zijn gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld'(Freud bedoelt dus zichzelf, RC), ‘diep religieus te noemen, hoewel niet dit gevoel de kern van religiositeit vormt, maar (...) de reactie erop, die tegen dit gevoel een remedie zoekt\ (dus de religie RC). ‘Wie niet verder gaat, wie deemoedig genoegen neemt met de onbeduidende rol van de mens in de grote wereld, is juist in de waarste zin van het woord irreligieus'.(3)
Ik behoor tot de critici, die dit wèl een diep religieus besef noemen. Dit existentieel gevoel van de mens, verloren in het totaal open veld, kan inderdaad enerzijds brengen tot de sprong in de zekerheid van religieuze dogmatiek of (ultra)orthodoxe leerstellige waarheidspretentie, het vanzelfsprekende systeem, maar anderzijds kan die openheid ook betekenen – zet u even schrap - een beschikbaarheid voor een werkelijk contact met wat voorbij ligt aan wat menselijkerwijs is te weten, voor een ‘inbreuk' of ‘inbraak' van het oneindige op/in de totaliteit van het ons bekende en vertrouwde, in de zin van Emmanuel Levinas.(4), een inbreuk die niet rechtstreeks naar een God wijst maar vooral naar de Ander.

Ik moet denken aan de bekende uitspraak uit Spreuken (Misjlee): Het ontzag voor de Eeuwige ( jirat Hasjem, zeg het Freudiaanse ‘gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld') is het begin van de wijsheid ( resjiet chochma ). Zo staan we weer een aantal momenten stil op de Hoge Feestdagen.

noten

(1) Sigmund Freud, De toekomst van een illusie, 1927
(2) Gebruikt is ook: Benny Kraut, THE APPROACH TO JEWISH LAW OF MARTIN BUBER AND FRANZ ROSENZWEIG, Tradition: A Journal of Orthodox Jewish Thought. Vol. 12, No. 3/4 (WINTER-SPRING 1972), pp. 49-71
(3) Sigmund Freud, Mozes en het Monotheisme , 1939, Boom, p. 64. 
(3) Sigmund Freud, De toekomst van een illusie , 1927
(4) Zie bijv. Emmanuel Levinas, Het menselijk gelaat , (tweede deel: Filosofie van het menselijk gelaat, Ambo, 1969, 1987, p. 191, over Sjemot/Exodus 33:23 Geciteerd ook in Rob Cassuto's commentaren op de vijf boeken van de Tora: REIZEN DOOR DE TORA ,deel 1, van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus , p. 167

Parashat Ki Tavo      Dewariem / Deuteronomium 26:1–29:8.   

De parasja

De parasja Ki Tavo beslaat Dewariem 26:1–29:8.   Dit bijbelstuk begint heel feestelijk met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (1), gevolgd door een passage met regels over de tienden. De rest van de parasha is gewijd aan de uitgebreide beschrijving door Moshé van een ritueel van zegeningen en vervloekingen, dat uitgevoerd moest worden, als het volk over de Jordaan was getrokken, een ritueel dat een herbevestiging moest betekenen van het commitment van Israel aan de Eeuwige en zijn geboden(2). Opvallend is de lange reeks vervloekingen over rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam ‘Tochacha' gekregen, vermaning (3). De zesde alija (leesbeurt tijdens de eredienst), die de vervloekingen bevat, is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagogen is het gebruik dat degene die deze alija moet lezen bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als het ware om ‘de goden niet te verzoeken'. Het zijn misschien deze vervloekingen, die koning Joshijahoe (Josia) uit het toen net uit de tempelruïne teruggevonden boek Dewariem (Deuteronomium) hoorde voorlezen, en die hem in angst deden uitroepen: ‘ Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de Eeuwige raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de Eeuwige is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven .(2 Melachim/Koningen 22:13)'

De Tochacha

Ze zijn geteld al die vervloekingen, 98 zijn het er; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote vindingrijkheid en literaire begaafdheid bij elkaar gezet, beschreven met een barokke pen, geformuleerd met aan perversie grenzende beeldrijkdom. Lees de beschrijving van de ouders die in de belegerde stad het vlees van hun kind eten en de moeder, die de nageboorte in het geheim opeet. De bedoeling zal waarschijnlijk geweest zijn om de toehoorders in die ongeduldige massa en de latere lezers uit het moreel immer belaagde volk te imponeren, af te schrikken en daardoor te brengen tot navolging van de voor hun bestwil uitgevaardigde geboden.
Hoe vergeefs is deze afschrikking geweest.
In de formulering van vele van de vloeken ligt al welhaast de profetie van hun verwerkelijking besloten. Lees de indrukwekkende beschrijving van het volk Israël dat onder alle volkeren verspreid zal worden en geen verademing zal krijgen, dag en nacht door angst bevangen, omdat het leven niet zeker is. Ze zijn allemaal uitgekomen. Gruwel je eerst van de beelden, even later besef je dat ze allemaal gerealiseerd zijn geweest (en eigenlijk nog steeds worden gerealiseerd op vele plekken van deze wereld) (4).

Als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens

Het oude godsbeeld wankelt Deze Tochacha en de bewoordingen waarin al deze vloeken zijn vervat heeft de vraag opgeworpen: bewerkt De Eeuwige dit nu allemaal? Nu eens als een milde vader die het goede kind zegent en dan - in de reeks vloeken - weer als de boze vader, die zijn slechte zonen met afschuwelijke straffen kastijdt? De tijd om alle filosofische en theologische artikelen en boeken van velerlei gezindten over deze vraag naar Gods werkzaamheid (vaak samengevat in de term theodicee) ontbreekt mij en ik veroorloof mij spontaan - met in mijn achterhoofd het bescheiden bezinksel van de paar gelezen regels en gepleegde gedachten hierover - het volgende te zeggen.

In moderne religieuze en geestesstromingen is het beeld van de gepersonifieerde God al lang verlaten. Het beeld van een belonende en straffende God is als het ware gedeconstrueerd. Wat God wél is is onvatbaar - misschien wel op spiritueel niveau te vermoeden als een scheppende en werelddragende energie - , maar één ding is duidelijk: als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens heen. De mens is het instrument, waardoorheen de Goddelijke werkzaamheid gestalte wil krijgen en dan moeten we er meteen aan toevoegen: de mens in relatie en in het bijzonder de mens samen met zijn medemensen in gemeenschap. God kan zich openbaren als het diep geweten verlangen om naar het goede voor zich, voor de naaste en de gemeenschap te streven. Wat is het goede? Hierover gaat de Tora . Als wij trachten de grondwaarden uit de vele regels en voorschriften en uit de overvloed aan epoch-gedateerde details te destilleren, dan gaat het over zorg en liefde voor de naaste, het delen van voedsel en goed, wederzijdse hulp, niet achter afgoden (in de ruimste zin) aanrennen, nastreven van rechtvaardigheid in de gemeenschap, trouw, integriteit en eerlijkheid, compassie met en goede daden voor wie nood heeft, zorg voor de natuur en de leefomgeving, een en ander met gezonde waardering voor eigen kunnen en gepaard aan besef van eigen nederigheid..
Het wonderlijke van de Tora is dat dit in deze vorm - zo lang geleden al - zo totaal en samenhangend aan Israël is geopenbaard. Het is eigenlijk een groot recept voor álle naties om als volk in welvaart, overvloed en blijdschap samen te zijn en te werken met een helder besef van de plaats in de kosmos en een gevoel van grote dank voor het leven.
Zo gezien is het niet God die buiten de mens om beloont en straft, maar de mens zelf: hij heeft het aan zichzelf te danken of te wijten. We kunnen dan een poging wagen de Tochacha te parafraseren in een modernere logica: een samenleving, waarin het recht wordt verlaten, waarin oneerlijkheid, leugen, corruptie, onbetrouwbaarheid, puur eigenbelang, bandeloosheid, disrespect, liefdeloosheid de overhand krijgt is gedoemd af te glijden naar anarchie, armoede, geweld, in laatste instantie naar (burger)oorlog. Die samenleving kan de prooi worden van onzegbare verschrikkingen. De voorbeelden in onze wereld passeren dagelijks de revue; vul zelf maar in.

Deze waarheid kreeg Israël al in het begin van haar verbondsbestaan met de Eeuwige voorgeschoteld, onder andere in deze Tochacha. In die vorm valt op, dat de toegesprokene het individu is, een jij. Maar een jij binnen de volksgemeenschap. Dat wil zeggen dat ieder zijn verantwoordelijk heeft gekregen om zijn bijdrage te geven aan het wel en wee van zijn samenleving. Maar daarmee deelt het individu ook mee in het wel evenals in het wee. In die zin gaat het reilen en zeilen van de samenleving boven hem uit. Wij zijn afhankelijk van elkaars goede wil die bijdrage te leven en te leveren. Die ene rechtvaardige in een gemeenschap waar de waarden van rechtvaardigheid en compassie door een kritische massa van kwaadwillenden worden genegeerd, zal worden meegesleept in het afgeroepen onheil ondanks zijn rechtvaardigheid (5) Immers het verval en de ellende in de samenleving treft veelal de gemeenschap met man en muis. Dit maakt de verantwoordelijkheid van het individu om naar zijn beste kwaliteiten aan de gemeenschap bij te dragen juist extra groot. De rechtvaardige tilt zijn gemeenschap op en kan zelfs het verschil malen, maar kwaadwillenden halen de gemeenschap naar beneden en nemen allen mee in hun val.

Noten

(1) In een ander commentaar ben ik op de aanbieding van de eerste vruchten ingegaan
(2) Dit is inderdaad uitgevoerd door Jehoshoea (Jozua), zie Jehoshoea 8:30
(3) Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere kleinere reeks staat al in Wajikra/Leviticus, in de parasha Bechoekotai .   Er is wel gezegd, dat die eerste Tochacha in Wajikra betrekking had op de eerste verwoesting van de tempel en de ballingschap die daarop volgde. Deze reeksvervloekingen besluit met de voorzegging dat De Eeuwige zich weer het verbond zal herinneren en na 70 jaar kwam er inderdaad een einde aan de ballingschap. De tweede Tochacha zou dan slaan op de tweede verwoesting van de tempel en de daarop volgende diaspora. De reeks vervloekingen eindigt niet met troostvolle woorden en een happy end. Er is geen suggestie van tijdschema, waarna alles weer goed komt.
(4) Wie uit het boek van Simon Schama ( De geschiedenis van de Joden, deel 1, Atlas Contact, 4e druk, 2014) leest over de uittocht van Joden uit Spanje in 1492:
‘Totdat de nieuwigheid eraf was, kwamen mensen van hun huis of hun akkers om in rijen langs de weg of het pad te kijken naar de lange stoet mensen, die zo goed en zo kwaad als het ging in de verzengende hitte van de Spaanse zomer naar de kust en de Portugese grens liepen. (…) Ze trokken over de wegen en door de velden [...] moeizaam en met veel tegenslag. Mensen vielen en stonden weer op, gingen dood en werden geboren, nog anderen werden ziek en er was geen christen die geen mededogen met hen voelde, (…) en de rabbijnen spraken hun voortdurend moed in en gelastten de vrouwen en meisjes te zingen en op de tamboerijn te spelen om de mensen op te vrolijken' , wie dat leest, wie moet dan ook niet denken aan de Syrische vluchtelingen, die in een eindeloze stroom door de velden van de Balkan trekken?
(5) Zie de beroemde dialoog van Avraham met de Eeuwige over de vernietiging van Sedom en ‘Amorra Bereshiet/Genesis 18:23 ev

Parasjat Ki tetsee Devariem/Deuteronomium 21:10 - 26

Vaders en moeders, zonen en dochters

Deze parasja Ki Tetsee gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken en nog tal van andere zaken (1). 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasja, de meeste van alle parasjot.

Een van die vele bepalingen luidt (24:10 HSV): ‘De vaders mogen niet ter dood gebracht worden om de ? kinderen, en de ? kinderen ? mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders. Ieder zal alleen om zijn eigen ? zonde ? ter dood gebracht worden'. Het wordt zo gelezen, dat vaders niet vanwege de zonden van hun kinderen de doodstraf kunnen krijgen en omgekeerd de kinderen niet vanwege de zonden van hun vaders. De tweede zin beschrijft het achterliggende beginsel, dat ieder verantwoordelijk is voor zijn eigen daden.
In de Tanach zijn passages te vinden, die doen vermoeden, dat de bepaling oorspronkelijk is gericht tegen het verschijnsel, dat de overwinnaar in de strijd ook de nakomelingen van de overwonnene uitroeit uit voorzorg tegen weerwraak. Zo liet Koning Amazia van Juda de hovelingen, die zijn vader hadden vermoord ombrengen, ‘maar - zo vertelt 2 Koningen 14:6 - de ? kinderen ? van die moordenaars bracht hij niet ter dood, zoals geschreven staat in het wetboek van ? Mozes, waar de Eeuwige geboden heeft: De vaders mogen niet ter dood gebracht worden om de ? kinderen ? en de ? kinderen ? mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders, maar ieder zal om zijn eigen ? zonde ? ter dood gebracht worden.'

Rabbijnse discussie kent het beginsel, dat de Tora niet in een alinea twee keer hetzelfde zegt. In dit geval redeneren, dat de algemene regel in de laatste zin ‘Ieder zal alleen om zijn eigen ? zonde ? ter dood gebracht' al alle gevallen omvat, dus waarom dan de voorgaande regels over de vaders en de zonen? Wel, die brengen een bijzondere toevoeging, want mede is bedoeld: de vader kan niet de doodstraf krijgen op grond van getuigenis, door zijn zoon aangebracht, en omgekeerd kan een zoon niet de doodstraf krijgen op grond van getuigenis van zijn vader (2). Het gaat dus over de nul bewijskracht van getuigenissen van vaders tegen zonen en vice versa, ten goede of ten kwade. Dat wordt dan uitgebreid naar een ruime kring van familieleden en ook rechters kunnen familieleden niet in strafzaken berechten (3). De getuigenis van Astrid Holleder zou voor het Beet Din geen geldigheid hebben. De halacha (othodoxe Joodse wet) laat geen getuigenis van familieleden toe en gaat daarin veel verder dan het Nederlands recht. Dat kent de verschijnings- en getuigenplicht ook van familieleden, maar kent daarbij wel het verschoningsrecht voor familie leden, iets waar Astrid duidelijk geen behoefte aan had. (4). Waarin de halacha veel minder ver gaat is de regel, dat vrouwen in de meeste gevallen voor het Beet Din (religieuze rechtbank) sowieso geen getuigenis mogen geven (5), iets waarmee in deze moderne tijd de orthodoxie nog steeds worstelt; in reform kringen is de vrouw als getuige (en in vele andere zaken) gelijkgesteld aan de man, evenals in het burgerlijk en strafprocesrecht in Israël krachtens de Women's Rights Act, 5711-1951.

Een andere vraag, die in de aandachtige lezer van de Tora opkomt staat in verband met de bekende verzen uit Sjemot/Exodus 20:5 en 34:7, waarin de Eeuwige wordt omschreven als degene, ‘die de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de ? kinderen ? en kleinkinderen, tot in het derde en vierde geslacht'.
Hoe valt dat te rijmen met de hierboven besproken redelijke uitspraak, dat iedere man alleen om zijn eigen ? zonde ? ter dood wordt gebracht, alleen hij kan voor zijn daden ter verantwoording worden geroepen? Moeten de zonen (voor zoon lees ook dochter) dan niet toch boeten voor de zonden der vaderen (voor vader lees ook moeder)? Is dat niet hoogst onrechtvaardig?
We moeten bedenken, dat de bepalingen in Devariem zijn gegeven in de sfeer van het strafrecht. De voorschriften in Devariem zijn gericht aan de rechters van Israel, in Exodus gaat het om aanduidingen van eigenschappen van de Eeuwige of wat ruimer gesteld om de werking van de voorzienigheid. Met deze verzen uit Exodus begeven we ons om zo te zeggen in de sfeer van de theologie. Rasji (veel geraadpleegd middeleeuwsncommentator) commentarieert nuchter, dat die vergelding alleen plaats vindt als de zonen volgen in de voetsporen van hun vaders. In overeenstemming met de Joodse overtuiging omtrent de vrije wil heeft de zoon altijd de keuze om het slechte voorbeeld van de ouders niet te volgen. De vergelding is van toepassing op wat de zoon zelf aan slechts doet in navolging van zijn vaders voorbeeld en is dus geen plaatsvervangende vergelding van de slechte daden van de vader.

De Tora gebruikt de typische woorden die passen bij archaïsch personalistisch beeld van een godheid, die boos is en persoonlijk vergelding zoekt. In mijn denken zijn in een wereld van fysische wetten en psychologische tendenties oorzaak en positief of negatief gevolg bruikbaarder termen dan zonde, straf en beloning. Toch zouden we onder de bewoordingen van de Tora een intuïtie kunnen vermoeden omtrent een principe, dat is uitgewerkt in de moderne systeemtheorie in de psychologie, het principe dat het individu altijd moet worden gezien in zijn sociale context, cq het kind in de context van het gezin. Nu zouden we waarschijnlijk andere dan bijbelse woorden gebruiken om het verschijnsel te beschrijven van de enorme invloed die de levenswandel van vader/moeder op zoon/dochter en kleinkinderen kan hebben, ten goede, maar ook ten kwade, een invloed die generaties lang kan doorwerken. Kinderen, die opgevoed zijn in een crimineel milieu lopen de kans zelf ook crimineel te worden. Een alcoholische vader of moeder brengt vaak kinderen groot, die ook alcoholist worden. Vergelding en woede zijn de termen die de Tora gebruikt om ons ervan te doordringen, dat slechte daden van de ouders een kwaadaardige moeilijk te keren doorwerking hebben op hun nakomelingen; ze sporen ons aan om vanuit dit besef alleen al ten behoeve van de kinderen op het rechte pad te blijven. Maar niet alleen slechte daden en ondeugden van de ouders kunnen verstrekkende invloed hebben op de nakomelingen, ook andersoortige gezinsdrama's kunnen nog generaties lang een merkbare en soms fatale doorwerking hebben. De loyaliteit van kinderen aan hun ouders maakt, dat ze de schuldgevoelens en het leed van hun ouders overnemen en daaronder onevenredig lijden; in zekere zin boeten ze voor hun (voor)ouders; tot op zekere hoogte is dat misschien onvermijdelijk.

noten

(1) ) Vele andere aspecten van deze parasja heb ik belicht in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 en op mijn website www.robcassuto.com
(2) bv Ovadja Sforno (16 e eeuw) ad hoc
(3) Talmoed Sanhedrin 27b, Sefer Hachinuch 589:1
(4) Zie wetboek van Strafvordering art 271
(5) o.a. op grond van Talmud Shevuot 30a: ‘De getuige eed wordt toegepast bij mannen, maar niet bij vrouwen'

Parajat Sjoftiem Devariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9
Vernietig niet! Verspil niet!

Korte samenvatting van de parasha

In deze parasha worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël. Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak (het aanstellen van rechters en beambten en onpartijdig rechtspreken, beroepsmogelijkheid bij de Levieten) , bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen. Heftig veroordeeld worden dwaalwegen: wichelarij, waarzeggerij, tovenarij, afgoderij wordt bestraf met de doodstraf. Alleen op deze plaats noemt Moshé zich zelf profeet. Ook na hem zullen profeten komen. Wie kan je vertrouwen? Een profeet is hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt. De Eeuwige voorziet bij monde van Moshé , dat het volk ooit een koning wil, dat is goed dan. Het merendeel van de rabbijnse geleerden ziet er geen mitswa in, maar een concessie aan een lager volksverlangen. Die koning mag niet te veel paarden, vrouwen en goud en zilver hebben (dit heeft Shlomo ha-melech later vergeten). Verleg niet eigenmachtig de grensstenen van een stuk land.
Er staan regels van oorlogvoering in deze parasha , op zich revolutionair is het in dat millennium voor de westerse jaartelling om de barbaarse krijg enigszins aan banden te leggen; het is een combinatie van mildheid (op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse hardheid: de wrede sancties op overwonnen tegenstanders , waar wij niet meer achter staan (al komen ze ook nu op deze wereld nog iedere dag voor). Een archaïsch ritueel met een maagdelijk kalf wordt voorgeschreven ingeval een dode in het veld wordt aangetroffen zonder achterhaalbare dader.

 Bal Tashchit

Onder de bepalingen van het oorlogsrecht treffen we een opmerkelijk vers (pasoek) aan. Was het oorlogsrecht al behoorlijk revolutionair voor die middenoosterse wereld van de samenstelling van de Tora, helemaal zijn tijd vooruit was wat er staat in hoofdstuk 20 pasoek 19 (iets bewerkte Dasbergvertaling): ‘Als je gedurende langere tijd een stad moet belegeren om die door middel van oorlog in te nemen, vernietig de vruchtbomen dan niet door de bijl erin te slaan, want je kunt ervan eten, vel hem dus niet. Is de boom van het veld soms een mens, die bij de belegering is betrokken?'
Niet-vruchtbomen mogen wel worden omgehakt ten behoeve van de belegering.
De Rabbijnse uitleggers redeneerden extrapolerend: als je vruchtbomen al niet in oorlogsomstandigheden mag omhakken, hoeveel te meer niet in tijd van vrede. Gaandeweg werd het principe, dat aan deze specifieke bepaling ten grondslag ligt, uitgebreid naar andere levensgebieden. Dat principe werd begrepen als een verbod om opzettelijk datgene wat voor mensen van nut is te vernietigen, inbegrepen ook nodeloze verspilling. Op grond hiervan is een heel leerstuk ontwikkeld onder het adagium ‘Bal Tashchit', ‘vernietig niet'.
Wie vaten breekt of kleding verscheurt, een gebouw vernietigt, een bron doet verstoppen, of voedsel vernietigt schendt het principe van Bal Tashchit, vonden de rabbijnen van de Talmoed. Men nam het principe zeer serieus. Rabbi Chanina dacht, dat de vroege dood van zijn zoon te wijten was aan het feit dat de jongen een vijgenboom had omgehakt. (Baba Kamma 91b). Het principe is uitgebreid besproken en becommentarieerd door de eeuwen heen. Rabbijn Samson Raphael Hirsch maakte het tot een zwaarwegend principe: ‘Dit is de eerste wet (Deuteronomium 20:19, 20) … Bezie de dingen als Gods eigendom en gebruik hen met gevoel voor verantwoordelijkheid ten behoeve van wijze menselijke doeleinden. Vernietig niet! Verspil niet!'.
In het moderne Jodendom geldt het principe van Bal Tashchit als een pijler onder de beweging van eco-kashroet, de leer die puttend uit de bronnen van oude Joodse wijsheid en traditie over de relatie tussen mens en aarde een nieuwe kijk wil ontwikkelen op wat een goede Joodse levenspraktijk is in het moderne leven van alle dag ( Arthur Waskow ). De ethische overwegingen van Bal Tashchit en eco-kashroet hebben een enorme impact op zowel consument als producent. Het gaat telkens om afweging in hoeverre een handeling een nodeloze belasting betekent van de natuur of nodeloze vernietiging met zich meebrengt. In het commentaar op de vorige parasha over vlees heb ik opgemerkt, dat het eten van vlees te veel kost, de aarde uitput en de voorziening van voedsel aan de wereldbevolking in gevaar brengt. Het ongeremd vlees eten van industrieel geproduceerd vlees kan je in de omstandigheden van deze 21 ste eeuwse omstandigheden rangschikken als een schending van het principe van Bal Tashchit. Een interessante keuze voor de ecologisch bewuste Jood is: als ik dan al af en toe een stukje vlees eet, wat is belangrijker, dat het kosher is of dat het diervriendelijk, duurzaam en met respect voor de natuur is behandeld.
De pas gewijde Rabbijn van het Verbond voor Progressief Jodendom in Nederland, Clary Roda, is een enthousiaste adept van eco-kashroet . Zij vertaalt het naar Nederland en naar zichzelf. ‘Wat voor energie gebruik je? Er is groene energie. Maar ook: bij welke bank breng je je geld onder. Als je weet waar sommige banken in investeren... Steeds weer is de vraag: kun je het voor jezelf verantwoorden? En hoe geef je eco-kasjroet dan een plek binnen traditioneel kashroet' ( interview Joods nu ). Roda pleit er voor, dat beetje bij beetje dat eco-kashroet ook ingang vindt bij de Progressief-Joodse gemeenschap. Zelf probeer ik een lijn te volgen die je eco-kosher style zou kunnen noemen.

(Bronnen o.a. http://www.reformjudaism.org.uk
http://www.chabad.org/library/article_cdo/

Vanaf de rouwdag Tisha Be'Av tot Rosh HaShana, vanaf de parasha Wa-etchanan tot en met de parasha Nitsavim, worden de zeven zogenaamde troost-haftarot ( shiva d'nechamta ) gelezen, stukken uit het boek Jeshajahoe (Jesaja), die tot strekking hebben het verbannen Israel troost te bieden. Bij de parasha Shoftim is dat Je saiah 51:12-52:12, waarin deze mooie regels (HSV): Hoe lieflijk zijn op de bergen
de voeten van hem die het goede boodschapt,
die vrede laat horen, die een goede boodschap brengt van het goede,
die heil laat horen,
die tegen Tsion zegt:
Uw God is Koning.

Parasjat Wa-etchanan     Devariem 3:23-7:11  ga naar de haftara

Hebben religies ons nog iets te bieden? 

Wat langzaam tot ons doordringt is hoe de wereld is veranderd. Communicatie reikt tot de verte uithoeken en is razend goedkoop. De media brengen de wereld bij de zitbank thuis. Reizen is gedemocratiseerd. De productie is geoutsourcet. De digitale informatierevolutie woedt in al zijn overstelpende dynamiek. Welvaart is in het westen alom. Maar tegenstellingen verscherpen zich. De kloof tussen arm en rijk wordt alarmerend groter. De armoede in vele delen van de wereld komt iedere dag in onze huiskamer. Aanstormende economieën eisen hun gigantisch deel in welvaart. Hulpbronnen worden zwaar belast en raken op. De hittegolf van dit moment brengt ons nog eens aan het verstand: de planeet blijkt een subtiel en kwetsbaar systemisch geheel. De aarde is het grote schip van ons allen, dat met ons door de eindeloze ruimte tolt. Spasmen voor de grote ramp of barensweeën van een nieuwe tijd? We hebben een nieuwe visie nodig, want de oude religies spreken niet meer al zijn we ons soms wel bewust, dat we daarmee iets onmetelijks hebben verloren.

Wat nu? Biedt nieuwe spiritualiteit, die op seculaire grond ontluikt misschien een oplossing? 
Een kwart van de Nederlanders is 'ongebonden spiritueel' stelde een  rapport  van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid van zo'n tien jaar geleden vast. De gangbare theorie dat spirituele mensen vooral oude hippies zijn –de flowerpower- adepten van weleer– en dat ze vanzelf wel uitsterven, klopt volgens het rapport niet. „Ons onderzoek laat zien dat spirituele mensen ook onder jongeren goed vertegenwoordigd zijn. Gemiddeld zijn ze 42 jaar en bovendien zijn het blijvertjes." Uit het onderzoek blijkt eveneens dat de 'ongebonden spirituelen' (mensen die naar eigen zeggen spiritueel zijn, maar zichzelf tot geen enkele groepering rekenen) niet alleen maar met hun eigen spirituele verrijking bezig zijn. Spirituelen zijn juist betrokken bij milieubescherming, mensenrechten en vluchtelingen, en ze geven gul aan goede doelen.

We kunnen best wel zonder al die oude godsdiensten, zou je kunnen denken. Laat iedereen zijn eigen zingeving of wereld- en levensbeschouwing bij elkaar sprokkelen. Wat verlies je als je bijvoorbeeld jodendom en christendom zou afschaffen. Toch wel wat belangrijks. Ik zet het even op een rij voor jodendom - en het geldt mutatis mutandis ook wel voor andere godsdiensten - : ethiek, gemeenschap en geschiedenis 

ethische essentie 
De essentie van de jodendom is naast het numineuze (en wellicht daarmee verbonden) de ethische richtlijn. In het Boeddhisme is dat bijv. opgenomen in het achtvoudige pad. In het jodendom is dat te vinden in de Tien Geboden – Uitspraken zegt men in het jodendom – , zoals ze geschreven staan in Sjemot/Exodus hoofdstuk 20 en in de onderhavige parasja Wa-etchanan, hoofdstuk 5, en in vele andere voorschriften in de Tora zoals die te vinden zijn in bijv. Leviticus 19, waarvan de bekendste is: ‘Heb je naaste lief als jezelf, Ik ben de Eeuwige'. Deze richtlijnen voor omgang tussen de mensen en met de Schepper, deze geboden van rechtvaardigheid en compassie, zijn een ooit een vrucht van diep inzicht geweest van de joden in oerverbinding met wat hun als God werd geopenbaard. Deze ethische essenties zijn verder opgenomen door Jezus in zijn verkondiging en zo ook een wezensbestanddeel van het christendom geworden, al heeft deze religie de Joodse schenkers van deze schat nooit liefgehad als haar naaste, integendeel.
Eigenlijk hebben deze ooit aan de joden gegeven geboden uiteindelijk doorgewerkt in een door de meerderheid van de mensheid aanvaard humanisme met name in westerse samenlevingen, al is het bewustzijn hierover amper aanwezig; dankzij deze principes is onze maatschappij met een aantal rechtsregels van menselijkheid en omgangsafspraken van fatsoen en respect onderbouwd en mogelijk gemaakt. Het is evident dat het wegvallen van een religieus draagvlak voor deze regels ondermijnend werkt en vereenzaming, decadentie, versplintering, egocentrisme en uitbuiting in de hand werkt.

gemeenschap 
Religie en dus ook jodendom is gemeenschap. Religie verbindt mensen met elkaar rond het centrum van de primordiale vraag naar hun bestemming. Dit maakt de existentiële eenzaamheid draagbaar en levert de context voor de oervraag naar zin, die soms met stille fluisterstem spreekt. Het is de niet op nut of productie of materieel doel gerichte gemeenschap, die mensen wezenlijk zoeken. In het jodendom wordt die gemeenschap uitgewerkt in het Verbond, dat is gesloten tussen God en het volk van Israël, dat concreet wordt beleefd in de synagogale gemeente. Daar worden ook de grote levensmomenten rond geboorte, huwelijk, verlies en dood samen gedeeld. 

geschiedenis 
Religie – en jodendom bij uitstek - is geschiedenis. Religie verbindt de generaties met elkaar in een gemeenschappelijk verhaal en een gedeeld lot. Van vader en moeder op zoon en dochter wordt het familieverhaal, het gedachtegoed en een context om het te begrijpen doorgegeven. Geschiedenis geeft een verleden en plaatst het eigen levenslot in het perspectief van een verleden en een toekomst. Daarin heeft het individu deel aan het drama van de wereld- en volksgeschiedenis. 
Bij de joden is het evident dat deze geschiedenis een complexe is met vele vragen. De zogenoemde uitverkorenheid is bij vele niet-joden verkeerd begrepen als kwalitatieve superioriteit. Het gaat in feite om de opdracht tot een bepaalde bestemming in de reis van mensheid, die voor het ene volk een andere is dan het andere. Dat het Joodse volk drieduizend jaar heeft overleefd ondanks diepe dalen wijst wel op een bijzonder karakter van die bestemming.

Parasja Devariem     Devariem 1:1–3:22

terugblikken

Het boek Devariem

Devariem is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van een ‘pentateuch' en Dewariem is dan een tweede Tora; dat betekent de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet. Dewariem is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht. Inderdaad, qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd.
Bijbelwetenschappers zijn het er bijna allemaal over eens, dat het geschrift is gecomponeerd in de tijd van de koningen Chizkijahoe en Joshiahoe uit bestaande orale of al geschreven teksten. Men identificeert Deuteronomium dan met de boekrol die wordt vermeld in 2 Koningen/Melachim 22, waarin vermeld wordt dat bij de restauratie van de tempel een boekrol is gevonden met heilige teksten, die aan de vrome koning Joshiahoe onthulden hoezeer het volk was afgedwaald van de rechte leer. Het kwam de koning goed uit in zijn strijd tegen de afgodendienst, voor de zuivering van de eredienst en de centralisatie van die dienst in Jeruzalem.
Waarschijnlijk was het oorspronkelijke geschrift korter dan het huidige boek en is het later verrijkt met een epiloog en een proloog waarin Moshé als spreker wordt ingevoerd om het boek het nodige gezag te geven.
Een interessante inleiding in het boek geeft G. Plaut in zijn 'Torah, a modern commentary'.

In het boek Devariem zijn een aantal onderdelen te onderscheiden:
+ Mozes recapituleert de laatste twee jaar van de omzwervingen, m.n. de oorlogen tegen Sichon en Og, Dewariem 1- 4
+ de eigenlijke wetgeving, die begint met intensieve vermaningen tegen afgodendienst. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1 ,4: 44, 5: 1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid. Verder vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Dit gaat door tot 27. + capita selecta, waaronder de zegen en de vloek bij opvolging resp. verwaarlozing van de voorschriften, en het wijzen op de keuze die het volk steeds heeft. Dit besluit de toespraak van Mozes. 27-29
+ afsluiting met het afscheid van Mozes dat in verschillende toonaarden wordt beschreven, waaronder het ‘lied van Mozes', zijn zegenen van de stammen en zijn uiteindelijk dood op de berg Newo. 29-34

De parasha Devariem

Devariem is ook de naam van de eerste parasha van het boek Devariem, naar de eerste woorden, die luiden: “Dit zijn de woorden, ‘ eileh ha-dewarim' , die Moshé etc.” De parasha begint haar verhaal op het moment, dat het volk van Israël na ruim veertig jaar omzwerving gelegerd is bij de Jordaan, klaar om de rivier over te steken. Delen van het Transjordaanse land zijn al veroverd en toegedeeld aan de stammen Rueven, Gad en de halve stam van Menashe. Moshé beklimt als het ware het spreekgestoelte en begint met een terugblik op de afgelopen veertig jaar.
Er zijn als het ware twee terugblikken.

De eerste terugblik put uit de geschiedenis van de eerste generatie, de eerste 38 jaar woestijnverblijf. Opvallend zijn de highlights die de terugblikkende leider uit die lange periode kiest om te memoreren. Je zou verwachten, dat hij bijvoorbeeld het gebeuren bij de Sinaj nog eens ophaalt of de grote misstap van het gouden kalf. Maar Moshé noemt de aanstelling van de stamhoofden en rechters, in deze versie voorgesteld door het volk en niet door zijn schoonvader Jitro, zoals Exodus verhaalt. Moshé memoreert, dat de rechters onpartijdig, neutraal en zonder aanzien des persoons moeten oordelen. Dat hij juist hier nogmaals over uitwijdt benadrukt, hoe belangrijk de waarde van onpartijdige rechtspraak voor een samenleving is, de hoeksteen van rechtvaardigheid en vrede.
De andere gebeurtenis , die Moshé terughaalt, is de geschiedenis van de verkenners van het beloofde land, toen ze na twee jaar aan de grenzen daarvan waren aangeland, waarbij de spreker nog eens het mismoedig verslag van de verkenners vermeldt en waarbij hij het gebrek aan geloof van het volk in een voorspoedige en gezegende voortgang van zijn missie breed uitmeet. Uitgebreid verhaalt de oude leider de gebeurtenissen nog eens en memoreert hoe het volk van Israel gedoemd werd in de woestijn te blijven tot een nieuwe generatie was volgroeid.
Dat Moshé juist op dit drama nog eens terugkomt is begrijpelijk als we beseffen, dat het die nieuwe generatie van jongeren is, die hij toespreekt. Juist het falen van de vorige generatie bij de grenzen van het beloofde land destijds houdt hij hen voor, alsof hij impliciet zegt: nu wij weer aan de Jordaan staan, maak niet dezelfde fout als jullie ouders en vertrouw en geloof daarentegen in eigen kunnen en de hulp van de Eeuwige.

De tweede terugblik behandelt de afgelopen twee jaar, het langzaam oprukken vanaf de oase van Kadesh – waar ze het merendeel van de 38 jaar hadden verbleven - langs de Jordaan, eerst om het land van de Edomieten – die als broedervolk en afstammelingen van Esav niet mochten worden aangevallen – en dan omheen het land van de Ammonieten – ook een broedervolk en afstammelingen van Lot, de neef van Avraham – en dan verder noordwaarts het land in van koning Sichon en het land Bashan van koning Og, waar succesvol strijd tegen werd gevoerd. Genoemde laatste twee landen werden toegedeeld aan de stammen van Reuven en Gad en de halve stam van Menashé, mits de mannen wel aan de verovering van het Cisjordaanse land zouden deelnemen, zelfs als stoottroepen. Dat is ongeveer en goeddeels de inhoud van de inleiding van Moshé en de eerste parasha van het boek Dewarim. Daarna komt hij toe aan de werkelijke boodschap, de richtlijnen voor het juiste leven van de Israelieten, nodig voor het overleven als natie.
In de volgende parasha Wa'etchanan krijgen we even nog de onroerende scene, dat Moshé verzoekt om toch mee de Jordaan over te steken, wat de Eeuwige niet toestaat, maar wel mag hij het Cis-Jordaanse landschap, dat hij nooit zal betreden, aanschouwen van de bergtop van de Pisga. Dan begint in hoofdstuk 4 de wetgeving met als hoogtepunt de Tien Woorden in een in detail afwijkende versie van Exodus 20.

RC

Parasjat Matot-Masee  Bemidbar/Numeri 30:2-36:13   

Een einde aan bloedvergieten

De parasjot Matot en Masee worden dit kalenderjaar tezamen gelezen 
Het onderwerp van de gelofte en de eed komt ter sprake. 
In een aantal passages wordt de oorlog tegen Midjan verhaald.
In de parasja Masee memoreert de inmiddels bejaarde Mosjee nog eens alle pleisterplaatsen van de veertigjarige zwerftocht door de woestijn. Ook worden bepalingen gesteld over de verdeling van het land. Veel aandacht krijgt het speciale verzoek van de stammen Reuven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen. Regels over moord en doodslag volgen nog. Er worden asielsteden ingesteld voor plegers van niet-opzettelijke doodslag. Wat meer hierover.

De asielbepalingen in de parasja Masee (35:10 ev) waren een novum in de ontwikkelingen van het recht in het oude Midden-Oosten en wierpen een dam op tegen het alom heersende recht (zo niet de plicht) tot bloedwraak, die gold in geval een verwant was gedood, of dit nu met opzet (moord) was gebeurd of geheel buiten de schuld van de dader om. 
Er werden 6 steden bestemd tot asielsteden ( aré miklat ), 3 aan deze zijde van de Jordaan, 3 aan gene zijde. Het asiel stond ter beschikking aan hen die iemand onbedoeld hadden gedood. In een bijeenkomst op of bij de locatie van de doodslag werd bepaald of deze zonder opzet was gebeurd en zo ja, dan kon de dader zijn toevlucht nemen tot een van de asielsteden nemen. 
Daar moest hij dan blijven – desnoods een leven lang – om gevrijwaard te zijn van de bloedwreker. Echter, de dood van de hogepriester maakte een eind aan deze ban, daarna mocht de dader naar zijn oorspronkelijke woonplaats terugkeren en had de potentiële bloedwreker zijn recht op straffeloosheid ingeval van uitvoering van zijn wraak verloren. 

De dood van de hogepriester maakt een einde aan de ban (35:25). Dit is een m erkwaardige, schijnbaar losstaande bepaling. Wat is heeft de dood van de hogepriester met het asiel van de doodslager te maken? 
Maimonides (de grote leraar, filosoof en psycholoog uit de 12 e eeuw) zag zoals vaak hiervoor een rationele verklaring. In de ‘Gids der verdoolden' ( moré nevoechim ) schrijft hij (geciteerd in een commentaar van R. Jonathan Sacks, mijn vertaling): ‘Een persoon die een ander zonder opzet beeft gedood moet in ballingschap gaan, omdat de woede van de bloedwreker afkoelt als de oorzaak van het onheil uit zicht is. De kans op terugkeer uit ballingschap hangt af van de dood van de hogepriester, de hoogst geëerde van alle mensen en de vriend van heel Israël. Door zijn dood wordt de verwant van de gedode weer verzoend; want het is een natuurlijk fenomeen, dat we troost vinden in ons ongeluk als een zelfde of een nog groter ongeluk een ander heeft getroffen. Geen dood veroorzaakt onder ons groter verdriet dan de dood van de hogepriester'. (1)
Maimonides geeft een psychologische verklaring die wij goed kunnen begrijpen; een groot verdriet, dat het hele volk aangrijpt doet het eigen ongeluk minder groot lijken. De dood van een groot man of een grote vrouw heeft in moderne tijden een vergelijkbaar effect. 

Een geleerde uit de zestiende eeuw,– de Maharsha, voortbordurend op de oudere commentatoren zoals Rabbenoe Bachya (2) - geeft een heel andere meer mystiek lijkende verklaring, een uitleg van andere orde. Hij wijst erop dat deze bepaling rond de hogepriester samenhangt met de taak van de hogepriester om op Jom Kipoer te bidden voor het welzijn van hele Joodse volk. Dat impliceert, dat hij middels zijn tussenkomst moet bevorderen, dat er geen ongelukken zullen plaatsvinden. Vindt er toch een ongeluk plaats, zoals een doodslag, dan is ook hij eigenlijk een beetje schuldig; hij heeft niet goed genoeg gebeden. Zijn dood is dan ook enigermate een zoenoffer voor deze schuldigheid en maakt het op die manier mogelijk aan de ban een einde maken. 

In deze laatste verklaring is er van een heel eigen soort causaliteit sprake. R. Jonathan Sacks, wiens commentaar deze twee verklaringen ook behandelt, noemt deze laatste uitleg van bovennatuurlijke orde (3). Zelf zie ik de laatste uitleg meer in de sfeer van het collectief onbewuste. Ieder sterven, zeker de dood door opzet (moord), maar ook doodslag of de dood door een ongeluk, verstoort een diep gevoel van orde, je zou kunnen zeggen op het niveau van de ziel. Dit vereist een zekere correctie, een herstel van de verstoorde psychische balans in de gemeenschap. De straf en het offer voorzien daarin. In oude tijden was de bloedwraak het herstelmiddel om de onbalans – ontstaan door het verlies van een ontijdig door mensenhand uit het leven gerukte verwant - te compenseren. Maar bloedwraak leidt tot weerwraak en tot een nimmer eindigende bloedvete, besefte de Tora-wetgever al, en met de asielbepalingen voor de doder zonder opzet deed hij een enorme stap in de richting van beperking van eigenrichting en persoonlijke willekeur. De dood van de hogepriester is dan een symbolische zoendood van de oorspronkelijke verstoorder van de psychische balans in de gemeenschap. 

Is de bloedwraak en de bloedvete in de meeste democratische (westerse) staten gelukkig sporadisch en beperkt tot sommige niet goed geïntegreerde immigranten die nog hangen aan meegenomen wrede culturele gebruiken en tot maffiose groepen aan de onderkant van de samenleving, tussen volken – soms binnen één natie, soms elkaars nabuur - kunnen we iets dergelijks als een onverzoenlijke vete nog steeds signaleren. Geweld aan de ene kant lokt navenant geweld uit aan de andere kant uit en een kettingreactie zet zich in werking; een bevredigende closure van het proces van wreedheid, wraak en pijn, aan elkaar begaan, wordt nimmer bereikt. Nooit wordt het overstijgend niveau bereikt van besef van het aan elkaar aangedaan verdriet en nooit komt het tot een kritische massa van compassie die opweegt tegen de diepgewortelde haat, een niveau waarop beide partijen kunnen samenkomen. De aangedane trauma's kunnen niet in het licht komen zodat een proces van herstel kan beginnen.
Of toch wel ooit? Nog be-jamenoe (in onze dagen)? De broeders Jacob en Esav hebben ook na een lange vete een pact van vrede gesloten .

Noten

(1) Maimonides, The guide for the perplexed, (Dover Publ. 1904/1956 ) part 3 XL (p.343)
(2) zie bv Rabbeinu Bachya ad loc https://www.sefaria.org/Numbers.35.25?lang=bi&with=Rabbeinu%20Bahya&lang2=en
(3) http://rabbisacks.org/mattot-masei-5775/

Parasjat Pinchas  Bemidbar 25:10–30:1       

Een daad van ijver      

In deparasja van deze week komt een lastige vraag aan de orde. Korte voorgeschiedenis: er woedt een dodelijke epidemie onder de Israëlieten die wordt geduid als een antwoord van de Eeuwige op de seksuele omgang van Israëlitische mannen met de vrouwen van Mo'av en Midjan, die hen vervolgens verleidden om hun god Ba’al Pe’or eer te bewijzen. Mosjee is in vergadering over deze fatale crisis als Zimri, een prins uit de stam van Sjimon, openlijk een Midjanitische prinses naar zijn tent voert om met haar de bijslaap te verrichten. Pinchas kon deze provocatie niet aanzien. Hij stormde met zijn speer naar de tent van Zimri en doorstak het paar met dodelijk gevolg. Deze daad stopte de goddelijke woede en maakte een eind aan de dodelijke epidemie (had een geslachtsziekte via de vreemde vrouwen de Israëlieten besmet?).
Hier begint de sidra. Pinchas, die gepassioneerd en impulsief zijn actie heeft ondernomen, krijgt achteraf het fiat voor deze illegale gewelddaad want de Eeuwige laat weten (25:11):’Pinchas heeft met zijn ijver (kin’o) mijn naijver (kinati) afgewend zodat ik in mijn naijver  (kinati) het volk van Israël niet heb vernietigd'. De woordstam kana - nijd maar ook fanatieke inzet (kinnesinne: kina sina, ‘nijd en haat’) komt in vers 11 driemaal voor om zowel het gemoed van Pinchas als dat van de Eeuwige te beschrijven. Pinchas voelde als het ware plaatsvervangend voor de Eeuwige de woede over de misstappen van zijn landgenoten; in de sfeer van een theocratische samenleving waarin God en gerechtigheid nog als eenheid werd beleefd was dat niet uitzonderlijk. Toch moet Mosjee geworsteld hebben met deze daad van eigenrichting van de heetgebakerde kleinzoon van Aharon. De Talmoed (Sanhedrin 82b) verhaalt, dat stamgenoten van Zimri morden tegen Pinchas, die zonder vorm van proces een prins van Israël had vermoord. In de volgende verzen 12 en 13 zegt de Eeuwige Pinchas zelfs een ‘verbond van vrede’ toe en belooft hem het eeuwigdurend priesterschap. Dat ‘verbond van vrede’ lijkt vooral een eenmalige goedkeuring achteraf om de protesteerders te apaiseren.
Het blijft een lastige vraag hoe te oordelen over iemand die op eigen initiatief en buiten het recht om een paar mensen ombrengt om daarmee vele, misschien wel het leven van duizenden andere mensen te redden. Als Pinchas nu geleefd zou hebben zou hij natuurlijk ter verdediging hebben kunnen wijzen op de acute noodsituatie (de grote sterfte door epidemie), de maatschappelijke ontwrichting die daarbij speelde (de teloorgang van normen en waarden) en het overweldigend levensreddend effect van zijn daad. Maar het beroep op een fiat van God (of van een ideologie) zou in deze tijd niet voldoende zijn om hem vrij te pleiten. Hij zou zich toch hebben moeten verantwoorden voor een politiek of gerechtelijk forum van medemensen.

 RC 2020

Parasjat Sjemini Wajikra/Leviticus 9:1 - 12:1  

Vuur

De sjabbat die begint na Pesach is een gewone sjabbat, die de lezing van de parasja Sjemini inluidt. 

De parasja beschrijft onder andere de achtste dag (  jom ha-sjemini  ) van de inwijding van de tempel. Voor het eerst worden door Aharon als hogepriester de voorgeschreven offers gebracht. Aharon en Mosjee zegenen het volk. De Eeuwige staat het volk toe om Zijn majesteit (  kawod  ) waar te nemen in de vorm van een vuur, dat het offer verteerde, een spektakel, dat het volk de adem benam van ontzag en op de knieën bracht. 
Maar dan slaat schrik en ontsteltenis toe. Nadav en Avihoe, de twee oudste zonen van Aharon, brengen impulsief en in extase een reukoffer met ‘vreemd vuur' (  eesj zara  ), dat de Eeuwige niet gevraagd had. Weer gaat er een vuur van de Eeuwige uit, maar nu een vuur, dat de twee overenthousiaste zonen verteert. Nadav en Avihoe, waren zich te buiten gegaan aan geestdriftige maar ongevraagde vuur- rituelen en bekochten dit met hun dood (Wajikra/Leviticus10:1 ev).

Vurige toewijding, die de grens overschrijdt en tot dood kan leiden, loopt als een rode draad door Tora en Tenach. De rabbijnen zien sommige eigenschappen zoals blind fanatisme steeds terugkeren in opeenvolgende generaties. In de complexe Luriaans-kabbalistische theorie van reïncarnatie is ieder leven een proces, waarin de opdracht is gegeven te rectificeren wat in vorige levens is misgegaan. In dat idee is de eigenschap van blind fanatisme in sommige levens ook een terugkerend fenomeen, dat steeds opnieuw moet worden getemd, omgezet, op een hoger plan gebracht.
Rectificatie heeft vaak meerdere levens nodig. Het archetype van de vurig toegewijde fanaticus vraagt in iedere fase van de geschiedenis om transformatie, zou je kunnen zeggen. Zo zien de kabbalisten het zielevuur van Nadav en Avihoe overgegaan op Aharons kleinzoon Pinchas, die zijn jeugdige en extatische toewijding voor een goede zaak dacht in te zetten maar daarin doorschoot in zijn daad van gewelddadige eigenrichting met betrekking tot de ongeoorloofde seksuele gemeenschap van een simonitische prins met een Moabitische prinses (1). Ondanks alles – contra-intuïtief - geeft de Eeuwige aan Pinchas het hogepriesterschap en ‘Mijn verbond van vrede' ( briti sjalom ); misschien mogen we dat uitleggen als een opdracht voortaan als hogepriester het vuur van zijn toewijding voor vrede in te zetten.

De ziel van Pinchas vinden de kabbalistische uitleggers weer terug in de profeet Elia. Zijn godsijver had gewelddadige vormen aangenomen, toen hij na de demonstratie van Gods macht op de berg Karmel honderden priesters van Ba'al en Asjera liet ombrengen. Als Elia na zijn op de vlucht voor koning Achab en Isevel uitgeput in de grot op de berg Chorev is aangeland (1 Koningen 19: 9-18) vraagt de Eeuwige hem: ‘wat doe je hier Elia?'. Het lijkt een vraag naar rekenschap, bijna een berisping. Het antwoord van de profeet - kan'o kineti , ‘ik heb met ijver geijverd et cetera' - is blijkbaar niet bevredigend. De reactie van de Eeuwige op het antwoord van zijn profeet is niet het archaïsch geweld van de storm of de aardbeving en ook niet het vuur, want daarin is de Eeuwige niet, de reactie is een subtiele stilte, waarin, de Eeuwige kennelijk wel present was en waarin een stem die de vraag nog eens stelt. Elia, wat doe je hier? Zou in die vraag niet het buitensporig fanatisme van Elia aan de kaak kunnen zijn gesteld? Was het wonder op de Karmel en de daaropvolgende regen niet voldoende, het wonder dat de Israël ie ten op hun knieën deed vallen en uitroepen: ‘De Eeuwige is God, de Eeuwige is God!'? Moesten per se de honderden Ba'al-priesters worden omgebracht, iets waarvoor de Eeuwige geen teken heeft gegeven? Elia houdt het bij hetzelfde antwoord aan de stem, waarvan je je kan afvragen: was die buiten hem of binnenin hem. Het is het antwoord dat hij net ook al gaf: kan'o kineti , ‘ik heb met ijver geijverd etcetera'.
In dit koppige tweede antwoord ligt naar mijn idee het falen van Elia; de voorbeeldige ‘godsijveraar' is er niet in geslaagd zijn monomane fanatisme te transformeren naar generositeit, zijn hart te openen voor compassie, zijn ijver te overstijgen en in te zetten voor vrede. (2) Het is waarschijnlijk niet toevallig, dat Elia meteen na zijn vertrek van de Chorev zijn opvolger aanwijst, Elisja.
De transformatie van Elia's vuur naar heil in plaats van naar haat heeft vooral na zijn hemelvaart plaatsgevonden in de midrasj en de legenden over zijn verschijnen in latere eeuwen op vele plaatsen. Daar treedt hij op als de helper in nood en als wijze leraar. In de talrijke volksverhalen komt hij in de meest uiteenlopende gestalten te hulp. (3) En last but not least is Elia de aankondiger van de messiaanse vrede geworden, op wie met smart wordt gewacht, voor wie tijdens de seidermaaltijd de deur wordt geopend en voor wie een glas wijn wordt klaargezet.

Noten

(1) Bamidbar/Numeri:25:12.
(2) Vgl Zacharia 4:6 Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest. Spreuken 3:31 Wees niet  jaloers  op iemand die geweld gebruikt,
kies niet de weg die hij gaat.
(3) Een overzicht van Elia-verhalen in: The Legends of the Jews by Louis Ginzberg [1909] https://www.sefaria.org.il/Legends_of_the_Jews.4.7?lang=en

RC

Haftara bij de parasja Tetsawee

Ezechiël 43:10-27        I Samuel 15:2-34       

In de sidra Tetsawee (Exodus/Sjemot 27:20 - 30:11) wordt uitgebreid aandacht besteed aan de kleding van de priesters, en met name aan de uitdossing van de hogepriester (Aharon). Aan het slot volgen nog enkele voorschriften over de offerdienst en wordt een de opdracht gegeven om een reukofferaltaar te maken volgens de daar gegeven omschrijving. (1) Op dit laatste deel van de parasja sluit de reguliere haftara aan, een gedeelte uit hoofdstuk 43 uit het boek van de profeet Ezechiël (Jechezkel), die als balling in de zesde eeuw BCE in Babylonie woonde en daar de ballingen confronteerden met hun misdragingen in het verleden, maar ook troostte met visioenen van een grootse toekomst. Een van de bekendste visoenen is die over de nieuwe tempel die ooit op de heilige berg zal verrijzen; de profeet krijgt een beschrijving door met afmetingen en al, die de hoofdstukken 40-48 beslaan. Het haftara gedeelte beschrijft het nieuwe offeraltaar met de vier hoorns en de daarbij te offeren dierenoffers ter inwijding van de tempel, zeven dagen lang, net zoals in de parasja Tetsavee wordt verordend en later in Leviticus (Wajikra) ook wordt uitgevoerd.

De sjabbat van Tetsawee is de tweede sjabbat van de vijf sjabbatot, die Pesach vooraf schaduwen. De sjabbat valt voor feest van Poeriem en wordt sjabbat Zachor (herinner!) genoemd omdat op deze dag uit Deuteronomium/Devariem 25:17-19 wordt gelezen waarin de slinkse aanval wordt gememoreerd van het volk van Amalek op de Israëlitische woestijnreizigers en het gebod wordt gegeven om dit nooit te vergeten. In liberale kringen wordt dan ook de voorkeur gegeven om als haftara te lezen over de veldtocht van koning Saul (Sjaoel) tegen de Amalekieten in I Samuel 15:2-34. Bedenk daarbij dat de bad guy uit het boek Ester, het boek dat op Poeriem wordt gelezen, niemand minder is dan Haman, een afstammeling van de koning Agag van Amalek uit deze haftara. (2)

In de haftara lezen we hoe de oude richter Samuel (Sjmoeëel) het gebod uit Deuteronomium inderdaad niet heeft vergeten. Hij beval Saul nietsontziend te werk te gaan:
15:3 Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, en van kameel tot ezel , aldus sprak de profeet met de autoriteit van een groot-ayatollah tot de koning.
Saul volvoerde de opdracht succesvol, maar toch net niet helemaal en net niet helemaal is helemaal niet in de ogen van de onverbiddelijke opdrachtgever. Het beste van het vee werd niet gedood; de koning en zijn leger namen het mee. Alle mannen, vrouwen en kinderen sloeg Saul met het zwaard, maar één man niet: de koning van de Amalekieten, Agag, die voerde hij met zich mee naar huis. Dit tot beweerd ongenoegen van de Eeuwige en tot ontsteltenis van zijn middelaar Samuel, die hierdoor diep geschokt was, de hele nacht wakker lag en riep tot de Eeuwige. De volgende ochtend legde hij woedend de koning zijn nalatigheid inzake de opdracht voor. Saul probeert zich er nog uit te redden. Het vee was immers bestemd tot dankoffer aan de Eeuwige. Het zou kunnen, maar het klinkt toch een beetje als een uitvlucht. Daarna geeft hij toe: ik was bang voor de aandrang van de soldaten, die kennelijk buit wilden. Dat is goed voorstelbaar want vaak is de buit ook de betaling van de soldaten. De koning vraagt Samuel vergeving, maar de oude profeet blijft onvermurwbaar. Het koningschap wordt hem ontnomen en de Eeuwige komt nooit op zijn besluiten terug, zo zegt de profeet.
Dan komt het geval Agag aan de orde, de koning van Amalek, wiens leven is gespaard, als trofee van de overwinning of uit een spoor van compassie, dat is de vraag. De bejaarde richter beveelt de man voor hem te leiden, die nog denkt dat zijn leven zal worden gespaard, en houwt hem zonder pardon in vieren.

Als we uit de huid van Samuels tijd kruipen, wat kan het ons als bijbelstuk nu leren?  Vanuit het referentiekader van de zogenoemde moderniteit, noemen wij de opdracht aan koning Saul zonder meer een opdracht tot genocide. Niet zozeer de ongehoorzaamheid van de koning aan God, c.q. de profeet is dan het kwaad, maar de gehoorzame uitvoering van die opdracht om een volk van de aardbodem weg te vagen. Laat er geen misverstand over bestaan: ik zie de Tora en de Tanach als goddelijk geïnspireerd maar door menselijke geest ontvangen en door menselijke hand geschreven. Er is in de geschriften een progressie waar te nemen in de mate van verlichting waarin de divine inzichten zijn ervaren, waargenomen, opgetekend en geïnterpreteerd.
Van een partijdige stammengod, die gunstig gestemd moet worden met dierenoffers en die wanneer hij niet stipt gehoorzaamd wordt straft met plagen en nederlagen zien we een ontwikkeling naar een schenker van inzichten in universele waarden van gerechtigheid en compassie, gepaard aan een oproep aan de mensen die te realiseren. Een liberale opinion leader als John Rayner zegt het zo: Wanneer je jezelf eenmaal bevrijd hebt van dogmatische vooronderstellingen, kan niets ter wereld je er ooit weer van overtuigen dat de God van rechtvaardigheid en barmhartigheid, zoals hij in veel delen van Tenach naar voren komt opdracht gaf op de genocide op de Amalekieten . (3)

Noten
(1) Commentaren op de allerlei aspecten van de parasja Tetsawee zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Lees het boek Ester in een versie voor jongeren op mijn website
(3) John D. Rayner, Halacha, een progressief Joods perspectief, Stichtng Sja’ar, 2003, p 11, 12
Toch is het goed om ook een poging tot een  verdedigend woord tbv Samuel op te voeren:
Al wie zich vergevingsgezind toont ten opzichte van de wreedaard zal tenslotte wreed worden tegen de vergevingsgezinden, aldus R. Elazar in Tanchuma Metzora , maw mildheid tov de wredaards zal uiteindelijk op jezelf terugslaan, omdat je uiteindelijk wel wreed zal moeten worden tegen de aanvankelijk toegestane uitwassen. Had Hitler gespaard moeten worden?  zie http://www.uscj.org.il/commentaries/parashat-tetsavveh/

Vrolijk Poeriem Chag Poeriem sameach !

Haftara bij de parasja Teroema

 I Koningen 5:26-6:13 (1)

In de parasja Teroema  (Exodus/Sjemot  25 - 27:20 ) krijgt Mosjee de opdracht om aan het volk te zeggen, dat het gaven moet geven, allerlei kostbaarheden, ieder zoals zijn hart hem ingeeft. Van deze gaven zal een heiligdom gemaakt worden; verder wordt in deze parasja beschreven hoe de te vervaardigen heilige arke (ha-aron ha-kodesj), de rituele objecten en verder de tent der samenkomsten, de misjkan, eruit moeten zien.(2)
De parallel bij de profeten (Neviïem) is snel gevonden: de bouw van de tempel van Salomo, in feite een gigantische versie in steen van de misjkan (tabernakel). De pasjiot van Teroema tot en met Pekoedee, dus tot het einde van het boek Exodus zijn – met uitzondering van de geschiedenis met het gouden kalf - een model voor de hoofdstukken 5 tot in hoofdstuk 8 in 1 Koningen.

Na alle oorlogen die koning David had gevoerd was er vrede en welvaart neergedaald over Israël. Salomo werd al spoedig wereldberoemd in het Midden-Oosten om zijn macht en om zijn wijsheid, die ook zijn kennis omvatte over flora en fauna (HSV 4:32, NBV 5:12).  Nu was de tijd gekomen om het verlangen te realiseren van vader David: de bouw van een tempel, een beet ha-mikdasj. Tot nu was de eredienst gelokaliseerd gebleven bij de oude tabernakel op de offerhoogte van Gibeon, waar ook de heilige ark stond.(3) Gelukkig was de grote vriend van David, Chiram, de koning van het Libanese Sidon, bereid ook diens zoon Salomo te helpen met cederhout en de ambachtelijke kunst van bronsbewerking.
Een machtig leger van arbeiders werd – vrijwillig, dat is de vraag – opgetrommeld en te werk gesteld:
NBV 5:27 Uit heel Israël liet ​Salomo​ mensen komen om ​herendienst​ te verrichten, wel dertigduizend man. 28Die stuurde hij in ploegen naar de Libanon, tienduizend man per maand: één maand werkten ze in de Libanon (om bomen te kappen en te sjouwen) en twee maanden thuis. Adoniram was opzichter van de ​herendienst. 29Verder had ​Salomo​ zeventigduizend sjouwers en tachtigduizend steenhouwers aan het werk in de bergen, 30nog afgezien van de drieëndertighonderd opzichters die met de leiding over het werkvolk.

Zo begon het werk aan de tempel, dat vier jaar duurde. Net zoals in Exodus/Sjemot wordt In detail beschreven, hoe het bouwwerk eruit ging zien: het heilige der heilige, het heilige, de binnenhof en alle daarbij behorende attributen zoals de lampenstandaarden, de tafels der toonbroden, het wierookaltaar, het wasbekken (‘de zee’) en het offeraltaar. Er zijn mooie reconstructies gemaakt op basis van de gegevens uit de boeken Koningen en Kronieken, die een indruk geven van de pracht en praal van de tempel, waarbij ook opvallen de reuzengrote cherubs die de ark in het heilige der heilige flankeren.(3) De parasja eindigt met een hernieuwde belofte van de Eeuwige:
611: Toen sprak de Eeuwige tot ​Salomo: 12‘Jij bouwt nu dit ​huis. Welnu, als jij je aan mijn voorschriften houdt, mijn rechtsregels volgt en mijn geboden strikt naleeft, zal ik nakomen wat ik je vader ​David​ met betrekking tot jou heb beloofd. 13Ik zal te midden van de Israëlieten komen. 
Een uitspraak die doet denken aan de belofte aan de smekende Mozes (Mosjee) gedaan om te midden van de Israëlieten mee te gaan op hun trektocht (Ex/Sjem 33).

Na het haftaragedeelte volgen tot in hoofdstuk 7 en 8 nog veel meer details over het gebouw en het interieur. Dan staat er: 810:: En het gebeurde, toen de ​priesters​ uit het ​heiligdom​ gingen, dat de wolk het ​huis​ van de Eeuwige vervulde. 11Vanwege de wolk konden de ​priesters​ niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de Eeuwige had het ​huis​ van de Eeuwige vervuld.
We vinden een voorafspiegeling in Exodus/Sjemot  (of is er sprake van een naspiegeling): Als de tabernakel eindelijk klaar is daalt de wolk van de Eeuwige op de tent en vult hem met Zijn aanwezigheid (kawod): 40:34:Toen overdekte de wolk de ​tent​ van ontmoeting, en de heerlijkheid van de Eeuwige vervulde de ​tabernakel,35zodat ​Mozes​ de ​tent​ van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de Eeuwige de ​tabernakel​ vervulde.

Al onder de lange regering van de machtige Salomo begon de afvalligheid van de geboden, die nog zo vaak het koningschap en de natie Israël zouden gaan ondermijnen, een proces van verval dat een speciaal beroep deed ontstaan, althans er een nieuwe invulling aan gaf: de profeet, die als opponerende eenling het heersende en corrupte regime aanklaagt.

In de Joodse mystiek kan de tempel gezien worden als vol symbolische betekenissen, bijvoorbeeld als een schema van de staat van existentieel bewust zijn. De voorhof is dan de sfeer van ons dagelijks bewustzijn, met zijn beslommeringen van alle dag, van de grotere en kleinere interacties met de omgevende wereld, met zijn zorgen en zijn vreugden, zijn eindeloos gepieker en zijn creatieve invallen. In de voorruimte van de tent begint de inkeer, het diepere schouwen, het is de plaats van gebed en meditatie, waarbij de focus op het licht van de menora, de rijkdom van het brood en de geurige adem van het gouden reukaltaar kan helpen. Dan is de stap in de ruimte van het heilige der heilige soms gegund, het oord van een blij vermoeden, van alomvattende vergeving, van het verticaal reikend contact met de bron van het bestaan, welke naam je er ook wel of niet aan wil geven. (4)

Noten
(1) In de HSV is de telling iets anders: HSV 5:12 -6:13
(2) Commentaren op de parasja Teroema zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Overigens werden er na Salomo na zijn dood, bij de scheuring van zijn rijk in tweeën, door koning Jerobeam (Jerovam) van het noordelijk rijk twee gouden kalveren opgericht, een in Beet-El en een in Dan. 1 Koningen 12:26-30
(4) Een mooie dynamische reconstructie: https://youtu.be/oiF-wObznds
(5) Een duiding van de tempel in de sfeer van de kabbalistische sefirot is te vinden in Malachi De Clercq, De Sophia en Sjechina traditie in de joodse mystiek Een onderzoek naar het vrouwelijke aspect van de kabbalistische Godheid, p. 45 ev https://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/479/131/RUG01-002479131_2018_0001_AC.pdf

 

Haftara bij de parasja Misjpatiem

2 Koningen 12:1-17

De parasja Misjpatiem (Sjemot/Exodus 21:1–24:18) wordt wel ‘het boek van het verbond' genoemd. Immers het grootste deel van de parasja bestaat uit allerlei belangrijke regels, deels een uitwerking van de Tien Woorden, hetgeen uitmondt in de sluiting van het Verbond (het eerste van vele, die door Tora en Tenach heen telkens opnieuw worden gesloten).

De reguliere haftara is Jeremia (Jirmejahoe) 34:8 -22; 33:25-26. Ook daar is sprake van een nieuw verbond van koning Zedekia (Tsidjkijahoe) van Juda met de Eeuwige, waarin met name de in Misjpatiem verordonneerde vrijlating van Israëlitische slaven na zeven jaar dienst - een bepaling die geheel niet meer n acht werd genomen - weer wordt ingesteld. Echter na een tijdje kwam men er weer op terug en werden de vrijgelatenen weer tot slaaf gemaakt, een schandelijke woordbreuk, die Jeremia brengt tot het voorzeggen van de definitieve ondergang van de koning en het koninkrijk Juda. Aan de haftara is nog een woord van troost toegevoegd uit hfst 33: Want Ik zal een omkeer brengen in hun gevangenschap en Mij over hen ontfermen.

In de liberale cyclus is echter een andere haftara gekozen; want de sjabbat, waarop Misjpatiem wordt gelezen kent een aanvullende lezing uit Exodus/Sjemot, de eerste van de vier aanvullende lezingen, die worden gedaan op de vier sjabbatot in de aanloop naar Pesach. Het is Sjemot/Exodus 30:11-16, het begin van de parasja Tisa, het stukje over de volkstelling die gepaard gaat met de heffing van een halve sjekel per volwassen persoon. Vandaar de naam Sjabbat Sjekaliem.
30:14  Ieder die meegeteld wordt, iedereen van twintig jaar of ouder, moet deze heffing voor de Eeuwige betalen. (…)  Het losgeld dat je van de Israëlieten in ontvangst neemt, moet gebruikt worden voor de dienst in de ontmoetingstent.

De daarbij horende haftara bevat een verhaal dat ook gaat over inzameling van heffingen uit 2 Koningen 12 ev. De zevenjarige Joas (
Jehoasj, eind 8ste eeuw BCE) werd koning gesteund door hogepriester Jojada (Jehojada). Hij was nauwelijks ontkomen aan de pogingen van de verdorven regentes van Juda,  Athalia, de moeder van de vorige koning Achazia, het huis van David uit te roeien. Als baby was hij ondergedoken geweest op de zolder van de tempel. Met hem begon weer een betere wind te waaien. De nieuwe koning gaf de priesters toestemming heffingen en donaties aan sjekels (sjekaliem) ten behoeve van de tempel te innen mits ze daaruit ook de herstelwerkzaamheden aan het heilige gebouw zouden betalen. Na enige tijd (23 jaar!) bleken zij dat helemaal niet gedaan te hebben en de tempel bleef bouwvallig. Misschien bleef er te veel aan de strijkstok hangen. Toen nam de ​priester​ Jojada, de mentor van de koning, een revolutionaire maatregel, hij nam een kist (12:9)boorde een ​gat​ in het deksel ervan en zette die naast het altaar, aan de rechterkant als men het ​huis​ van de Eeuwige binnenkomt; en de ​priesters​ die de deurwacht hadden, deden daar al het ​geld​ in dat in het ​huis​ van de Eeuwige gebracht werd.’
Periodiek werd het geld door de Jojada en de schrijver des konings geteld en gegeven aan aannemers die het uitbetaald aan de timmerlieden en aan de bouwlieden die aan het ​huis​ van de Eeuwige werkten. Zo werd de continuïteit in het onderhoud van de tempel gegarandeerd. Het is misschien wel de manifestatie van het eerste fonds in de geschiedenis.

Haftara bij de parasja Besjalach

Rechters 4:4-24 Het verhaal van Debora

De parasja Besjalach (Sjemot/Exodus 13:16-18) (1) beschrijft hoe het Egyptische leger de uit het land wegtrekkende Israëlieten die net aan de macht van de farao zijn ontsnapt achtervolgt tot het vertwijfelde volk aan de Rietzee staat. De zee splijt voor hen en geeft hen doortocht, maar sluit zich boven de Egyptische soldaten, die verdrinken. Mozes heft een loflied aan over dit wonder. Zijn zuster Mirjam zingt en danst met de vrouwen een reidans.
De haftara vertelt in het boek Rechters (Sjoftiem) een vergelijkbaar verhaal over een wonderlijke overwinning onder leiding van de rechter en profetes Debora (Devora) en legeraanvoerder Barak op de overheersende Kanaänieten. Hoewel niet tot de haftara gerekend hoort de lofzang van Debora en Barak over deze overwinning (hfst 5) er als poëtische afsluiting eigenlijk wel bij.

In de tijd van de Rechters (sjoftiem) was het land Kanaän maar gedeeltelijk in handen van de stammen van Israël. Soms kregen andere volken tijdelijk de overhand over de stammen Israëls. Een periode van onderdrukking wordt in deze verhalen meestal ingeleid een mededeling in de trant van Rechters 3:7 (bij eerste rechter Otniël): En de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de Eeuwige, en zij vergaten de Eeuwige, hun God (en gingen andere afgoden dienen). Diens toorn uitte zich dan gewoonlijk door onderdrukking toe te laten door andere Kanaänitische volken of naburige naties. In hun wanhoop wendden de Israëlieten zich dan weer tot hun verwaarloosde Ene god om te smeken om uitredding.  Na enige tijd stond er een dapper en rechtvaardig man op om leiding te nemen in de strijd en de Israëlieten weer voor jaren rust en veiligheid te bezorgen. Dit patroon zou zich eindeloos herhalen tot en met de laatste koning van Juda.
In het boek Rechters traden over een aantal eeuwen twaalf rechters op. Debora was de vierde, de vrouw van Lapidot  - iesja lapidot, hetgeen ook wel geduid wordt als ‘vrouw van vuur’ (lapid = fakkel). Het moet een fascinerende vrouw zijn geweest, een van de zeven tot profetes gerekende vrouwen in Tanach (2). De verteller van dit verhaal heeft geen enkel probleem met het vrouw zijn van de leider en profetes van de Israëlieten, wier naam behalve ‘bij’ ook ‘’spreekster’ betekent.
Rechters 45: Zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Bethel, in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten gingen voor de rechtspraak naar haar toe. (3)
In die tijd maakte koning Jabin (Javin) van Hazor (Chatsor) de dienst uit in Kanaän. Hij had een sterk leger van 900 ijzeren strijdwagens onder bevel van generaal Sisera. Twintig jaar lang onderdrukte hij de Israëlieten, zodat ze niet durfden reizen en zich opsloten in hun dorpen. Ze riepen weer tot de Eeuwige om verlossing.
Debora moet in vervoering hebben gezien hoe Sisera en zijn leger verslagen konden worden en liet de legerleider Barak bij zich komen en verzekerde hem dat hij de overwinning bij de berg Tabor voor hem zou zijn. Barak wilde alleen optrekken als Debora mee zou gaan, hetgeen ze toestemde met de woorden dat er voor u geen eer te behalen (zal) zijn, want de Eeuwige zal Sisera overleveren in de hand van een vrouw.
Daarmee bedoelde ze niet zichzelf zoals later zal blijken. Barak daalde met tienduizend man van de stammen Zebulon (Zevoeloen) en Naftali de berg Tabor af en overviel de strijdwagens van Sisera in het dal van de beek Kisjon, waar de wielen – waarschijnlijk mede door een wolkbreuk – in de modder raakten. Het leger van Sisera raakte in verwarring en werd verpletterend verslagen. Barak achtervolgde de generaal, die te voet vluchtte en onderweg zich verschool – en hier komt de tweede vrouw in het spel – de tent van Jaël, de vrouw van een naar Sisera aannam bevriend stamhoofd. Maar Jaël had andere plannen. Ze sloeg de van uitputting in slaap gevallen gast een pin door de slaap en offreerde de voorbijkomede achtervolger Barak het dode hoofd van zijn vijand.

Debora zingt na de overwinning samen met Barak (4) een lofdicht, een poëtisch verslag, het lied van Debora, dat hen uit het hart op lijkt te wellen. Het wordt door de filosoof en religiewetenschapper Martin Buber en andere bijbeldeskundigen gerekend tot een van de oudste teksten van Tanach. De woorden juichen in ruige metaforen de blijdschap uit over de herwonnen vrijheid. Ze getuigen van een geloof in een god, die geen afgod meer is, maar die als onzichtbare maar levende presentie omziet naar het volk en de krachten van de natuur voor hen inzet, als dat volk zich tot hem wendt. Het is een eenvoudig oergeloof, waar we als verlichte rationele mensen soms jaloers op kunnen zijn. Martin Bubers omschrijving drukt hun godsbeleven goed uit: ‘“Een 'monotheïstische idee” is hier niet geconcipieerd en niet uitgesproken, maar de facto, in de feitelijkheid van het geloofde leven, bestaat er voor de mens van dit lied slechts de éne God en kan er alleen deze éne bestaan. Dat deze God in het onweer naderbij komt, in een onweerswolk vanuit het zuiden (5:4) die losbreekt over het wagenpark van de vijand, betekent niet dat hij, zoals de Hadad van de Syriërs, 'een weer-god', maar dat hij de God óók van het weer is, zoals hij niet, als de Assur van de Assyriërs, 'een krijgsgod’ is, maar alleen óók oorlog voert, zijn vijanden bestrijdt en ze overwint. Hij, 'die op de donkere wolk rijdt', (…) is geen regengod, maar de God, die het óók laat regenen. En hij komt niet, zoals men pleegt te zeggen, van de Horeb (Chorev, andere naam voor de berg Sinaï, RC), waar hij zou wonen, daarvan is hier helemaal geen sprake, maar hij komt met het komende onweer en treedt vanuit het duister naar voren, om de scharen van zijn volk te leiden in de strijd.’ (5)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Besjalach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) De zeven profetessen zijn Sara, Mirjam, Debora, Channa, Avigaïl, Chulda en Ester
(3) De ‘palmboom van Debora’ (tomer Devora) is ook de titel van een boek van Mozes Cordovero (16e eeuw) over de navolging van de attributen van de Eeuwige, een populair boek bij moesarniks en kabbalisten, in het Nederlands verkrijgbaar bij Pardes: Dadelpalmboom van Debora (vertaling: drs. Henk J. Huyser)
(4) Debora, een vrouw als een fakkelvuur (lapid) en Barak, hetgeen ‘bliksem’ betekent: een vurig duo dus!
(5) Martin Buber heeft de geloofsessentie van het Jodendom van Tanach onderzocht in zijn boek ‘Het geloof der profeten’, Servire, 1972, mijn citaat is uit hfst 1, de geschiedzang van Debora, p.15 ev

 

Haftara bij de parasja Bo

Jeremia 46:13-28

Jeremia (Hebreeuws: Jirmejahoe) is de tweede van de drie zogenoemde grote latere profeten. Als jongeman tijdens de regering van koning Josia (Josjijahoe, 7e eeuw BCE) werd hij geroepen in het koninkrijk van Juda te profeteren tegen wetteloosheid en zedeloosheid, verwaarlozing van armen en afgodendienst die gepaard ging met afschuwelijke misstanden zoals kinderoffers. Hij bleef dat doen met een aandoenlijke vasthoudendheid tot zijn dood ondanks dat zijn boodschap zelden gehoor vond. Hij voorzag de val van Jeruzalem, de verwoesting van de stad en de wegvoering in ballingschap van talloze Judeeërs naar Babel. Hij was het archetype van de profeet die in eigen stad niet geliefd was. Hij had iets van een combinatie van klokkenluider, boeteprediker en politiek commentator met fijne intuïtie voor wat aanstaande was. Bespot werd hij, weggehoond en meerdere keren hij gevangengezet zoals door de laatste koning van Juda, Zedekia (Tsidkijahoe), met wie hij vele aanvaringen had. Na de verwoesting van Jeruzalem door de koning van Babel, Nebukadnetsar (Nevoechadnetsar), kwam hij terecht in Egypte waar vele Judeeërs heen waren gevlucht. Ook daar zette de veelbeproefde profeet zijn profetieën voort.  Vermoedelijk heeft hij daar de passages, die nu de haftara van de parasja Bo (Exodus/Sjemot 10:1–13:16) (1) vormen, geschreven, verzen die voor Egypte en zijn farao nederlagen in de oorlog en verwoesting in schrille beelden beschrijven, zoals in onderstaand fragment

46 22Egypte kruipt sissend terug als een slang,(2)
nu de legers ertegen oprukken.
Met bijlen gewapend komen de houthakkers aan.
23Ze vellen de bossen die ondoordringbaar leken
– godsspraak van de Eeuwige.
Talrijker zijn ze dan de sprinkhanen,
ze zijn niet te tellen.
24Zo wordt
Egypte vernederd,
overweldigd door een volk uit het noorden.’

De parallel tussen de Parasja Bo en deze passages uit Jeremia is duidelijk: Evenals in de tijd van de plagen in het boek Exodus/Sjemot zullen de farao, Egypte en zijn afgoden het zwaar te verduren hebben. De hoogmoed van de zich god wanende farao mag niet ongestraft blijven. Ook de Judeeërs in Egypte die niet naar Jeremia wilden luisteren delen in dit lot.  De retributie komt vanuit het noorden, in de vorm van de soldaten van Nebukadnetsar. Die zullen als de spreekwoordelijke sprinkhanen Egypte verwoesten. In alles ziet de profeet de hand van de Eeuwige en hij noemt in die anti-Egyptische operatie de koning van Babel een instrument van de Eeuwige, letterlijk ‘een knecht van God'.

Ditmaal een korte theologische excursie (of een poging daartoe).
Profeten zoals Jeremia begrepen de wereld en haar geschiedenis zoals dar veel in Tora en Tenach gebeurt in een strak model van de goddelijke voorzienigheid, die de mens gebruikt als pionnen in zijn plan. Het paradigma van een superregisseur die beschikt, beschermt, beloont en bestraft – zo figureert Hij ook in de gezangen van de eredienst – lijkt mij in deze moderne tijden toch te simpel. Twintigste-eeuwse filosofie heeft God met zijn voorzienigheid helemaal afgeschaft en ziet de menselijke positie als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de opdracht het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen leven ontwerpen en enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Wanhopig, moedig en opstandig neemt hij zijn eigen lot in handen à la Albert Camus in zijn ‘mythe van Sisuphus’.

Een half leven lang heeft deze visie mij wel verleidelijk geleken, maar toch, nu probeer ik een stapje verder te gaan. Het joods gedachtegoed kent de paradox, dat mij (tot op zekere hoogte) een vrije wil is gegeven, maar dat er daarnaast en vooral ver boven mij of onder mij, meestal buiten zicht, sprake is van een oneindige dragende presentie. Die presentie is dynamisch. Op het niveau van ons mensen kunnen we soms opvangen als een stem die ons coacht in een bepaalde richting, een stem die de wil opwekt om de dwingende regie van primaire emoties en instincten te boven te komen en om ons te ontwikkelen in de richting van een leven in eerlijkheid, respect voor de ander, solidariteit met verdrukten, een stem die het verlangen wekt om dat te doen met oorspronkelijkheid en creativiteit. Misschien is voorzienigheid niets meer dan dat in het voortschrijden door de woestijn van de tijd het streven in de mensheid om dat verlangen naar het goede te realiseren net iets de overhand blijkt te hebben over de neiging tot toegeven aan en morele onverschilligheid tegenover het kwade. Die paradox lees ik in de Spreuken der Vaderen, waar rabbi Akiva zegt: ‘Alles is voorzien en de vrije wil is gegeven’. (2)

noten

(1) Verschillende commentaren op Bo zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Volgens mij een toespeling op de grote slag bij Karchemish aan de Eufraat (605 BCE), waarbij de legers van farao Necho II een grote nederlaag leden en door de koning van Babel werden verdreven uit Palestina en Syrië, dat onder Egyptisch gezag had gestaan.
(2) Talmoed Pirkee Avot 3:15

Haftara bij de parasja Wa’era

Ezechiël 28:25-29:21

Ezechiël (Hebreeuws Jechezkel) is de derde van de drie ‘grote’ profeten naast Jesaja en Jeremia. Als jonge man werd de priesterzoon als balling weggevoerd uit Jeruzalem naar Babel waar hij bivakkeerde bij de rivier de Kebar (6e eeuw BCE). Daar profeteerde hij door de geest bevangen over de ondergang van Jeruzalem en Israël, maar ook over hun toekomstige verrijzenis. Ook de ineenstorting van de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten komt uitgebreid aan bod.
In deze haftara bij de parasja Wa’era (1) profeteert Ezechiël vooral over het lot van Egypte en zijn farao, vermoedelijk mede ingegeven, omdat Egypte de ondergang van Juda niet heeft voorkomen, zie bijv Ezechiel 29:6 (2). De parallel met Wa’era is duidelijk; Mosjee waarschuwt daarin de farao telkens om zijn koppigheid en hooghartigheid te laten varen en de Israëlieten vrij te laten; Mosjee’s woorden en de door hem opgeroepen catastrofes die deels de levensader van Egypte, de Nijl, treffen doen de zich god wanende farao het hoofd niet buigen voor de hogere wil van de God van Mozes.

Vele eeuwen later is Egypte nog steeds een grootmacht in de toenmalige wereld van het Midden-Oosten, naast het Babylonische rijk van Nebukadnetsar. Het heeft wel iets weg van onze wereld met Amerika en Rusland (of is het nu China?) als centrale politieke machten.
De hoogmoed van de farao is in Ezechiëls tijd niet afgenomen:

29:3 ‘Zie, Ik zál u, farao,
koning
van Egypte,
groot
zeemonster,
dat in het midden van zijn rivieren ligt,
dat gezegd heeft: Mijn
Nijl is van mij
en ik heb die zelf voor mij gemaakt!’

Ezechiël voorspelt voor Egypte een reeks van rampen, die iets weg hebben van de plagen uit Exodus. Het lijkt wel of hij over de Egyptenaren een soort contra-narratief vertelt van het Israëlitisch lot van verstrooiing en herinzameling der ballingen. Want de Eeuwige – zo gaat de profeet verder – ;

(29:12 ev) ‘van het land Egypte een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verwoeste steden, veertig jaar lang. Dan zal Ik de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen over de landen verstrooien.
Merk op, dat de profeet hier ook een verstrooiing van de Egyptenaren voorspelt, zoals dat ook al in Deuteronomium is gedaan voor de Israëlieten (Deut 28:63,64). Maar ook de Egyptenaren zullen ooit weer verzameld worden, zo zegt de God volgens Ezechiël (29:13):
 ‘Na verloop van veertig jaar zal Ik de Egyptenaren bijeenbrengen uit de volken waaronder zij verspreid zijn. 14Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van de Egyptenaren en hen terugbrengen naar het land Pathros (andere naam voor het zuiden van Egypte, RC), naar het land van hun oorsprong.
Maar de rol van het ooit zo machtige rijk op het wereldtoneel is dan uitgespeeld.
‘Daar zullen zij dan een onbeduidend koninkrijk zijn. Het zal onbeduidender zijn dan de andere koninkrijken en het zal zich niet meer boven de heidenvolken verheffen. Ik zal hen namelijk zo klein maken dat zij niet over de heidenvolken kunnen heersen.’

Inderdaad hebben de Egyptenaren als imperium nooit meer een rol van betekenis gespeeld. Nebukadnetsar plunderde Egypte en daarna kwamen al snel de Perzen, de Grieken, de Romeinen, de Arabieren, de Turken en tenslotte was het lange tijd een vazalstaat van het westen.

Als we nog even verder lezen voorbij de verzen van deze haftara blijkt het leed van de farao volgens de profeet nog lang niet geleden. Nog lange hoofdstukken gaan over het strafgericht over hem en zijn Egypte. In zogenoemde klaagliederen over de Farao en Egypte (hfst 32) geeft Ezechiël een lange beschrijving hoe de farao en alle andere heersers en helden die aan de profeet uit de geschiedenis van zijn Midden-Oosten bekend zijn in het dodenrijk zijn afgedaald en naast elkaar de eeuwige rust genieten. De schrijver had een sterk gevoel voor de vergankelijkheid van de macht. Het doet denken aan
‘Opgaan, blinken, en verzinken, is het lot van ieder dag (…) Of de kronen luister tonen, volken, staten, bloeiend staan, langer stonde duurt hun ronde, maar hun avond spoedt toch aan’, zoals een Hollands dichter zong in de tijd van Napoleon. (3) Vele rijken, al dan niet onder keizers, zonnekoningen en dictatoren, zijn opgekomen, hebben gebloeid en zijn verzonken. Ook van Europa wordt wel gezegd, dat het in die derde periode van verzinken verkeert. En spoedt de avond van Amerika – op het toppunt van economische bloei – onder zijn huidige president niet aan?

noten

(1)29:6 En al de inwoners van Egypte zullen weten dat Ik de Eeuwige ben, omdat zij voor het huis van Israël een rietstaf geweest zijn.7Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u. De middeleeuwse commentator Rasji: ‘vaak vertrouwden de Israëlieten op hen in de dagen van de Assyrische koning Sanherib en in de dagen van Nebukadnetsar, maar het haalde niets uit zoals een rietstengel, die zacht is en geen steun geeft aan wie op hem leunt.’ Zie ook Jeremia 46
Koning Josia (Josjijahoe) stond de farao Necho II in de weg toen de laatste optrok tegen de Babyloniers. Het Egyptische leger versloeg de Judeeërs in 609 BCE bij Megiddo, waarbij Josia sneuvelde. Vijf jaar later werd het Egyptische leger verpletterend verslagen bij Karchemisj aan de Eufraat. Dat betekende het einde van de Egyptische dominantie.
(2) Verschillende commentaren op Wa’era zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Willem Bilderdijk in ‘Afscheid’

 

 

Haftara bij de parasja Sjemot         © Rob Cassuto

Jesaja 27:6-28:13, 29:22-23.

Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja (Jesjajahoe) is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Tot hoofdstuk veertig spreekt de eerste Jesaja, die leefde in de turbulente achtste eeuw, vanaf hoofdstuk veertig is een tweede Jesaja aan het woord die waarschijnlijk leefde in de babylonische ballingschap in de zesde eeuw.
De Jesaja van deze haftara profeteert tegen de misstanden in het noordelijk rijk Israël – meestal aangeduid met Efrajim - , dat in Jesaja’s tijd na de val van de hoofdstad Samaria (Sjomron) en de deportatie van de inwoners naar Assyrie al verdwenen was. Maar ook het zuidelijke koninkrijk Juda dat nog even zal bestaan krijgt ervan langs.
De jammer over ellende, verwoesting en verbanning wordt afgewisseld met profetieën van herstel, verlossing van Israël en grote nieuwe bloei. Wat betreft de parallel met de parasja Sjemot: het boek Genesis eindigde met het settelen van Jacob met zijn huishouding in Egypte, de parasja Sjemot - de eerste parasja van het boek Exodus/Sjemot - treft de afstammelingen van Jacob aan in grote ellende en beschrijft de eerste stappen die worden gezet door Mosjee op de weg naar verlossing die leidt naar de uiteindelijke bestemming van het land Israël.(1)

De haftara begint in majeur:

276 In de dagen die komen, zal Jakob wortel schieten,
Israël zal bloeien en groeien
en zij zullen het wereldoppervlak met vruchten vervullen.

Rasji ziet in zijn middeleeuws standaardcommentaar in deze niet geheel heldere Hebreeuwse tekst overigens geen toekomende tijd, maar een verleden tijd; hij meent een toespeling te lezen op Jacobs komst naar Egypte en de uitgroei van zijn nakomelingen tot een vruchtbaar volk.
Dan komen wat mistige passages van tegenslag en ontbering, bv over een stad die is gestraft en die nu leeg en verlaten is, vermoedelijk de stad Samaria (staande voor het noordelijk rijk Israël), die na een lange belegering in 721 BCE viel. Maar ooit komt er een betere dag:

2712Op die dag zal het gebeuren
dat de Eeuwige de aren zal uitkloppen
vanaf de rivier tot aan de Beek van
Egypte;
en ú, Israëlieten, zult worden opgeraapt,
één voor één.

Het beeld van het dorsen van graan wordt hier gebruikt. Eerst worden de aren geklopt en dan worden de korrels opgeraapt en verzameld. Zo zullen de ballingen worden verzameld, vanaf de rivier (dwz de Eufraat) en vanaf de rivier de Nijl, zeg maar vanaf de vier hoeken van de aarde, wat genoemd wordt de kibboets galoejot, inzameling der ballingen. Dat beeld wordt nog sterker aangezet in het volgende vers.

13Op die dag zal het gebeuren
dat op een grote bazuin geblazen zal worden
Dan zullen zij komen die verloren waren in het land van
Assyrië,
die verdreven waren naar het land
Egypte.
En zij zullen zich voor de Eeuwige neerbuigen
op de
heilige berg in Jeruzalem.

De grote bazuin (sjofar gadol) is in eschatologische uitleg de bazuin van de messiaanse tijd, die de komst van alle ballingen naar Jeruzalem met een geweldig geluid zal aankondigen.
Natuurlijk is dit in het Jodendom als een letterlijk te nemen profetie over een politieke toekomst opgevat. En gedeeltelijk lijkt het uitgekomen. Tegenwoordig woont de helft van de Joodse wereldbevolking in het wonderlijk herrezen Israël, dat nu een bonte en diverse verzameling Joden (en Arabieren) huisvest maar tevens ook een potentiele thuishaven blijft bieden voor de Joden in de diaspora.

Toch doen we er beter aam de voorzegging van Jesaja niet politiek maar meer allegorisch op te vatten als een visioen over een grote spirituele ommekeer van alle Joden (cq alle mensen), ‘één voor één’, zegt de tekst en dat betekent volgens de rabbijnen: onverschillig of we orthodoxe, liberale of seculiere Joden zijn. Die terugkeer uit Egypte en Assyrië uit het vers kan je ook symbolisch uitleggen. Egypte is in het Hebreeuws mitsrajiem wat ook te vertalen is als ‘nauwten’, ‘benauwenis’, een plaats van psychische en materiele onderdrukking, waar de ziel verkwijnt. Assyrië is in het Hebreeuws asjoer, dat verwant is met osjer, rijkdom en luxe, een plaats van overdaad, waar de ziel wordt vergeten.(2) Terugkeer uit Egypte en Assyrië naar Jeruzalem is terugkeer uit respectievelijk slopende repressie en verblindende luxe naar een plek waar de ziel zich kan  manifesteren in zijn ware gedaante van dankbaarheid en liefde, mag ik dat ‘neerbuigen op de ​heilige​ berg​ in ​Jeruzalem’ zo duiden? Die terugkeer hoeft niet massaal te zijn en je hoeft niet te wachten tot de messiaanse tijd. Iedere moment van persoonlijke terugkeer naar die plek brengt de messiaanse tijd juist een heel klein beetje meer nabij.

De haftara gaat verder met een beeldende beschrijving van hoe volk en priesters in het noordelijk en zuidelijk rijk in hun beschonken staat de boodschap van Jesaja niet begrijpen; priesters en (valse) profeten ‘zwalken bij het uitleggen van het visioen, zij struikelen tijdens hun gerechtelijke uitspraak. Ja, alle tafels zitten vol walgelijk braaksel, geen plek is schoon.’
​De haftara besluit echter met een hoopvolle noot, zie de verzen 22 en 23 uit hoofdstuk 29,

Noten

(1) Verschillende commentaren op Sjemot zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Deze uitleg is een vrije bewerking van mij van een weergave van een uitleg door de Lubawitscher rebbe

 

Haftara bij de parasja Wajechi

1 Koningen 1-12

In de parasja Wajechi  (Beresjiet/Genesis 47:28-50:26) wordt beschreven hoe aartsvader Jacob op zijn sterfbed zijn elf zonen toespreekt in een vorm die soms het karakter van zegening heeft en dan weer meer op een orakel lijkt. (1) De haftara bij deze parasja is uit het eerste boek Koningen en beschrijft hoe een ander icoon uit Tanach, koning David, op zijn sterfbed zijn zoon en opvolger Salomo (Sjelomo) toesprak. De vader moedigde hem aan op om sterk en een man te zijn en in Gods wegen te wandelen. Maar dat was niet alles.

Er was nog wat ‘unfinished business’ in ’s konings leven. De hoogbejaarde David, keek terug op een veelbewogen leven met hoogtepunten maar ook diepe dalen.  Oorlogen had hij met succes gevoerd en opstanden had hij overleefd. Hij was geen heilige geweest, maar had zijn best gedaan rechtvaardig en lankmoedig te zijn. Op kardinale momenten was hij bereid geweest fouten toe te geven en boete te doen. Weliswaar was hij nu verzadigd van dagen, rijkdom en ​eer zoals Kronieken (1:28,28) het uitdrukt, maar een aantal zaken stonden zijn gemoedsrust in de weg, zaken die te maken hadden met de grootste crisis in zijn koningschap rond de opstand van zijn geliefde zoon Absalom. Gedachten aan een aantal personen die daar een rol in hadden gespeeld maakten, dat hij niet in vrede kon gaan. In verband daarmee lag er nog een taak voor Salomo weggelegd.

In de eerste plaats was daar Joab (Joav), de trouwe legeraanvoerder van David sinds zijn jonge jaren. Joab had een aantal keren op eigen houtje bloed doen vloeien. Abner (Avner), de generaal van Davids voorganger, mentor en later vervolger koning Saul was destijds naar David overgelopen en door de laatste als zijn legeraanvoerder in genade aangenomen. Dat was niet naar de zin van Joab, die hem verraderlijk neerstak. De ontstelde koning reageerde toen aldus met een welbespraakte vervloeking (Sam 2:3,29); ‘Laat de ​bloedschuld op het hoofd van ​Joab​ blijven en op heel zijn ​familie, en laat er in het ​huis​ van ​Joab​ nooit iemand ontbreken die een ​vloeiing​ heeft, melaats is, die op een stok leunt, door het ​zwaard​ valt of gebrek aan brood heeft.’ Maar Joab bleef wel als generaal gehandhaafd, zelfs ook nadat hij later nog een militaire concurrent uit de weg had geruimd, Amasa, die tijdens de opstand van Davids zoon Absalom diens generaal was geweest, maar door de koning weer in genade was aangenomen, ook weer tot ongenoegen van Joab.
Wat in de passages van deze haftara niet is vermeld is, dat Joab de opstandige Absalom toen die aan het eind van de door hem verloren slag hulpeloos met hoofd en haar in de takken van een boom bungelde hem met pijlen doorboorde en hem door zijn lijfwacht liet afmaken, ondanks dat David gesmeekt had zijn lievelingszoon te sparen. De wanhoop van de vader klinkt nog door alle eeuwen heen als we lezen hoe hij bij het doodsbericht van zijn zoon roept (2 Sam 18:33) ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, was ík maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’ Ik kan mijn niet indenken dat David hier niet ook aan heeft gedacht.
Dat Joab zijn positie steeds heeft kunnen blijven houden heeft hij waarschijnlijk te danken aan zijn onverbiddelijke loyaliteit aan de koning en zijn aan zijn militaire gaven. Maar nu geeft de koning een hint aan Salomo om Joab alsnog de prijs voor zijn eigenmachtig optreden te laten betalen, door ‘zijn grijze haar niet in ​vrede​ in het ​graf​ (te laten) neerdalen’.

Toen David op de vlucht was voor Absalom, die zich tijdens zijn opstand even koning mocht wanen in Jeruzalem, bivakkeerde hij met zijn manschappen in het stadje Machana’iem ten oosten van de Jordaan. Daar werd het leger royaal gesteund door de familie Barzillaï met  (2 Sam 17:28): bedden, schalen, ​aardewerk, tarwe, gerst, ​meel, geroosterd koren, bonen, linzen – ook geroosterd –  honing, boter, kleinvee en kazen van koeienmelk’. Dat heeft David nooit vergeten. Barzillaï zelf sloeg als hoogbejaarde de beloning af. Maar zijn zonen reisden met de koning mee terug naar Jeruzalem en werden daar door hem levenslang onderhouden. David draagt nu op zijn sterfbed aan Salomo op goed voor Barzillaï’s nakomelingen te blijven zorgen.

Toen David op de vlucht voor zijn opstandige zoon Absalom was naar Machana’iem werd hij onderweg uitgescholden door Simeï, de zoon van Gera, een aanhanger van Davids voorganger koning Saul. Al vloekend en stenen gooiend begeleidde hij een tijd lang het voortvluchtige gezelschap. (2 Sam 15:16). Op de terugweg naar Jeruzalem na de overwinning op Absalom en zijn leger kwam Simeï de triomferende koning tegemoet en smeekte David om hem zijn vervloekingen en verwensingen van destijds te vergeven. David heeft toen gezworen hem niet te doden ondanks de aansporing van zijn generaals om dit wel te doen en hij liet hem vrijuit gaan, vermoedelijk ook om de vele aanhangers van koning Saul niet van zich te vervreemden. Vergeten heeft David dit voorval niet. Salomo is niet aan de eed om Simeï niet te doden gebonden, heeft David bedacht, dus draagt hij zijn zoon op Simeï alsnog te laten boeten.

Salomo bracht de verzoeken van zijn vader ten uitvoer en wie wil weten hoe dat in zijn werk ging leze de rest van dit tweede hoofdstuk van het boek 1 Koningen.

Noot
(1) Verschillende commentaren op Wajechi – met name op de ‘orakels’ van Jacob -   zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.

Haftara bij de parasja Wajigasj

Ezechiel 37:15–28

Ezechiël (Hebreeuws Jechezkel)  is de derde van de drie ‘grote’ profeten naast Jesaja en Jeremia. Als jonge man werd de priesterzoon als balling weggevoerd uit Jeruzalem naar de ‘rivers of Babylon’. Daar profeteerde hij door de geest bevangen doem en retributie voor Jeruzalem, Israël en de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten. In het derde deel van het boek breken echter vergezichten door over de opstanding en het herstel van Israël in een verre toekomst van messiaanse allure. Ezechiëls profetieën kwamen tot hem in de vorm van een reeks wonderlijke visoenen die later grote invloed zouden hebben op meer mystieke richtingen in het Jodendom.

De haftara bij de parasja Wajigasj (Beresjiet/Genesis 44:18 - 47:27) (1) komt uit dat derde deel. Ezechiel voorziet, dat ooit de twaalf stammen van Israël weer herenigd zullen worden. We brengen in herinnering dat na de regering van koning Salomo de Israëlieten werden verdeeld in twee koninkrijken; het merendeel, tien stammen, vormden het noordelijke rijk Israel onder koning Jerobeam (Jeravam) en een zuidelijk deel, het koninkrijk Juda (waartoe ook de stam Benjamin hoorde) onder koning Rehabeam (Rechavam) uit de davidische dynastie.(2)  In de 8ste eeuw BCE waren de tien stammen die het noordelijke rijk Israël hadden gevormd, door de Assyriërs gedeporteerd naar verre streken, waar ze opgingen in de volken aldaar. De stammen Juda en Benjamin van het zuidelijke koninkrijk Juda hadden leefden nu in ballingschap in Babylonië, waar ze niet opgingen in de Babylonische bevolking maar bij elkaar bleven.
Bevangen door de geest krijgt Ezechiël van de Eeuwige de opdracht om door middel van een rituele handeling deze droom van toekomstige eenheid van alle stammen te illustreren. Hij moet twee stukken hout in de hand nemen. Het ene stuk hout symboliseert (de stam van) Juda (en Benjamin), het andere stuk hout symboliseert de andere tien stammen van het noordelijke rijk Israël. In de tekst wordt het noordelijke rijk aangeduid met Jozef, omdat de koningen van het noordelijke rijk Israël kwamen uit de stam van Efraïm, de zoon van Jozef.  Ezechiël moet dan in aanwezigheid van zijn medeballingen de twee stukken hout in de hand nemen en ze als het ware tot één stuk hout maken. Hij moet dan uitleggen, dat de Eeuwige (37:21 ev)

het stuk hout van Jozef (…) bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden. (…) Zo zegt de Eeuwige: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.

Er zal weer één koning zijn, uit de dynastie van David en

Ik (de Eeuwige) zal met hen (de Israëlieten) een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn.

Nu komt de link met de haftara in zicht. Ezechiëls droom van vereniging van het volk van Juda met het volk van Jozef (dus de tien verloren stammen) weerspiegelt de vereniging van de broeders met hun verloren gewaande broer Jozef, het thema van de parasja Wajigasj. De hoofdpersonen daar zijn Jozef, die onderkoning van Egypte is geworden en Juda, die het leiderschap over zijn broeders heeft genomen in het proces van verzoening, wanneer hij het opneemt voor zijn broertje Benjamin en zijn oude vader Jacob.

De geschiedenis heeft later een heel gedeeltelijke, grillige en schoksgewijze realisatie van Ezechiëls visioen te zien gegeven. Er is inderdaad een tweede tempel gekomen en er is zelfs een kleine tweehonderd jaar een koninkrijk Israël onder de dynastie der Makkabeeën geweest. Daarna kwamen de Romeinse overheersing en vervolgens een millennia lange ballingschap (galoet), die sinds kort na de ongeëvenaarde catastrofe van de sjoa enigszins ingelost lijkt met de democratische staat Israël; daar zijn we blij en verheugd over. Maar een ‘verbond van vrede’ lijkt daar bepaald nog niet aangebroken. Wel heeft ontegenzeggelijk het Jodendom als volk, religie en gedachtegoed de eeuwen getrotseerd en een onuitwisbaar stempel gedrukt op het denken en de ethiek van de (westerse) mensheid.

De tien stammen zijn ondanks Ezechiels bezwerende handeling met de twee stukken hout niet teruggekeerd en zullen dat waarschijnlijk nooit meer doen; ze zijn 2800 jaar geleden in andere volken opgegaan.(3)

Toch mogen we misschien deze boodschap destilleren of her-vertalen uit Ezechiëls metaforen: de tien verloren stammen zijn opgegaan in niet-Joodse groepen en staan nu symbool voor alle andere volken, Juda staat voor het Jodendom. Zo mogen ook in een messiaanse toekomst de Joden en alle andere volkeren verenigd worden in een verbond van vrede (briet sjalom), dat wil zeggen: mogen zij ooit in vrede met en naast elkaar samenleven.

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajigasj zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Opmerkelijk is dat de splitsing in twee rijken zijn oorsprong vond in een belastingconflict. Het volk vroeg om verlichting van de zware lasten die koning Salomo had opgelegd. De jonge koning Rehabeam sloeg het advies van zijn raad van oudsten om naar het volk te luisteren in de wind en volgde de raad van de zijn gevolg van fanatieke jonge mannen, die juist op extra verzwaring aandrongen: ‘1 Koningen 1211 Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen’.
Aldus sprak Rehabeam en tien stammen van de Israëlieten stelden toen de ex-opstandeling Jerobeam als koning aan. Alleen Juda en Benjamin bleven Rehabeam trouw. Een in overmoed genomen onverstandig besluit inzake een belastingconflict maakte, dat alleen de stammen Juda en Benjamin de voorouders van de latere Joden zouden worden!
(3) Ook de visionair Johannes uit het nieuwe testament zag in zijn Openbaringen de twaalf stammen in de eindtijd herenigd: zie hfst 7. In de talmoedische discussie wie er in de komende wereld zal komen sluit Rabbi Akiva uit, dat de tien stammen ooit zullen terugkeren (Talmoed sanhedrin 110b). Wie op internet ‘ten lost tribes of Israel’ intypt komt een bonte verzameling groepen tegen die op een of andere manier zich beroepen

 

Haftara bij de parasja Mikeets

Zacharia 2:14-4:7

Heel gebruikelijk is het om op sjabbat Chanoeka het beroemde verhaal over het ‘salomonsoordeel’ te lezen, 1 Koningen 3:5 – 28, dat begint met: In Gibeon verscheen de Eeuwige 's nachts aan Salomo in een droom, en God zei: Vraag wat Ik u geven zal. Salomo vraagt om wijsheid en die wordt hem geschonken en ook nog de rijkdom en het lange leven, dat de meeste mensen zouden hebben gevraagd. Salomo kan al snel zijn wijsheid in praktijk brengen als twee vrouwen voor hem verschijnen met een baby. De ene vrouw beschuldigt de andere vrouw de baby stiekem ‘s nachts van haar gestolen te hebben, toen haar eigen kind dood bleek te zijn. De andere vrouw ontkent bij hoog en bij laag. Salomo beveelt het kind doormidden te klieven, ieder van de vrouwen de helft te geven en laat een zwaard halen. De eerste vrouw schreeuwt, niet doen, laat het kind maar bij de andere vrouw, zodat het in leven blijft. Salomo weet nu, dat zij de echte moeder is. Alom wordt de wijsheid van de koning geroemd.
Het verband met de parasja Mikeets ligt vooral in de zojuist geciteerde eerste regel van de haftara;  koning Salomo droomt, en dat doet de farao, de Egyptische koning, ook, maar daar houdt de overeenkomst op. In Mikeets droomt de farao de droom over de zeven vette en zeven magere koeien, de zeven volle en de zeven lege aren, de droom die Jozef, zelf ook een begaafd dromer en droomuitlegger, zoals eerder gebleken, verklaart. (1)

Er wordt ook wel een ander stuk uit de profeten als haftara gelezen – en dat geeft ook de indeling van de liberalen aan – Zacharia (Zecharja) 2: 14-4:7. Zacharia was evenals de profeten Chaggai en Malachi sterk betrokken bij de herbouw van de tempel in Jeruzalem na de terugkeer van een groot deel van de ballingen uit Babylonische gevangenschap. Hij enthousiasmeerde de Joodse leiders om de bouw na aanvankelijke tegenslagen weer te hervatten. Dat gebeurt dan ook onder leiding van de Zerubbabel (Zeroebavel) en de hogepriester Jozua (Josjoea), zoals ook in het boek Ezra (6:14) is beschreven: En de oudsten van de Joden bouwden en maakten goede vorderingen onder de profetie van Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo. Ze bouwden en voltooiden het overeenkomstig het bevel van de God van Israël en overeenkomstig het bevel van Kores (Cyrus) en Darius en Arthachsasta (Artaxerxes), de koning van Perzië. En dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand Adar; het was het zesde regeringsjaar van koningDarius.

In het eerste stuk van de haftara ziet de profeet in een visioen de hogepriester Jozua vrijgepleit van een aantal beschuldigingen. Maar het verband met Chanoeka en de bijbehorende chanoekakandelaar met zijn lichten ligt in het tweede deel. Daarin wordt in een visioen de profeet het beeld getoond van de gouden tempelkandelaar, de menora, met zijn zeven armen met daarop de olielampen geflankeerd door twee olijfbomen (Josjoea en Zerubbabel); de olie druipt uit de olijven via een opvangbakje en een kanaaltje automatisch naar de olielampen van de menora. Wat betekent dat? Vraagt de dromer en de engel die hem dit beeld getoond heeft antwoordt:
Dit is het woord van de Eeuwige tot Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de Eeuwige van de legermachten.

Op onze beurt vragen wij weer wat dit betekent. De middeleeuwse commentator Rasji heeft een nuchtere historische verklaring: de herbouw van de tempel door bouwleider Zerubbabel zal verder ‘geolied’ verlopen zonder te hoeven vechten tegen allerlei vijanden en de ‘geest Gods’ zal rusten op de koning van Perzië, Darius (die inderdaad zijn volle medewerking zal blijken te leveren, zie Ezra 6).
In de regel ‘Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest’ is altijd wel een messiaans visioen van vrede’ gevoeld, een inspiratie naar het idee, dat als de geestkracht groot is grote werken ook zonder dwang en geweld kunnen worden volbracht. (2)

De volksfantasie heeft nog mooie verhalen rondom de tempelbouwer Zerubbabel gesponnen. Zo zou hij aan het hof van koning Darius een van zijn drie lijfwachten zijn geweest. Eens toen de koning sliep besloten de drie mannen ieder op te schrijven wat het machtigste was in de wereld. De koning zou dan moeten beslissen wat de meest wijze uitspraak was en die belonen. Ze schoven hun papiertjes onder het kussen van de monarch. Zodra hij wakker was riep hij de vooraanstaanden van zijn rijk bij elkaar en mochten de drie mannen hun uitspraak toelichten. ‘Wijn is het machtigste wat er is; als de mens onder zijn invloed is vergeet hij zijn zorgen en verdriet’, zei de eerste. De tweede maakte meer indruk met zijn verklaring, dat de koning de machtigste op aarde was. Zerubbabel betoogde gloedvol, dat vrouwen de machtigsten waren, maar dat waarheid heerst boven alles; vrouwen zijn zelfs koningen de baas, maar waarheid is het hoogste goed, de hele aarde vraagt om waarheid, de hemel prijst de waarheid, de schepping beeft voor waarheid, gezegend is de God van waarheid. Dat ontlokte een groot applaus. Vraag wat je wilt, antwoordde de koning, ik zal het je geven. Niets voor zichzelf vroeg Zerubbabel, maar wel des konings toestemming om Jeruzalem en zijn tempel te herbouwen en de tempelschatten terug te geven. Aldus deed Darius en hij gaf een vrijgeleide aan hem mee voor hem en al zijn metgezellen en nog vele andere giften.(3)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Mikeets  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Het beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen, is geworden tot een meditatieobject, gecombineerd met psalm 16:8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', zeg maar een joodse mantra: ‘Shiviti Hashem lenegdi tamied' en zo wordt die afbeelding ook genoemd: een ‘Shiviti', hij hangt in vele synagoges en wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor meditatief tekenen en schilderen
(3) Legend of the Jews IV-11

RC dec 2019

Haftara bij de parasja Wajesjev

Amos 2:6-3:8

Wanneer Amos zijn doem-profetieën over allerlei landen, maar vooral over het noordelijke rijk Israël uitstort tot de menigten bij de tempel in Bet-el, waar nota bene een gouden kalf ter aanbidding is opgericht door koning Jerobeam (Jerovam) (1), wordt hem dat niet in dank afgenomen. De priester Amazia maant hem het land te verlaten richting het zuidelijk koninkrijk Juda. Amos antwoordde: ik ben helemaal geen profeet en ook niet de zoon van een profeet. Ik ben een veehouder en een moerbeikweker, maar God riep mij om te profeteren tegen mijn volk Israël (7:15). Hij distantieerde zich duidelijk van de gilde van zich noemende profeten, die heulden met de machthebbers en hun roeping verzaakten. Dat speelde zich af rond 750 BCE in een tijd, dat het eigenlijk economisch en politiek best goed ging in het noordelijke rijk Israël tijdens de lange regering van koning Jerobeam de Tweede.

Amos was de eerste van de zogenoemde late profeten (2) die hun woorden op schrift hebben gesteld (of laten stellen). Hij was daarmee gelijk al een rolmodel voor alle na hem komende profeten, zowel inhoudelijk - met zijn protest tegen onrechtvaardigheid en corruptie - als qua stijl - in de krachtige poëtische  metaforen waarmee hij zijn boodschap de wereld inslingerde. Literaire begaafdheid en beheersing van het schrift moet deze veehouder niet vreemd zijn geweest.
Weliswaar was het gouden kalf in Bet-el een doorn in zijn vroom oog, maar wat hem werkelijk bewoog was het enorme verschil tussen de welvarende bovenlaag en de armen, de onverschilligheid van de rijken voor het lot van de minder bedeelden. Het boek begint met dat hij eerst andere landen de mantel uitveegt maar dan komt het noordelijk rijk Israël aan de beurt. Hier start de haftara en de lezer mag raden welke regel aanleiding heeft gegeven tot het benoemen van dit deel van Amos’ profetieen tot haftara bij de de parasja Wajesjev (Beresjiet/Genesis 37:1-40:23), het bijbelstuk waarin wordt verhaald hoe Jacobs zonen hun broer Jozef (Joseef) als slaaf verkopen aan een naar Egypte reizende handelskaravaan.

26Zo zegt de Eeuwige:
Vanwege drie
overtredingen van Israël,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de rechtvaardige voor
geld verkopen
en de arme voor een paar schoenen.
7Zij snakken ernaar dat het stof van de aarde op het hoofd van de geringen is,
zij duwen de zachtmoedigen van de weg
.

De link tussen haftara en het verhaal over de jonge Jozef zit hem in de regel: ‘omdat zij de rechtvaardige voor ​geld​ verkopen’. Dat herinnert aan de verkoop van onschuldige Jozef voor twintig zilverstukken. (Genesis 37:28)

Het lijkt of Amos nog meer dan andere profeten er de nadruk op legt dat omkeer naar de Eeuwige onlosmakelijk verbonden is met: het betrachten van rechtvaardigheid en compassie met de weerlozen. Sprekend is bijv. deze tekst (geen deel meer van het haftara, maar het citeren waard):

5 10Zij (de elite van de Israëlieten RC) haten wie in de poort opkomt voor het recht,
zij hebben een afschuw van wie de waarheid spreekt.
11Omdat u de arme vertrapt
en van hem een heffing op koren neemt,
daarom hebt u
huizen van gehouwen steen kunnen bouwen,
maar u zult er niet in wonen;
(…)
u drijft de rechtvaardige in het nauw, u neemt zwijggeld aan,
u duwt armen in de
poort opzij.
13Daarom zwijgt de verstandige in die tijd,
want het is een kwade tijd.
14Zoek het goede en niet het kwade,
opdat u leeft!

Op zich hebben rituelen, ook al ze vroom en volgens de regels worden uitgevoerd, geen waarde, is het principe van Amos, als ze niet gepaard gaan met het opkomen voor recht en het betrachten van integriteit en betrouwbaarheid. Daarvan getuigt deze tekst die Jesaja 1:11 ev al vooraf schaduwt,

5:21Ik haat, Ik versmaad uw feesten.
Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten,
22want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers,
Ik schep er geen behagen in.
En het dankoffer van uw gemest vee:
Ik wil het niet aanzien.
23Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg,
en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!
24Laat het recht stromen als water,
de gerechtigheid als een altijd stromende beek.

Moet de catastrofe eerst plaats vinden om een betere wereld te bereiken? Dat zou je al lezend kunnen gaan denken. Hoe het ook zij, Amos besluit zijn epische donderpreek met een hoopvolle profetie over Israël. Na de rampen zullen betere tijden aanbreken. Het lijkt wel of hij het heeft over het Israël, dat in de vorige eeuw tot nieuwe bloei kwam:

9:14-15 Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de
wijn ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.
15Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de Eeuwige, uw God.

Amos was een klokkenluider van zijn tijd - het woelige Midden-Oosten in de ijzertijd. Hij stelde de kloof tussen arm en rijk, uitbuiting, corruptie en schijnheiligheid van zijn wereld aan de kaak. Hoe zou hij nu reageren op het Israël van nu – en breder op de wereld van nu? Hij kende nog geen kloof tussen orthodox, liberaal en seculier. Hij kende geen kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, geen globale kloof tussen de allerrijksten en de allerarmsten (De 26 rijkste mensen op aarde hebben samen meer vermogen dan de armste helft van de wereldbevolking, 3,8 miljard mensen). Er was nog geen kloof tussen wit en zwart, geen kloof tussen de koortsige wildgroei van menselijke productie en consumptie en de draagkracht van de planeet (opwarming, vervuiling). De schaal is sinds Amos’ tijd gigantisch vergroot, maar de primaire structuur van de misstanden is misschien niet essentieel veranderd. Profeten zijn er niet meer, maar Amos-achtigen van nu begrijpen de tekenen des tijds en hun stemgeluid is hier en daar te horen.

Noten
(1) 1 Koningen 12; er was ook een gouden kalf in de streek Dan. Bijbelwetenschappers opperen dat hier de basis is te vinden van de sage van het gouden kalf in Exodus
(2) De late profeten zijn ingedeeld in de grote profeten Jesaja, Jeremia en Ezechiel, en de kleine profeten, Hosea, Joel, Amos, Obadia, Jona, Micha, Nachoem, Chabakuk, Zefanja, Haggai, Zecharja en Malachi

RC dec 2019

Chanoeka sameach 5780 Happy Hanukkah 2019! 

Haftara bij de parasja Wajisjlach

Obadja 1:1-21

De haftara bij de parasja Wajisjlach (Genesis/Beresjiet 32:4 – 37) is een heel bijbelboek, het kleinste boek van alle profeten, Obadja, dat uit maar 21 verzen bestaat. Het boek is een aaneenschakeling van rampen en ellende voorspellende orakels over het volk van Edomieten, dat ten zuiden van Judea woonde tussen de Dode zee en de Golf van Akaba op en rond het Seïr gebergte. Het waren de afstammelingen van Jacobs broer Ezau (andere naam: Edom). Dat verklaart de link met de parasja Wajisjlach, waarin Jacob en zijn door hem bedrogen broer Ezau de hoofdpersonen zijn; bevreesd voor diens wraak vlucht Jacob naar het noordelijke Aram en na tweeëntwintig jaar trekt hij (nu ook genaamd Israël) bang maar moedig Ezau tegemoet, die hem niettemin in de armen  sluit (1) Ondanks de verzoening van deze stamvaders, in de parasja Wajisjlach beschreven, is de verdere geschiedenis tussen de Israëlieten en de Edomieten er een van voortdurende twisten en oorlogen geweest, hetgeen o.a doorklinkt in de woorden:

10Vanwege het geweld tegen uw broeder ​Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.

Wie was Obadja?
Volgens de Talmoed (2) was hij de Obadja, die wordt vermeld in het eerste boek koningen hoofdstuk 18 als hofmeester van koning Achab en koningin Izebel (plm 900 BCE). Hij was een zeer vrome man, volgens de Talmoedleraren vromer dan Abraham, want staat er over hem niet: Nu vreesde Obadja de Eeuwige zeer (1 Koningen 18:3), terwijl van Abraham niet meer wordt gezegd dan: nu weet ik dat gij de Eeuwige vreest (Genesis 22:12), dus zonder zeer, de Oude Wijzen zijn heel precies met woorden. Obadja had zijn profetische gave te danken aan zijn hulp aan de door Ba’alvereerster Isebel rabiaat vervolgde profeten (wellicht volgelingen van Elia); vijftig van hen liet hij onderduiken in de ene grot, vijftig in een andere grot. Waarom in twee grotten? Als de ene grot zou worden ontdekt, dan waren in ieder geval de andere vijftig profeten gespaard gebleven. Hoe kwam hij op dat idee? Dat had hij van Jacob, die zijn mensen, have en goed verdeelde over twee kampen voor het geval zijn broer Ezau tot de aanval over zou gaan (lees Genesis 32:7). Misschien was hij zelf een Edomiet, veronderstelt een van de talmoedgeleerden; vandaar het door hem gereleveerde gezegde: vanuit het bos komt de bijl ofwel: de steel van de bijl komt van de boom die hij omhakt

Toch is het waarschijnlijker, dat hij geleefd heeft in de 6e eeuw BCE, een tijdgenoot van Jeremia (Jirmeja), die een sterk op Obadja gelijkend stuk (Jer 49:7-22) heeft opgetekend, geïnspireerd op de val van Jeruzalem in 587. Blijkbaar heeft de schrijver de plundering van de stad en het wegvoeren door de Babyloniërs van de Judeeërs meegemaakt en is zijn boosheid is vooral gericht op het leedvermaak van de Edomieten over het wegvoeten van de Judeeërs in ballingschap en op hun medeplichtigheid aan de plundering.

12U (Edom) had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder (Jacobs volk),
op de dag dat hij een vreemde  was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten tegen hen
op de dag van hun benauwdheid.
13U had de ​poort​ van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.

Edom werd later in vaak als een pars pro toto voor alle vijandige niet-joden gebruikt, bijv. voor de Romeinen (3) en later voor het hele joodsvijandige westen.  Peinzend over deze verzen in het kader van de geschiedenis kwamen ze heel bekend voor. Hebben we dat later niet zo veel vaker meegemaakt? De verdrijving van de Joden uit Engeland in 1290, uit Spanje in 1492 enzovoort. Neem bijv. de zin: ‘U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof op de dag van zijn ondergang’. Opeens moest ik denken aan hoe die vele Nederlanders toekeken hoe het kwaad de Joodse landgenoten trof op de dag van hun ondergang. Hoe de verleiding groot is maar toe te kijken als het kwaad weer wortel lijkt te schieten.

noten

(1) de parasja bevat ook het bekende gevecht van Jacob met de engel en verhaalt - na de broederlijke verzoening -   de verkrachting van Jacobs dochter Dina door de prins van Sichem (Sjechem) en de wraak van haar broeders op de bewoners van die stad, de dood van Rachel in het kraambed en de dood van Isaac (Jitschak), die door Jacob en Ezau samen wordt begraven. Zie ook de verschillende commentaren op Wajisjlach, die zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Talmoed Sanhedrin 39b
(3) bv door Nachmanides in Gate of Redemption

Haftara bij parasja Wajetsee

Hosea 11:7-13:5;

Een korte historische aanloop naar de profeet Hosea (Hosjea), waaruit de haftara bij de parasja Wajetsee  (Beresjiet/Genesis 28:10 – 32:4) afkomstig is (1). In de loop van de 8ste eeuw BCE stond een nieuw type profeet op onder de Israëlieten. Al sinds oudsher waren er profeten – nevi’iem, meervoud van navi -  actief, te beginnen bij de eerste en grootste onder hen Mozes (Mosjee), die zijn profetische activiteit verenigde met politiek leiderschap. Hij stichtte een verlichte theocratie, zou je kunnen zeggen.  Met hem is nog enigszins vergelijkbaar de profeet Samuel (Sjemoeël), die bij tijden als profeet ook staatkundig actief was. Maar juist hij stelde op uitdrukkelijke aandrang van het volk een koning (Saul) aan en initieerde zo een scheiding tussen de morele bewaking van de erfenis van de Mozes en het politieke bestuur van de koning en zijn dienaren. In de tijd van Samuel en daarna waren er nog vele andere profeten. Je zou het een beroep kunnen noemen. Ik stel me voor, dat het een soort sjamanen waren, die naast religieuze begeestering ook voorspellingen deden, zieken behandelden en andere adviezen gaven inzake lot en leven. Ze worden in Tenach vaak genoemd als mannen (geen vrouwen) ‘over wie de geest (roeach) Gods kwam’.  Zie bv Samuel 1:10:10. Een aantal waren adviseurs van de koning (bv Nathan, die het geweten van David was). Ook koning Achab (Achav, van het noordelijke rijk, 9e eeuw BCE) had honderden profeten. Die stonden echter in de dienst van de godheid Ba’al; zij moesten op de berg Karmel het onderspit delven tegen de God van de profeet Elia. Elia was als het ware een gedreven hervormer, die met kracht opkwam voor de zuiverheid van de leer van de Ene god en het ambt van profeet wilde ontdoen van alle magische en afgodische smetten die eraan kleefden. Hij en zijn opvolger Elisa (Elisja) hadden vele volgelingen die in kleine groepen het land doortrokken of samenwoonden in gemeenschappen. Toch kwam er in de loop van de tijd de klad in hun gilde; de meeste profeten spraken de mensen en de politieke leiders naar de mond. Afgodendienst aan Ba’al, Moloch en andere afgoden, moord, corruptie en seksuele losbandigheid woekerden in de inmiddels in het tweeën gedeelde land, het koninkrijk Juda in het zuiden en het koninkrijk Israël in het noorden. De ware leer van Mozes over de eenheid van God en de in zijn naam gegeven geboden van rechtvaardigheid en mededogen raakte vergeten.

Er stonden nu mannen op, die de misstanden aan de kaak stelden, een nieuw soort profeten, Amos, Hosea, Micha en Jesaja. Wat was het nieuwe aan hen? Het waren mannen uit alle standen. Amos was veehouder. Hosea was boer, Jesaja was een hoveling. Ze waren eenlingen met ieder zijn eigen roeping en onderscheidden zich uitdrukkelijk van de ‘professionele’ profeten. Ze liepen vaak risico om vervolgd te worden om hun brisante uitspraken en onverschrokken politieke prognoses. Ze waren de klokkenluiders van hun tijd in een verslechterd klimaat van maatschappelijk en moreel verval. (2) En niet onbelangrijk, ze hebben als eersten hun profetieën opgeschreven of laten opschrijven, zodat wij ze nog kunnen lezen. Zo stijgen hun geschriften boven de contingente historische omstandigheden, waartegen ze reageerden uit.

Hosea leefde in de tijd, dat de Assyriërs het Noordelijke rijk Israel belaagden, het rijk dat hij in zijn geschrift vaak aanduidt met Efrajim. Vanaf 740 BCE af waren er voortdurend invallen en werden de grote aantallen krijgsgevangenen uit het land weggevoerd. In 722 viel de hoofdstad Samaria (Sjomron) en werden de laatste bewoners, vele duizenden, in ballingschap gebracht naar verre streken. Deels worden deze gebeurtenissen in de voorzeggingen van Hosea vooraf geschaduwd. Het is de vraag of hij de val van Samaria nog heeft meegemaakt. Hij stoelt zijn oratie over de toestand in het land op het beeld van de echtgenoot (de Eeuwige) en diens overspelige echtgenoot (Israël), die haar man in de steek laat en haar toevlucht zoekt in overspel en hoererij. Zijn eigen huwelijk met zijn overspelige vrouw Gomer ervaart hij als een door de Eeuwige hem opgelegde existentiële doorleving van het verraad van Israel. Hij vertaalt als het ware zijn eigen ongelukkige situatie om Israël aan te klagen en haar te herinneren aan de opdracht om alleen de Ene te dienen in (6:6: Want Ik vind vreugde in goedertierenheid (chesed) en niet in offers, in kennis van God meer dan in brandoffers!).  In heftige beelden stelt hij de teloorgang van de oorspronkelijke boodschap en het moreel verval aan de kaak, wat zich onder meer uit in de dienst aan Ba’al en tempelprostitutie. (3) Wat is het verband met de parasja Wajetsee? In zijn poëtisch vertoog verwijst hij naar de oorsprong van Israels kennismaking met de Eeuwige in de verhalen van stamvader Jacob:

12 3 De Eeuwige heeft een rechtszaak met Juda.
Hij zal ​Jakob​ vergelden naar zijn wegen,
Hij zal zijn daden op hem doen terugkeren.
4In de moederschoot pakte hij zijn broer bij de hielen;
in zijn kracht streed hij met God.
5Hij streed met de ​Engel​ en overwon;
wenend vroeg hij Hem om ​genade.
In Bethel vond Hij hem,
en daar sprak Hij met ons,
6namelijk de Eeuwige, de God van de legermachten,
Eeuwige is Zijn gedenknaam.
7En u, bekeer u tot uw God,
houd u aan goedertierenheid en recht (chesed we-misjpat),
zie voortdurend uit naar uw God.

We herkennen in deze kernverzen van de haftara de wederwaardigheden van stamvader Jacob zoals die in de in de parasjot Toldot, Wajetsee en Wajisjlach worden verteld -
Jacob vlucht na het bedriegen van Ezau en Isaac naar het land Charan, en verblijft bij zijn oom Lawan. Hij huwt diens dochters Lea en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lawans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen, waar onderweg Ezau hem opwacht.
De profeet smeekt Israël om omkeer te doen en verwijst naar Jacob: Jacob belandt uiteindelijk met veel inspanning op de goede weg en wordt gezegend met Gods presentie en bescherming, zoals even verder in hfst 12 nog wordt benadrukt;

12 13 Jakob​ vluchtte naar het gebied van Syrië,
Israël​ diende om een vrouw
en om een vrouw hoedde hij vee
14Door een ​profeet​ heeft de Eeuwige Israël echter uit ​Egypte​ geleid
en door een ​profeet​ werd het gehoed.

Met die laatste regel wordt Mozes bedoeld en Hosea zegt daarmee (volgens Rasji), vergeet niet dat het een profeet was, die Israël uit Egypte leidden, dus geef aandacht aan de woorden van een profeet (als ik). Zoals bijna alle profeten geeft Hosea geen voorspellingen als gebeurtenissen die onvermijdelijk gaan gebeuren. Er is altijd een keus: je kan omkeer (tesjoeva) doen en als dat het geval is beschrijft Hosea het dan mogelijke welzijn in even bloemrijke aan natuur en agricultuur ontleende bewoordingen.

noten
(1)Verschillende commentaren op Wajetsee  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website
(2) Misschien mag je Johannes de doper en Jezus ook in deze traditie zien
(3) Martin Buber stelt, dat het niet zozeer om nieuwe afgoden ging, maar meer om wat hij de baälisering van de God van Israel noemt. JHWH verviel van een metaseksuele God naar de gemaal van een moedergodin en van de rechtvaardigheid eisende God naar de gruwelijke mensenoffers eisende koningsgod. In plaats van hem als God van chesed (compassie) te kennen verafgoodt men hem en vertroebelt zijn dienst met heiligverklaarde ontucht (Martin Buber, Het geloof der profeten, Servire, 1972, pp 138, 139, iets geparafraseerd)

RC dec 2019

  

Haftara bij de parasja Toldot

Malachi 1:1 – 2:7

Malachi (Maleachi) was de laatste van de twaalf zogenoemde kleine profeten (1) Hij leefde vermoedelijk in de eerste helft van de 5e eeuw BCE.  De Joden waren deels uit Babylonische ballingschap teruggekeerd en gezien Malachi’s kritiek op de tempeldienst moet hij de herbouwde tempel persoonlijk hebben bezocht. Malachi betekent ‘mijn engel’ en men veronderstelt, dat het een bijnaam is of een latere aanduiding voor een anonieme auteur. Abraham Ibn Ezra, de middeleeuwse voorloper van de bijbelwetenschap, meent dat het Ezra zelf geweest is en dat zou kunnen, omdat ook Malachi evenals Ezra in het gelijknamige bijbelboek (hfstn 9 en 10) de gemengde huwelijken van de teruggekeerde ballingen luid aanklaagt. In feite is het boek Malachi een reactie op de laksheid en onverschilligheid onder de teruggekeerde ballingen, die bij hun hervestiging in Judea vele tegenslagen ondervonden. Het ging over vragen als: we merken niets van Gods hulp, waarom gaat het andere volken goed en ons niet? Malachi geeft een boodschap door van de Eeuwige:

(1:2: Ik heb u liefgehad, zegt de Eeuwige,
maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?
Was
Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de Eeuwige
Toch heb Ik
Jakob liefgehad,
en
Ezau heb Ik gehaat.

Hier zien we waarom de haftara wordt gerelateerd aan de  parasja Toldot (Beresjiet/Genesis 25:19-28:9) waarin de verhaald wordt hoe in een reeks kleurige gebeurtenissen en met veel intriges Jacob tot erfgenaam van Abrahams spirituele inzichten en voortzetter van diens missie wordt gekozen boven de eerstgeboren en sterke Ezau (Esav) (2). Malachi brengt deze keuze weer in herinnering. De afstammelingen van Ezau, de Edomieten - die ten zuiden van Judea woonden – hadden nog kort geleden triomfantelijk toegekeken hoe de Judese ballingen uit Jeruzalem werden weggevoerd en tezamen met de Babyloniërs hadden ze de stad hadden geplunderd (2). Dat alles lag nog vers in de herinnering. Heeft de Eeuwige misschien Jacob laten vallen en Ezau gekozen?  Het heeft er alle schijn van, maar – zo verklaart de profeet - de Eeuwige draagt het volk van Juda nog steeds in zijn hart. De goddelijke zegen, ooit aan Jacob gegeven, is er in principe nog. Wat een actieve werking daarvan in de weg staat is het laakbare gedrag van de opnieuw in Judea gevestigde repatrianten. Drie misstanden stelt de profeet met indringende beelden aan de kaak, waarvan twee in deze haftara:

1. De tempeloffers werden met aanstootgevende slordigheid gebracht.
Als we ons losmaken van het personalistisch godsbeeld kunnen we ons indenken hoe beledigend het is als zieke of blinde dieren ten offer worden aangeboden, zoals Malach ons rapporteert. Zelf willen we door wie ons een zaak, dienst of prestatie schuldig is ook met toewijding en zorgvuldigheid worden behandeld. Stel je voor als je de gouverneur van de koning zo tegemoet treedt, zegt Malachi zelf. Verwaarlozing van heilige of rituele (of sowieso formele) handelingen is ook een signaal: wanneer die worden afgeraffeld kan dat duiden op verdergaand verval in een samenleving.
Malach zegt nog iets opmerkelijks, als hij de ‘heidenvolken’ ten voorbeeld stelt;

(1:11) Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een reingraanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de Eeuwige van de legermachten.

De Eeuwige is er dus niet alleen voor Israël, maar voor alle volken en Hij kan dus ook toegewijde rituelen van anderen dan Joden waarderen. Dat is toch een pluralistische stap vooruit! (4)
Maar hoe zit dat dan met dat emotionele en partijdige ‘Ezau​ heb Ik gehaat’ uit het boven geciteerde vers? Dat moeten we met een korrel zout nemen; dat Jacob is gekozen betekent niet, dat Ezau is afgewezen, maar dat hij alleen geen deelheeft aan het verbond en het lot van Israël. (5)

2. De priesters verzaakten hun plicht om het volk goed onderricht te geven.
2:7: Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren, uit zijn mond moet men onderwijs in de wet zoeken, zegt de profeet, en dat gebeurde kennelijk niet meer. De vraag is of dat ooit weer goed gekomen is. Malachi leefde op het keerpunt van een belangrijke ontwikkeling: de opkomst van de zogenoemde Grote Vergadering (ofwel de Grote Synagoge, ansjee knesset ha-gedola). Deze club van Wijzen rond de wetgever Ezra – 120 waren het er (6) - namen de taak van redactie, onderricht en verklaring van de Tora op zich. Het waren geen religieuze ambtsdragers, maar geleerden, uit wie tweehonderd jaar later de farizeeën voortkwamen en daarna rond het begin van de christelijke jaartelling de rabbijnen. De priesters zouden voortaan op dit gebied geen belangrijke rol meer spelen.

3. De Judeeërs trouwden met de niet-Joodse vrouwen en slaan in het algemeen de Mozaïsche wet in de wind. Dat laten we even rusten. Punt drie valt buiten de haftara, evenals de daaropvolgende oproep tot ommekeer, de aankondiging van een profeet als Elia en de voorspelling van een dag van gerechtigheid, oordeel en heil.

noten
(1) In Jodendom ook wel Tree Asar genoemd; kleine profeten omdat hun boeken kort zijn. Na Malachi is volgens de Joodse traditie de profetie opgehouden
(2) Verschillende commentaren op Toldot  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Ook andere profeten varen uit tegen het gedrag van de Edomieten tijdens het wegvoeren van de Judese ballingen, Jesaja34:5–34:8, Jeremia 49:7–49:22,Obadja 1:10 ev
(4) Baruch Spinoza haalt deze passage ook aan in zijn betoog over de relativiteit van de uitverkiezing van Israël (Theologisch-politiek traktaat, Wereldbibliotheek, 1997, p 143)
(5) zoals Rabbijn Jonathan Sacks In zijn boek ‘Niet in Gods Naam' (Kok, 2016, deel II) nadrukkelijk betoogt in een diepgaande herlezing van de tekst
(6) Volgens het tractaat Avot de Rabbi Nathan 1b (annotaties bij het Talmoedtractaat Pirkee Avot, dat begint met de ‘stamboom’  van overlevering van de Tora) was Malachi, de laatste profeet, tegelijk een van de eerste leden. Ook het Israëlisch parlement, de Knesset, heft 120 leden.

RC nov 2019

Haftara bij de parasja Wajera

2 Koningen 4:1-37

In de haftara 2 Koningen 4:1-37, die aan de parasja Wajera (Genesis/Bereshiet 18 – 23) is toegevoegd, wordt verteld over twee wonderen verricht door de profeet Elisja, aan wie Elia tegen het einde van diens leven de profetenmantel had overgedragen. Hij zou twee keer zoveel wonderkracht als zijn voorganger Elia hebben gekregen.

Het is de tijd, dat Israël verdeeld was in een noordelijk en zuidelijk rijk. Alom werden afgoden vereerd, zoals de Ba’al, geintroduceerd door koning Achav onder invloed van zijn vrouw Izewel. Dankzij de grote inzet van de profeet Elia waren er nog zevenduizend mensen die de knieën niet gebogen hadden voor de ​Baäl, zoals 1 Koningen 19:18 vermeldt.
Een daarvan was de weduwe van een van Elia’s volgelingen, die in grote materiele nood Elisja te hulp riep. Deze zorgde ervoor, dat het kleine beetje olie, dat de vrouw nog had tot zo’n grote hoeveelheid vermenigvuldigd werd, dat ze haar schulden kon betalen. 

De link tussen de haftara  en de parasja Wajera is te vinden in het daarop volgend verhaalde mirakel. Gemeenschappelijk thema is de profetische belofte van een zoon aan een oud echtpaar. In Wajera zijn dat Avraham en Sara. Aan hen voorzeggen drie engelen (Gen/Ber 18:10): Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw ​Sara​ een zoon hebben. In de haftara lezen we, dat de profeet Elisja tot een kinderloze vrouw in Sjoenem met een oude echtgenoot en een kinderwens zegt (4:16): Op deze zelfde tijd over een jaar zult u een zoon omhelzen. En in beide gevallen wordt inderdaad een jaar later een zoon geboren.

De context van Elisja’s belofte is echter wel een andere dan die bij Avraham en Sara.  De welgestelde vrouw uit Sjoenem had voor Elisja, die bij zijn rondreizen vaak bij haar te gast was, een bovenkamer laten maken met een ​bed, een ​tafel, een stoel en een ​kandelaar​. Haar kinderwens werd door de dankbare profeet vervuld. Maar daar hield zijn bemoeienis als ware wonderdoener nog niet op. Een van zijn grootste mirakels voltrok hij aan de zoon van de vrouw uit Sjoenem, toen de jongen de puberleeftijd had bereikt.  De knaap hielp bij het maaien en kreeg een zware hoofdpijn. Hij werd naar huis gebracht en stierf op de knieën van zijn moeder, die hem op het bed in het kamertje van Elisja legde. De wanhopige moeder liet een ezel zadelen en spoedde zich naar Elisja, die zich op de berg Karmel bevond. De profeet was door het verdrietige nieuws aangedaan en zond zijn dienaar Gehazi vooruit. Die legde in opdracht van zijn meester diens staf op het gezicht van de dode jongen. Dat hielp niet en Elisja wist dat zijn hoogstpersoonlijke optreden vereist was. (2 Koningen 4:33) Toen ​Elisa​ binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de Euwige. Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Deze profetische reanimatie-handeling bleek te helpen en de jongen werd wakker uit de dood.
Mogelijk is nog een parallel uit de parasja Wajera te vinden rond het bijna-offer van de eveneens aan een lang kinderloze Sara laat geboren zoon Isaac (Jitschak). In het bekende verhaal heeft Avraham, gehoorzaam aan een door hem gehoord goddelijk bevel, zijn zoon op het altaar gelegd en hij staat op het punt om met een mes zijn zoon om het leven te brengen, als een stem de vader gebiedt daarmee op te houden. Isaac is weliswaar niet uit de dood opgestaan, maar wel van een welhaast zekere dood door tussenkomst van een engel van de Eeuwige op het nippertje gered.

Opmerkelijk is, dat veel van de wonderen van Elisja rond voedsel, water en opwekking uit de dood in een of andere vorm terugkomen in de evangeliën, zie bijv. de opwekking van Lazarus en het dochtertje van Jaïrus. (2)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajera zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) bv Marcus 5:40 over het dochtertje van Jaïrus: Hij (Jezus) stuurde hen allen weg, nam de vader en de moeder van het ​kind​ en hen die bij Hem waren, mee en ging het vertrek binnen waar het ​kind​ lag. En Hij pakte de hand van het ​kind​ en zei tegen haar: Talitha, koemi! Dat is vertaald: Meisje (Ik zeg je), sta op. En meteen stond het meisje op en het liep, want het was twaalf jaar

 RC nov 2019

 Haftara bij de parasja Lech Lecha

Jesaja 40:27- 41:16

We roepen even de parasja Lech Lecha in herinnering. Abraham, die hier voor het eerst in de geschiedenis verschijnt, wordt geroepen door de Eeuwige om Charan te verlaten en op weg te gaan met zijn Sara naar Kena’an, dat ooit aan zijn nageslacht zal toevallen. Daar drijft weldra een hongersnood hem naar Egypte waar de mooie Sara, door de farao werd ingepalmd maar weer met schadeloosstelling ongedeerd teruggegeven Als welgesteld man keert hij terug naar Kena’an, waar hij een succesvolle oorlog uitvecht met de vier koningen, die neef Lot hadden meegenomen. Omdat Sara maar geen zoon kreeg werd haar slavin Hagar aan Abraham als bijvrouw gegeven. Hagar baarde Ismael. De pasja besluit met het gebod tot en de uitvoering van de besnijdenis. (1)

De haftara bij Lech Lecha is uit Jesaja (Hebreeuws: Jesjajahoe), de verzen 40:27 tot 41:16. Na een forse berisping over Israëls kleingelovigheid volgen vele verzen van bemoediging en optimisme. De Eeuwige presenteert zich in de visie van de profeet als een machtige heerser over hemel en aarde, die de vijanden van Israël verslaat en verjaagt, hun afgoden ontmaskert als machteloze beelden en Israël, hoe klein het ook is, beschermt.

Waarom deze passages als haftara zijn gekozen berust niet alleen op het voorkomen van Abrahams naam in vers 41:8: ‘Ik heb jou ​(Israël) uitgekozen. Je stamt af van mijn vriend Abraham’.  Aanleiding gaf ook het vers 41:2;

‘Wie heeft uit het oosten een rechtvaardige opgewekt, hem geroepen om te gaan, volkeren aan hem overgeleverd en hem koningen doen overheersen?’ (2)

De rabbijnen van de Talmoed meenden, dat deze rechtvaardige mens uit het oosten doelt op Abraham, die immers uit het oosten kwam. (3) Bekende middeleeuwse commentatoren als Rasji (1040-1105) en Radak (David Kimchi, 1160-1235)) namen dit over. Wie zijn de hier genoemde koningen anders dan de vier koningen die Abraham heeft verslagen toen hij Lot te hulp kwam (Gen. 14). De wonderlijke daden, die in deze en volgende verzen worden beschreven zijn de daden die de Eeuwige voor de rechtvaardige mens uit het oosten – Abraham dus in deze uitleg - heeft verricht. Ze zijn een hoopgevend voorbeeld. Zoals God Abraham tegen zijn vijanden heeft geholpen, zo zal hij dat ook doen voorzijn benarde volk Israël, de afstammelingen van Abraham, doen, dat is de impliciete boodschap van deze profetische poëzie.

De commentator en dichter Abraham Ibn Ezra (1089-1167) is een andere mening toegedaan. Hij volgt een meer historiserende benaderingen (4) en kiest voor de uitleg dat het hier Cyrus (Kores) betreft, de koning van de Meden en Perzen, die bestemd is om het onderdrukkende Babylon te verslaan en die de Joden hun vrijheid terug zal geven. Cyrus wordt later in Jesaja’s profetieën zelfs met name genoemd, zoals in 45:1:
‘Zo zegt de Eeuwige tot zijn ​gezalfde, tot Kores (Cyrus), wiens rechterhand Ik gevat heb om volken vóór hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren vóór hem te openen, geen ​poorten​ blijven gesloten.’
Ibn Ezra’s veronderstelling lijkt aannemelijk. Immers de schrijver van deze verzen – ook wel deuteron-Jesaja genoemd – leefde waarschijnlijk in de tijd, dat onder de druk van Cyrus oprukkende legers het Babylonische rijk wankelde en de door de Joodse ballingen vurig verhoopte val van Babylon aanstaande was.

Het volgende vers trekt nog onze aandacht, 41:14: Vrees niet, gij wormpje Jakob, gij volkje (5) Israël! Ik ben het, die u help, luidt het woord van de Eeuwige, en uw Verlosser is de Heilige Israëls’.

Dat ‘wormpje’ lokt tot uitleggingen. Rasji: Israel is zwak als een worm, die geen kracht heeft, behalve in zijn mond. Radak weidt verder uit: de sterke mond vreet zich door de sterkste ceders, die mond is het krachtige gebed van Israël, dus dat ‘wormpje’ is eigenlijk een compliment! Maar Ibn Ezra plaatst het beestje weer in de historische context: de Babyloniërs keken op Israel neer als op een worm, maar desondanks hoeft het niet te vrezen nu Cyrus in aantocht is. 

noten

(1) Verschillende commentaren op Lech Lecha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) De vertaling is van mij en geeft de bedoeling van het wat duistere Hebreeuws m.i. beter weer
(3) Bv Talmoed tractaten Bava Batra 15a:9 en Sanhedrin 108b:21
(4) Hij lijkt met zijn historiserende benadering een vroege voorloper van Baruch Spinoza (In zijn Theologisch-politiek tractaat) en de moderne bijbelwetenschap
(5) ‘volkje’ lijkt een merkwaardige vertaling (zowel van de HSV als de NBV) van metee Jisrael. Letterlijk staat er ‘mannen van Israel’. Dat verkleinwoord staat in verband met dat metee vaak voorkomt in de samenstelling metee mispar en dan betekent het ‘weinigen (in aantal)’. Misschien speelde deze connotatie bij de vertalers mee. De Willibrord vertaling vertaalt gewoon ‘mensen van Israël’.

RC nov 2019

 Haftara bij de Parasjat Noach   Beresjiet Genesis 6:9-11:32

  Jesaja 54:1-55:5

De haftara (wekelijkse lezing uit de prefeten) die aan de sidra (of parasja) Noach is toegevoegd is Jesaja hoofdstuk 54 en 55 tot vers 6. In poëtische termen wordt gesproken over een verlaten, kinderloze vrouw die (weer) in genade zal worden aangenomen door de echtgenoot, die haar ooit in boosheid heeft verstoten. De echtgenoot is de Eeuwige, maar wie is die vrouw? De algemene rabbijnse opinie is: Jeruzalem (Rasji) dan wel het volk Israel (Ibn Ezra). In vele krachtige en gepassioneerde beelden wordt bezongen hoe de Eeuwige zijn woede laat varen. haar weer tot vrouw zal nemen, haar nooit meer verlaten en het haar verder nooit meer aan iets zal ontbreken.
54:6 Je was een verlaten, wanhopige vrouw
toen de Eeuwige je terugriep.
Kan iemand de vrouw van zijn jeugd verstoten? – zegt je God.
7Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
8Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ​liefde,

Waarom is dit stuk van Jesaja aan de sidra Noach vastgeknoopt? Dat zit hem in de passage  van het volgende vers 54:9: 
Dit (deze gelofte) is voor mij als bij de vloed van ​Noach:
zoals ik heb gezworen dat het water van ​Noach
nooit meer de aarde zou overspoelen,
zo zweer ik dat mijn toorn jou niet meer treft
en dat ik je nooit meer bedreig.
De vergelijking is duidelijk. De verwijzing is naar Ber/Gen 9:11: ‘Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten’. Zoals de Eeuwige, na de eerste verdorven mensheid te hebben vernietigd met de rampzalige vloed, aan de enig overgebleven familie Noach heeft gezworen  nooit meer de mensheid met een dergelijke catastrofe te verdelgen, zo heeft de Eeuwige eerst zijn handen van Israël afgetrokken (door het in ballingschap te laten wegvoeren), maar nu weer gezworen zich weer om het verlaten en wanhopige volk te bekommeren,  als het ware een nieuw verbond sluitend (zie 55:3).

Laten we deze passages eens in een historische context plaatsen. Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Jesaja de eerste leefde ten tijde van koning Hizkia (8e eeuw BCE) en de tweede ruim tweehonderd jaar later tegen het einde van de Babylonische ballingschap.. Deutero-Jesaja heeft de hoofdstukken 40 tot 56 voor zijn rekening genomen, zo neemt men aan (sommigen veronderstellen nog een derde Jesaja, die de laatste hoofdstukken heeft geschreven).  Hij kende de wanhoop, de ellende en de heimwee van de ontheemden, die weggerukt uit hun thuisland treurden aan de rivieren van Babylon. Een door haar man in de steek gelaten en van haar kinderen beroofde vrouw, dat is het krachtige beeld, dat het gevoel van de profetische dichter vertolkt, een beeld dat hij al eerder heeft gebruikt (bv 49:19, 51:18-20; kende men toen nog niet de wanhoop van de man, die door zijn vrouw en kinderen is verlaten?). Maar naast de wanhoop kende hij ook het vurig verlangen naar de terugkeer naar een thuis, waar de zorgen over veiligheid en levensonderhoud voorgoed voorbij zouden zijn., sterker nog, waar de vrijheid en waardigheid van zijn volk zou zijn hersteld. Dat verlangen zal zijn verhevigd door de politieke omstandigheden van die tijd; het rijk van Babel wankelde en Cyrus, de koning van de Meden en de Perzen, maakte zich klaar om Mesopotamië te veroveren. De hoop op terugkeer naar het land en op hernieuwde welvaart vertaalt zich in het beeld van de verstoten vrouw die in haar positie als geliefde echtgenote wordt teruggenomen. We herkennen de situatie van de Judeeërs aan de Eufraat en de Tigris van toen als archetypische situatie van vluchtelingen en bannelingen van alle tijden en zeker ook van nu. Ik laat graag aan de lezer over om actuele voorbeelden voor ogen te halen. 

 Het hartstochtelijk verlangen van de profeet schetst een ideaalsituatie van welvaart, bestendigheid, onkwetsbaarheid van de bruid, die utopisch of zelfs messiaans aandoet.
Heeft hij een messiaans Jeruzalem in gedachten als hij dicht:
2Ik maak je torens van ​robijn,
je ​poorten​ van ​beril,
je ​muren​ van kostbare edelstenen.
Refereert hij aan een messiaanse tijd als hij roept:
551Hierheen! Hier is water,
voor ieder die dorst heeft.
Kom, ook al heb je geen ​geld.
Koop hier je voedsel en eet.
Kom, koop voedsel zonder ​geld,
koop ​wijn​ en melk zonder betaling.

Deze utopie van soliditeit en solidariteit  krijg je niet cadeau, Jeruzalem zal wel moeten luisteren naar de stem van de Eeuwige:
Luister aandachtig naar mij,
en je zult ruimschoots te eten hebben
en genieten van een overvloedig maal.
Leen mij je oor en kom bij mij,
luister, en je zult leven.

Wat is dat luisteren? Het is Tora in ruime zin, onderricht in de zin van de Jesaja van hoofdstuk 1: 18.17:‘ Vermijd alle kwaad en leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta ​weduwen​ bij’.
De terugkeer van (een deel van) de ballingen naar Judea heeft inderdaad plaatsgevonden – met goedkeuring en met materiele steun van Cyrus -   maar de realisering van een messiaanse samenleving is niet gerealiseerd. De verheven en toch aardse beelden in deze verzen raken nog steeds een snaar raken in ons gemoed, dat verlangt naar uitbanning van uitbuiting, corruptie, honger, armoede en omarming van compassie en gerechtigheid in deze wereld.

De traditie ziet Jeruzalem ook op allegorische wijze. Je kan Jeruzalem, (of Tsion) zien als de heilige plek die in iedere Jood, cq in iedere mens, in principe is te vinden. Een plek, die geheven is boven de alledaagse zorgen en wanen, boven de tijd/ruimte, een plek waar de ziel zich even verbonden en verzoend kan weten. (1) Op dat niveau van uitleg is de terugkeer naar Jeruzalem de terugkeer naar die heilige plek, onze essentie, ons beste weten omtrent het goede, onze ziel, de we eens in de hectische rat race van de wereld hebben verlaten. Dan slaat de vertroosting van de verzen 54:7,8 niet zozeer op de geschiedenis van Israel, waar de Eeuwige zijn gezicht (presentie) meermalen voor meer dan een ogenblik heeft verborgen (en nog steeds verborgen houdt?), maar vooral op onze individuele weg van bewustwording, de weg van de banneling die thuiskomt.
Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ​liefde

noot

(1) In de kabbala wordt Jeruzalem veelal geassocieerd met de sefira Malchoet.

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8 

Er zij licht en er was licht

We gaan een gedachtenreeks spinnen rond dit vers uit Beresjiet/Genesis hoofdstuk 1.

1:3 God zei: ‘Er zij licht' en er was licht. (wa-jomer Elohim: jehi or) (1)
4 God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis;
5 het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. Een dag.

Volgens de modern orthodoxe commentator en expert oud-semitische talen Umberto Cassuto die vaak dicht bij de letterlijke bedoeling van de tekst blijft heeft de redacteur het licht als fysisch fenomeen voor ogen gehad. Dat is wel waarschijnlijk, maar toch is het is het interessant eens na te gaan, hoe deze gebeitelde pregnante woorden latere generaties geïnspireerd hebben er veel meer in te zien dan het zichtbare licht.

Dat is begrijpelijk, als je stil staat bij hoe het woord ‘licht' geladen is met associaties, die weliswaar gebaseerd zijn op de eigenschappen van het fysieke licht, maar daar verre boven uitgaan. Neem alleen al in het Nederlandse spraakgebruik uitdrukkingen als ‘het licht zien', ‘een lichtend voorbeeld' en de term ‘verlichting', welk laatste woord merkwaardigerwijs zowel een religieuze betekenis kan hebben en dan duidt op een staat van verheven vrede en diep inzicht, alsook een min of meer antireligieuze strekking heeft als ze duidt op 18-eeuwse omhelzing van het principe dat de rede en rationele analyse de enige manier is om waarheid te vinden. Altijd al heeft het begrip ‘licht' een centrale plaats ingenomen in het weergeven van essentiële ervaring op geestelijk gebied. Het hoeft het geen verbazing te wekken, dat het monumentale bijbelvers over de creatie van het licht ook allegorische en esoterische uitleg heeft gevonden. Van mijn prille bestudering van deze aspecten waag ik enkele bevindingen weer te geven.

In de midrasjverzameling op Genesis, Genesis Rabba (2), wordt geconstateerd, dat het licht van vers twee niet het licht is, dat later uitgaat van zon en maan. Zo staat het er:
‘Men onderwees, dat het licht, dat werd geschapen in de zes dagen van de schepping de dag niet kan verlichten, omdat dit licht het licht van de zon zou doen verdwijnen en ook de nacht niet, omdat het alleen geschapen was om de dag te verlichten. Waar is het dan gebleven? Het is opgeslagen voor de rechtvaardigen in de messiaanse toekomst, zoals is gezegd’ - en dan volgt een regel uit een messiaans visioen van de profeet Jesaja -  (30:26):dan is het licht van de maan als het licht van de zon, en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk’. 
We moeten er met de kennis van nu niet aan denken, dat de maan de zon wordt en de zon zevenmaal zo hard schijnt, maar dat fysiele aspect is hier natuurlijk niet bedoeld, het gaat om een verlichte staat van volmaakte vreugde en wijsheid, die aan het eind der tijden wacht. (3) Is er dan niets van dit primordiale scheppingslicht meer werkzaam in onze huidige wereld?

In de kabbalistische mystiek zijn tot in groot detail ideeën over het verborgen oerlicht te vinden. Gangbaar is de opvatting geworden (van de grote kabbalist R. Isaac Luria, 1534-1572) dat het primordiale spirituele licht, dat uit Ein Sof (het onzegbare ‘zonder einde’) als eerste scheppingsdaad is ontstaan, in een aantal dramatische fasen van vermindering tot een minieme fractie omhuld is geraakt in schillen (klipot) (4) : de psychische en materiele wereld, kortom onze daagse beleving van de complexe gebroken wereld van goed en kwaad. De verhulde overblijfselen van het licht, de lichtvonken (netivot) diep verborgen in ons en in de dingen, zoals wij die waarnemen, vragen erom verlost te worden door ons, zodat wij ons bewustzijn en daarmee de wereld in een meer volmaakte staat kunnen brengen, kunnen heel maken in de richting van het oorspronkelijke ideale plan van de schepper (5). Dat wordt in het Joods gedachtegoed tikoen olam genoemd, de reparatie van de wereld. Dat kan door (een programma van) spirituele oefening, waarin je je traint in een verruimd gewaar worden van hoe in alle gedachten, ideeën, gevoelens, ook de donkerste, een (goddelijke) vonk is verborgen, die bevrijd kan worden, waardoor die zaken naar een hoger plan worden verheven. Maar het kan ook door een daad te doen van liefde, hulp, steun aan medemens en milieu.

Dit concept van tikoen olam is vanuit de kabbala ontwikkeld tot een heel praktische leidraad in het liberale jodendom om het doen en laten van alledag een zin te geven.
Laat mijn gedachte, mijn daad of de manier waarop ik waarneem en aan het leven deelneem de wereld in het donker of breng ik meer licht aan de oppervlakte?

noten

(1) Een woordspelletje met het Hebreeuwse woord voor licht (or אור), verlichten (he’íer) stad (ier עיר) en huid (or עור): אור העיר האיר עור
(2) Genesis Rabba 3:7
(3) Cassuto moet niet zoveel hebben van deze esoterische uitleg. Hij meent, dat de “rabbijnse uitleg dat het licht verborgen werd ten gunste van de rechtvaardigen in de komende wereld “ niet overeenkomt met de bedoeling van het vers. Hij houdt het bij de psjat (letterlijke uitleg) Zie Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part one, p.26 ev en zijn betoog over de functie van zon en maan als markering van het alreeds geschapen licht van vers 3.
(4) Zie het concept van het ‘breken der vaten’(sjevirat ha keliem), een soort schitterend ongeluk, zoals bijv. samengevat in Marcus van Loopi, Kabbala als levenskunst, p. 257 ev
en in detail Moshe Miller op chabad.org
(5) Daarvoor wordt wel in de kabbala het beeld van Adam Kadmon (niet te verwarren met de Adam van het paradijs) gebruikt, een oerbeeld van de volmaakte mens, dat God gebruikte als blauwdruk voor de schepping.
Adam Kadmon doet, ontdaan van zijn metafysische kleed, denken aan het antropisch principe in de natuurwetenschappen, het idee dat er een nauw verband bestaat tussen ons mens-zijn en de eigenschappen van het heelal, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Antropisch_principe

 

RC okt 2019

 

 

 

 

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

 
What do you want to do ?

New mail

Is de corona pandemie ook een soort aandoening als tsaraät? Uiterlijke gelijkenissen dringen zich op. Corona heeft in zekere zin een (tijdelijke) onaanraakbaarheid in de samenleving geïntroduceerd. De quarantainemaatregelen hebben wel wat weg van de verbanning van de lijder aan tsaraät uit het kamp en de coronatesten zijn de seculiere variant van de proeven van zuiverheid, die de priester toepaste. Natuurlijk zijn virusaandoeningen van alle tijden, maar de wereldwijde ontwrichtende omvang is toch heel opvallend.   Het is verleidelijk de globale pandemie te zien als de fysieke manifestatie van de verstoring in de omgang van de mens met de aarde. Of anders uitgedrukt als een symptoom van een onbalans in de kwetsbare – zo niet al verziekte - relatie van de mens en zijn natuurlijke omgeving. Hoe men de pandemie ook wil duiden zij betekent voor vele een signaal om die relatie fundamenteel opnieuw te overdenken. De stichting ParDeS biedt daarvoor een platform voor debat en discussie, bijvoorbeeld op het ParDeS WEBINAR 6 MEI 2021 15.00 - 17.30 uur

 

Behaälotcha  Bemidbar/Numeri 8:1 – 12:16

De lichten van de Menora

De parasja Behaälotcha 1 begint met het bevel aan Aharon de hogepriester om

‘de lampen aan te steken, de zeven lampen moeten licht verspreiden in
de richting van de voorzijde van de kandelaar’. Die kandelaar is beter bekend als de menora.
Aldus doet Aharon en dan volgt nog een korte beschrijving van hoe de menora is gemaakt, ‘van top tot teen’ gedreven uit één stuk van puur goud.

Een krachtig design

Waar hebben we dat eerder gelezen? In Exodus (25:31); daar staat, dat Mozes de opdracht krijgt een lampenstandaard te doen maken, een lampenstandaard van zuiver goud volgens een design door de Eeuwige hoogstpersoonlijk aan Mozes doorgegeven. De voet, de schacht, de kelken, knoppen en bloemen moesten uit één stuk goud worden gedreven. De schacht moest zes zijarmen hebben: drie aan de ene kant en drie aan de andere kant, versierd met amandelbloesem, op elk van de zes armen en de schacht een aantal kelken en knoppen en bloemblaadjes. Zeven lampen moesten worden gemaakt om op de armen te zetten, de snuiters en bakjes moesten ook van zuiver goud zijn.
De vorm is prachtig. De lijnvoering van de stam en zijn armen is krachtig en bevredigt ergens diep het gevoel van harmonie. De uitwaaiering vanuit één fundament naar zeven eindpunten, die met licht bekroond worden, resoneert met een archetypisch beeld van groei en bloei naar het licht. De mansgrote Menora van de tabernakel en later van de tempel riep en roept nog steeds associaties, mijmeringen en overdenkingen op.

 

Een allegorie van ontplooiing


Als we de zin in het tweede vers in het Hebreeuws bekijken en letterlijk vertalen dan staat er: ‘bij het omhoog brengen van de lichten, laat de zeven lichten schijnen naar tegenover (el moel ha-penee) de voorkant van de menora’. De bedoeling van dat el moel ha-penee is niet helemaal duidelijk maar meerderheid van de rabbijnse uitleggers zoals Rasji menen dat de zes lichten (dwz de lonten in de oliebakjes) aan weerszijden van het centrale licht op de stam van de menora naar dit middelste licht gericht zijn en het als het ware assisteren in zijn schijnen. De vorm van de menora kan doen denken aan een gestalte, een boom, stevig geworteld in de grond, de takken bekroond met bloesem strevend naar de hemel, of aan de mens die floreert op de lange weg van optimale ontplooiing tussen aarde en hemel, tussen tijd en oneindigheid.2

 

Vonken van licht bevrijden

In de kabbalistische allegorische visie op de menora van de rabbi Levi Yitzchok van Berditchev (1740-1810) 3 legt deze mysticus eerst uit hoe de vonken van Gods liefde als het ware verzonken, ingekapseld, verborgen zijn in de materiele fenomenen van de wereld en hoe het de opdracht is van de mens door een heilzame levenswijze hen te bevrijden uit hun stoffelijke inkapseling (klipot), de vonken weer terug te brengen naar hun oorsprong. In alle materiele fenomenen zit een goddelijke vonk of wel een verborgen essentie verborgen, geen enkel fenomeen kan  los van deze goddelijke oorsprong bestaan hoe ragdun of ogenschijnlijk afwezig dit verband ook lijkt. De meest hoge vorm van liefde is het ontdekken van die vonk van licht in ieder verschijnsel, geen enkel uitgesloten of het nu een aantrekkelijke of weerzinwekkende manifestatie is.  Dat is het levenswerk van de (vrome) mens. Wie zoals Aharon de zeven lichten van de menora ‘doet omhooggaan’ (haälot) doet allegorisch gezien een handeling, die helpt om de vonken uit hun gevangenschap te bevrijden en het spirituele licht – de liefde - in de materiele wereld tot aanschijn te brengen.4 De zeven armen van de kandelaar met hun lichten symboliseren dan de zeven deugden die de mens daarbij helpen. Rabbi Nachman van Bratslav (plm 1800) 5 somt ze op als een bondig programma voor een Moesar leergang: jezelf onthouden van eerbewijzen, boosheid, ongeduld en arrogantie, het hooghouden van waarheid tegenover de leugen; ver blijven van somberheid en nietsdoen; ver blijven van schade toebrengen door het gesproken woord via laster en roddel en van het bezoedelen van het zien en andere zintuigen; het heiligen van de ogen, neus, oren en mond. Er valt nog veel te doen om een menora te belichamen.

 

Menora zijn


Een meer fysieke allegorie geeft ons Rabbi Isaiah HaLevi Horovitz (1555-1630, de Shelah) 6. Hij vergelijkt de vorm van manshoge menora met haar drie armen aan weerszijden van de schacht met de vorm van het menselijk lichaam, dat aan iedere kant van zijn romp drie uitsteeksels heeft, oren (de korte armen), armen (de iets langere middelste armen) en benen (de langste buitenste armen). Centraal is de romp die het hart bevat (en het hoofd zou ik zeggen). Waar zit het licht dan? Daarvoor kijken we naar Spreuken 20:27: de ziel van de mens is de lamp van Hashem (neer Hashem nisjmat adam).

Dat brengt mij tot een uitnodiging om mee te doen met de hieruit te destilleren ‘menora-meditatie’.  Kies een rustige plek in je huis of in de natuur. Ga stevig staan met beide voeten iets uit elkaar. Laat je adem rustig gaan, 1 … 2 … 3… etc. Maak dan een beeld dat je lichaam een schacht is, de schacht van de menora. Spreid dan je armen in een zijdelingse boog en laat je handen iets in de richting van je hoofd hangen, zodat drie vingers (duim, wijsvinger, middelvinger) naar een plek iets boven je hoofd wijzen. Maak dan het beeld dat diep uit de aarde een sterke lichtbundel omhoogkomt die via je benen, je geslacht, je hart door je hoofd en armen samenkomt in een helder licht boven je hoofd. Blijf een tijd zo staan en ervaar hoe het voelt. Sjabbat sjalom
 

Noten


1. Verschillende andere commentaren op de parasja Naso zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website 

2. R. Samson Raphael Hirsch werkt dit beeld verder uit in zijn Toracommentaar ad loc.


3. In zijn commentaar op de Tora ‘Kedushat Levi’ ad loc zie op Sefaria org


4. De esoterische vonkenleer is de basis geworden voor het leerstuk van Tikoen Olam (herstel van de wereld) vooral in liberaaljoodse kringen

 

5. in Likutei Moharan 13

 

6. In zijn Toracommentaar Shney Luchot Habrit

 

RC mei 2021

 

 

Nieuws

Heeft u zondag 4 juli de semicha gemist? Bekijk de video opname van de ceremonies die tegelijkertijd bij de LJG Amsterdam, in Parijs en Cambridge plaatsvonden. Lees meer >>
Thuis het hele jaar door bewust Joods leven? Hoe doe je dat? Judaism in a Box biedt uitkomst. Lees er hier alles over. Lees meer >>
Matot-Masee Bemidbar/Numeri 30:2-36:13 Wat waren de pleisterplaatsen? Op bevel van de Eeuwige heeft Mosjee de etappes volgens de verschillende vertrekpunten genoteerd, het is een lange lijst van 42 namen. Waarom die lange opsomming? Lees meer >>

juli

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31