Liberaal Joodse Gemeente Gelderland, progressief en gastvrij.

05 april 2020 | 11 Nisan 5780

Parasja van de week

shiviti

Parasja van de week

Haftara bij de parasja Tetsawee

Ezechiël 43:10-27        I Samuel 15:2-34       

In de sidra Tetsawee (Exodus/Sjemot 27:20 - 30:11) wordt uitgebreid aandacht besteed aan de kleding van de priesters, en met name aan de uitdossing van de hogepriester (Aharon). Aan het slot volgen nog enkele voorschriften over de offerdienst en wordt een de opdracht gegeven om een reukofferaltaar te maken volgens de daar gegeven omschrijving. (1) Op dit laatste deel van de parasja sluit de reguliere haftara aan, een gedeelte uit hoofdstuk 43 uit het boek van de profeet Ezechiël (Jechezkel), die als balling in de zesde eeuw BCE in Babylonie woonde en daar de ballingen confronteerden met hun misdragingen in het verleden, maar ook troostte met visioenen van een grootse toekomst. Een van de bekendste visoenen is die over de nieuwe tempel die ooit op de heilige berg zal verrijzen; de profeet krijgt een beschrijving door met afmetingen en al, die de hoofdstukken 40-48 beslaan. Het haftara gedeelte beschrijft het nieuwe offeraltaar met de vier hoorns en de daarbij te offeren dierenoffers ter inwijding van de tempel, zeven dagen lang, net zoals in de parasja Tetsavee wordt verordend en later in Leviticus (Wajikra) ook wordt uitgevoerd.

De sjabbat van Tetsawee is de tweede sjabbat van de vijf sjabbatot, die Pesach vooraf schaduwen. De sjabbat valt voor feest van Poeriem en wordt sjabbat Zachor (herinner!) genoemd omdat op deze dag uit Deuteronomium/Devariem 25:17-19 wordt gelezen waarin de slinkse aanval wordt gememoreerd van het volk van Amalek op de Israëlitische woestijnreizigers en het gebod wordt gegeven om dit nooit te vergeten. In liberale kringen wordt dan ook de voorkeur gegeven om als haftara te lezen over de veldtocht van koning Saul (Sjaoel) tegen de Amalekieten in I Samuel 15:2-34. Bedenk daarbij dat de bad guy uit het boek Ester, het boek dat op Poeriem wordt gelezen, niemand minder is dan Haman, een afstammeling van de koning Agag van Amalek uit deze haftara. (2)

In de haftara lezen we hoe de oude richter Samuel (Sjmoeëel) het gebod uit Deuteronomium inderdaad niet heeft vergeten. Hij beval Saul nietsontziend te werk te gaan:
15:3 Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, en van kameel tot ezel , aldus sprak de profeet met de autoriteit van een groot-ayatollah tot de koning.
Saul volvoerde de opdracht succesvol, maar toch net niet helemaal en net niet helemaal is helemaal niet in de ogen van de onverbiddelijke opdrachtgever. Het beste van het vee werd niet gedood; de koning en zijn leger namen het mee. Alle mannen, vrouwen en kinderen sloeg Saul met het zwaard, maar één man niet: de koning van de Amalekieten, Agag, die voerde hij met zich mee naar huis. Dit tot beweerd ongenoegen van de Eeuwige en tot ontsteltenis van zijn middelaar Samuel, die hierdoor diep geschokt was, de hele nacht wakker lag en riep tot de Eeuwige. De volgende ochtend legde hij woedend de koning zijn nalatigheid inzake de opdracht voor. Saul probeert zich er nog uit te redden. Het vee was immers bestemd tot dankoffer aan de Eeuwige. Het zou kunnen, maar het klinkt toch een beetje als een uitvlucht. Daarna geeft hij toe: ik was bang voor de aandrang van de soldaten, die kennelijk buit wilden. Dat is goed voorstelbaar want vaak is de buit ook de betaling van de soldaten. De koning vraagt Samuel vergeving, maar de oude profeet blijft onvermurwbaar. Het koningschap wordt hem ontnomen en de Eeuwige komt nooit op zijn besluiten terug, zo zegt de profeet.
Dan komt het geval Agag aan de orde, de koning van Amalek, wiens leven is gespaard, als trofee van de overwinning of uit een spoor van compassie, dat is de vraag. De bejaarde richter beveelt de man voor hem te leiden, die nog denkt dat zijn leven zal worden gespaard, en houwt hem zonder pardon in vieren.

Als we uit de huid van Samuels tijd kruipen, wat kan het ons als bijbelstuk nu leren?  Vanuit het referentiekader van de zogenoemde moderniteit, noemen wij de opdracht aan koning Saul zonder meer een opdracht tot genocide. Niet zozeer de ongehoorzaamheid van de koning aan God, c.q. de profeet is dan het kwaad, maar de gehoorzame uitvoering van die opdracht om een volk van de aardbodem weg te vagen. Laat er geen misverstand over bestaan: ik zie de Tora en de Tanach als goddelijk geïnspireerd maar door menselijke geest ontvangen en door menselijke hand geschreven. Er is in de geschriften een progressie waar te nemen in de mate van verlichting waarin de divine inzichten zijn ervaren, waargenomen, opgetekend en geïnterpreteerd.
Van een partijdige stammengod, die gunstig gestemd moet worden met dierenoffers en die wanneer hij niet stipt gehoorzaamd wordt straft met plagen en nederlagen zien we een ontwikkeling naar een schenker van inzichten in universele waarden van gerechtigheid en compassie, gepaard aan een oproep aan de mensen die te realiseren. Een liberale opinion leader als John Rayner zegt het zo: Wanneer je jezelf eenmaal bevrijd hebt van dogmatische vooronderstellingen, kan niets ter wereld je er ooit weer van overtuigen dat de God van rechtvaardigheid en barmhartigheid, zoals hij in veel delen van Tenach naar voren komt opdracht gaf op de genocide op de Amalekieten . (3)

Noten
(1) Commentaren op de allerlei aspecten van de parasja Tetsawee zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Lees het boek Ester in een versie voor jongeren op mijn website
(3) John D. Rayner, Halacha, een progressief Joods perspectief, Stichtng Sja’ar, 2003, p 11, 12
Toch is het goed om ook een poging tot een  verdedigend woord tbv Samuel op te voeren:
Al wie zich vergevingsgezind toont ten opzichte van de wreedaard zal tenslotte wreed worden tegen de vergevingsgezinden, aldus R. Elazar in Tanchuma Metzora , maw mildheid tov de wredaards zal uiteindelijk op jezelf terugslaan, omdat je uiteindelijk wel wreed zal moeten worden tegen de aanvankelijk toegestane uitwassen. Had Hitler gespaard moeten worden?  zie http://www.uscj.org.il/commentaries/parashat-tetsavveh/

Vrolijk Poeriem Chag Poeriem sameach !

Haftara bij de parasja Teroema

 I Koningen 5:26-6:13 (1)

In de parasja Teroema  (Exodus/Sjemot  25 - 27:20 ) krijgt Mosjee de opdracht om aan het volk te zeggen, dat het gaven moet geven, allerlei kostbaarheden, ieder zoals zijn hart hem ingeeft. Van deze gaven zal een heiligdom gemaakt worden; verder wordt in deze parasja beschreven hoe de te vervaardigen heilige arke (ha-aron ha-kodesj), de rituele objecten en verder de tent der samenkomsten, de misjkan, eruit moeten zien.(2)
De parallel bij de profeten (Neviïem) is snel gevonden: de bouw van de tempel van Salomo, in feite een gigantische versie in steen van de misjkan (tabernakel). De pasjiot van Teroema tot en met Pekoedee, dus tot het einde van het boek Exodus zijn – met uitzondering van de geschiedenis met het gouden kalf - een model voor de hoofdstukken 5 tot in hoofdstuk 8 in 1 Koningen.

Na alle oorlogen die koning David had gevoerd was er vrede en welvaart neergedaald over Israël. Salomo werd al spoedig wereldberoemd in het Midden-Oosten om zijn macht en om zijn wijsheid, die ook zijn kennis omvatte over flora en fauna (HSV 4:32, NBV 5:12).  Nu was de tijd gekomen om het verlangen te realiseren van vader David: de bouw van een tempel, een beet ha-mikdasj. Tot nu was de eredienst gelokaliseerd gebleven bij de oude tabernakel op de offerhoogte van Gibeon, waar ook de heilige ark stond.(3) Gelukkig was de grote vriend van David, Chiram, de koning van het Libanese Sidon, bereid ook diens zoon Salomo te helpen met cederhout en de ambachtelijke kunst van bronsbewerking.
Een machtig leger van arbeiders werd – vrijwillig, dat is de vraag – opgetrommeld en te werk gesteld:
NBV 5:27 Uit heel Israël liet ​Salomo​ mensen komen om ​herendienst​ te verrichten, wel dertigduizend man. 28Die stuurde hij in ploegen naar de Libanon, tienduizend man per maand: één maand werkten ze in de Libanon (om bomen te kappen en te sjouwen) en twee maanden thuis. Adoniram was opzichter van de ​herendienst. 29Verder had ​Salomo​ zeventigduizend sjouwers en tachtigduizend steenhouwers aan het werk in de bergen, 30nog afgezien van de drieëndertighonderd opzichters die met de leiding over het werkvolk.

Zo begon het werk aan de tempel, dat vier jaar duurde. Net zoals in Exodus/Sjemot wordt In detail beschreven, hoe het bouwwerk eruit ging zien: het heilige der heilige, het heilige, de binnenhof en alle daarbij behorende attributen zoals de lampenstandaarden, de tafels der toonbroden, het wierookaltaar, het wasbekken (‘de zee’) en het offeraltaar. Er zijn mooie reconstructies gemaakt op basis van de gegevens uit de boeken Koningen en Kronieken, die een indruk geven van de pracht en praal van de tempel, waarbij ook opvallen de reuzengrote cherubs die de ark in het heilige der heilige flankeren.(3) De parasja eindigt met een hernieuwde belofte van de Eeuwige:
611: Toen sprak de Eeuwige tot ​Salomo: 12‘Jij bouwt nu dit ​huis. Welnu, als jij je aan mijn voorschriften houdt, mijn rechtsregels volgt en mijn geboden strikt naleeft, zal ik nakomen wat ik je vader ​David​ met betrekking tot jou heb beloofd. 13Ik zal te midden van de Israëlieten komen. 
Een uitspraak die doet denken aan de belofte aan de smekende Mozes (Mosjee) gedaan om te midden van de Israëlieten mee te gaan op hun trektocht (Ex/Sjem 33).

Na het haftaragedeelte volgen tot in hoofdstuk 7 en 8 nog veel meer details over het gebouw en het interieur. Dan staat er: 810:: En het gebeurde, toen de ​priesters​ uit het ​heiligdom​ gingen, dat de wolk het ​huis​ van de Eeuwige vervulde. 11Vanwege de wolk konden de ​priesters​ niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de Eeuwige had het ​huis​ van de Eeuwige vervuld.
We vinden een voorafspiegeling in Exodus/Sjemot  (of is er sprake van een naspiegeling): Als de tabernakel eindelijk klaar is daalt de wolk van de Eeuwige op de tent en vult hem met Zijn aanwezigheid (kawod): 40:34:Toen overdekte de wolk de ​tent​ van ontmoeting, en de heerlijkheid van de Eeuwige vervulde de ​tabernakel,35zodat ​Mozes​ de ​tent​ van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de Eeuwige de ​tabernakel​ vervulde.

Al onder de lange regering van de machtige Salomo begon de afvalligheid van de geboden, die nog zo vaak het koningschap en de natie Israël zouden gaan ondermijnen, een proces van verval dat een speciaal beroep deed ontstaan, althans er een nieuwe invulling aan gaf: de profeet, die als opponerende eenling het heersende en corrupte regime aanklaagt.

In de Joodse mystiek kan de tempel gezien worden als vol symbolische betekenissen, bijvoorbeeld als een schema van de staat van existentieel bewust zijn. De voorhof is dan de sfeer van ons dagelijks bewustzijn, met zijn beslommeringen van alle dag, van de grotere en kleinere interacties met de omgevende wereld, met zijn zorgen en zijn vreugden, zijn eindeloos gepieker en zijn creatieve invallen. In de voorruimte van de tent begint de inkeer, het diepere schouwen, het is de plaats van gebed en meditatie, waarbij de focus op het licht van de menora, de rijkdom van het brood en de geurige adem van het gouden reukaltaar kan helpen. Dan is de stap in de ruimte van het heilige der heilige soms gegund, het oord van een blij vermoeden, van alomvattende vergeving, van het verticaal reikend contact met de bron van het bestaan, welke naam je er ook wel of niet aan wil geven. (4)

Noten
(1) In de HSV is de telling iets anders: HSV 5:12 -6:13
(2) Commentaren op de parasja Teroema zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Overigens werden er na Salomo na zijn dood, bij de scheuring van zijn rijk in tweeën, door koning Jerobeam (Jerovam) van het noordelijk rijk twee gouden kalveren opgericht, een in Beet-El en een in Dan. 1 Koningen 12:26-30
(4) Een mooie dynamische reconstructie: https://youtu.be/oiF-wObznds
(5) Een duiding van de tempel in de sfeer van de kabbalistische sefirot is te vinden in Malachi De Clercq, De Sophia en Sjechina traditie in de joodse mystiek Een onderzoek naar het vrouwelijke aspect van de kabbalistische Godheid, p. 45 ev https://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/479/131/RUG01-002479131_2018_0001_AC.pdf

 

Haftara bij de parasja Misjpatiem

2 Koningen 12:1-17

De parasja Misjpatiem (Sjemot/Exodus 21:1–24:18) wordt wel ‘het boek van het verbond' genoemd. Immers het grootste deel van de parasja bestaat uit allerlei belangrijke regels, deels een uitwerking van de Tien Woorden, hetgeen uitmondt in de sluiting van het Verbond (het eerste van vele, die door Tora en Tenach heen telkens opnieuw worden gesloten).

De reguliere haftara is Jeremia (Jirmejahoe) 34:8 -22; 33:25-26. Ook daar is sprake van een nieuw verbond van koning Zedekia (Tsidjkijahoe) van Juda met de Eeuwige, waarin met name de in Misjpatiem verordonneerde vrijlating van Israëlitische slaven na zeven jaar dienst - een bepaling die geheel niet meer n acht werd genomen - weer wordt ingesteld. Echter na een tijdje kwam men er weer op terug en werden de vrijgelatenen weer tot slaaf gemaakt, een schandelijke woordbreuk, die Jeremia brengt tot het voorzeggen van de definitieve ondergang van de koning en het koninkrijk Juda. Aan de haftara is nog een woord van troost toegevoegd uit hfst 33: Want Ik zal een omkeer brengen in hun gevangenschap en Mij over hen ontfermen.

In de liberale cyclus is echter een andere haftara gekozen; want de sjabbat, waarop Misjpatiem wordt gelezen kent een aanvullende lezing uit Exodus/Sjemot, de eerste van de vier aanvullende lezingen, die worden gedaan op de vier sjabbatot in de aanloop naar Pesach. Het is Sjemot/Exodus 30:11-16, het begin van de parasja Tisa, het stukje over de volkstelling die gepaard gaat met de heffing van een halve sjekel per volwassen persoon. Vandaar de naam Sjabbat Sjekaliem.
30:14  Ieder die meegeteld wordt, iedereen van twintig jaar of ouder, moet deze heffing voor de Eeuwige betalen. (…)  Het losgeld dat je van de Israëlieten in ontvangst neemt, moet gebruikt worden voor de dienst in de ontmoetingstent.

De daarbij horende haftara bevat een verhaal dat ook gaat over inzameling van heffingen uit 2 Koningen 12 ev. De zevenjarige Joas (
Jehoasj, eind 8ste eeuw BCE) werd koning gesteund door hogepriester Jojada (Jehojada). Hij was nauwelijks ontkomen aan de pogingen van de verdorven regentes van Juda,  Athalia, de moeder van de vorige koning Achazia, het huis van David uit te roeien. Als baby was hij ondergedoken geweest op de zolder van de tempel. Met hem begon weer een betere wind te waaien. De nieuwe koning gaf de priesters toestemming heffingen en donaties aan sjekels (sjekaliem) ten behoeve van de tempel te innen mits ze daaruit ook de herstelwerkzaamheden aan het heilige gebouw zouden betalen. Na enige tijd (23 jaar!) bleken zij dat helemaal niet gedaan te hebben en de tempel bleef bouwvallig. Misschien bleef er te veel aan de strijkstok hangen. Toen nam de ​priester​ Jojada, de mentor van de koning, een revolutionaire maatregel, hij nam een kist (12:9)boorde een ​gat​ in het deksel ervan en zette die naast het altaar, aan de rechterkant als men het ​huis​ van de Eeuwige binnenkomt; en de ​priesters​ die de deurwacht hadden, deden daar al het ​geld​ in dat in het ​huis​ van de Eeuwige gebracht werd.’
Periodiek werd het geld door de Jojada en de schrijver des konings geteld en gegeven aan aannemers die het uitbetaald aan de timmerlieden en aan de bouwlieden die aan het ​huis​ van de Eeuwige werkten. Zo werd de continuïteit in het onderhoud van de tempel gegarandeerd. Het is misschien wel de manifestatie van het eerste fonds in de geschiedenis.

Haftara bij de parasja Besjalach

Rechters 4:4-24 Het verhaal van Debora

De parasja Besjalach (Sjemot/Exodus 13:16-18) (1) beschrijft hoe het Egyptische leger de uit het land wegtrekkende Israëlieten die net aan de macht van de farao zijn ontsnapt achtervolgt tot het vertwijfelde volk aan de Rietzee staat. De zee splijt voor hen en geeft hen doortocht, maar sluit zich boven de Egyptische soldaten, die verdrinken. Mozes heft een loflied aan over dit wonder. Zijn zuster Mirjam zingt en danst met de vrouwen een reidans.
De haftara vertelt in het boek Rechters (Sjoftiem) een vergelijkbaar verhaal over een wonderlijke overwinning onder leiding van de rechter en profetes Debora (Devora) en legeraanvoerder Barak op de overheersende Kanaänieten. Hoewel niet tot de haftara gerekend hoort de lofzang van Debora en Barak over deze overwinning (hfst 5) er als poëtische afsluiting eigenlijk wel bij.

In de tijd van de Rechters (sjoftiem) was het land Kanaän maar gedeeltelijk in handen van de stammen van Israël. Soms kregen andere volken tijdelijk de overhand over de stammen Israëls. Een periode van onderdrukking wordt in deze verhalen meestal ingeleid een mededeling in de trant van Rechters 3:7 (bij eerste rechter Otniël): En de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de Eeuwige, en zij vergaten de Eeuwige, hun God (en gingen andere afgoden dienen). Diens toorn uitte zich dan gewoonlijk door onderdrukking toe te laten door andere Kanaänitische volken of naburige naties. In hun wanhoop wendden de Israëlieten zich dan weer tot hun verwaarloosde Ene god om te smeken om uitredding.  Na enige tijd stond er een dapper en rechtvaardig man op om leiding te nemen in de strijd en de Israëlieten weer voor jaren rust en veiligheid te bezorgen. Dit patroon zou zich eindeloos herhalen tot en met de laatste koning van Juda.
In het boek Rechters traden over een aantal eeuwen twaalf rechters op. Debora was de vierde, de vrouw van Lapidot  - iesja lapidot, hetgeen ook wel geduid wordt als ‘vrouw van vuur’ (lapid = fakkel). Het moet een fascinerende vrouw zijn geweest, een van de zeven tot profetes gerekende vrouwen in Tanach (2). De verteller van dit verhaal heeft geen enkel probleem met het vrouw zijn van de leider en profetes van de Israëlieten, wier naam behalve ‘bij’ ook ‘’spreekster’ betekent.
Rechters 45: Zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Bethel, in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten gingen voor de rechtspraak naar haar toe. (3)
In die tijd maakte koning Jabin (Javin) van Hazor (Chatsor) de dienst uit in Kanaän. Hij had een sterk leger van 900 ijzeren strijdwagens onder bevel van generaal Sisera. Twintig jaar lang onderdrukte hij de Israëlieten, zodat ze niet durfden reizen en zich opsloten in hun dorpen. Ze riepen weer tot de Eeuwige om verlossing.
Debora moet in vervoering hebben gezien hoe Sisera en zijn leger verslagen konden worden en liet de legerleider Barak bij zich komen en verzekerde hem dat hij de overwinning bij de berg Tabor voor hem zou zijn. Barak wilde alleen optrekken als Debora mee zou gaan, hetgeen ze toestemde met de woorden dat er voor u geen eer te behalen (zal) zijn, want de Eeuwige zal Sisera overleveren in de hand van een vrouw.
Daarmee bedoelde ze niet zichzelf zoals later zal blijken. Barak daalde met tienduizend man van de stammen Zebulon (Zevoeloen) en Naftali de berg Tabor af en overviel de strijdwagens van Sisera in het dal van de beek Kisjon, waar de wielen – waarschijnlijk mede door een wolkbreuk – in de modder raakten. Het leger van Sisera raakte in verwarring en werd verpletterend verslagen. Barak achtervolgde de generaal, die te voet vluchtte en onderweg zich verschool – en hier komt de tweede vrouw in het spel – de tent van Jaël, de vrouw van een naar Sisera aannam bevriend stamhoofd. Maar Jaël had andere plannen. Ze sloeg de van uitputting in slaap gevallen gast een pin door de slaap en offreerde de voorbijkomede achtervolger Barak het dode hoofd van zijn vijand.

Debora zingt na de overwinning samen met Barak (4) een lofdicht, een poëtisch verslag, het lied van Debora, dat hen uit het hart op lijkt te wellen. Het wordt door de filosoof en religiewetenschapper Martin Buber en andere bijbeldeskundigen gerekend tot een van de oudste teksten van Tanach. De woorden juichen in ruige metaforen de blijdschap uit over de herwonnen vrijheid. Ze getuigen van een geloof in een god, die geen afgod meer is, maar die als onzichtbare maar levende presentie omziet naar het volk en de krachten van de natuur voor hen inzet, als dat volk zich tot hem wendt. Het is een eenvoudig oergeloof, waar we als verlichte rationele mensen soms jaloers op kunnen zijn. Martin Bubers omschrijving drukt hun godsbeleven goed uit: ‘“Een 'monotheïstische idee” is hier niet geconcipieerd en niet uitgesproken, maar de facto, in de feitelijkheid van het geloofde leven, bestaat er voor de mens van dit lied slechts de éne God en kan er alleen deze éne bestaan. Dat deze God in het onweer naderbij komt, in een onweerswolk vanuit het zuiden (5:4) die losbreekt over het wagenpark van de vijand, betekent niet dat hij, zoals de Hadad van de Syriërs, 'een weer-god', maar dat hij de God óók van het weer is, zoals hij niet, als de Assur van de Assyriërs, 'een krijgsgod’ is, maar alleen óók oorlog voert, zijn vijanden bestrijdt en ze overwint. Hij, 'die op de donkere wolk rijdt', (…) is geen regengod, maar de God, die het óók laat regenen. En hij komt niet, zoals men pleegt te zeggen, van de Horeb (Chorev, andere naam voor de berg Sinaï, RC), waar hij zou wonen, daarvan is hier helemaal geen sprake, maar hij komt met het komende onweer en treedt vanuit het duister naar voren, om de scharen van zijn volk te leiden in de strijd.’ (5)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Besjalach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) De zeven profetessen zijn Sara, Mirjam, Debora, Channa, Avigaïl, Chulda en Ester
(3) De ‘palmboom van Debora’ (tomer Devora) is ook de titel van een boek van Mozes Cordovero (16e eeuw) over de navolging van de attributen van de Eeuwige, een populair boek bij moesarniks en kabbalisten, in het Nederlands verkrijgbaar bij Pardes: Dadelpalmboom van Debora (vertaling: drs. Henk J. Huyser)
(4) Debora, een vrouw als een fakkelvuur (lapid) en Barak, hetgeen ‘bliksem’ betekent: een vurig duo dus!
(5) Martin Buber heeft de geloofsessentie van het Jodendom van Tanach onderzocht in zijn boek ‘Het geloof der profeten’, Servire, 1972, mijn citaat is uit hfst 1, de geschiedzang van Debora, p.15 ev

 

Haftara bij de parasja Bo

Jeremia 46:13-28

Jeremia (Hebreeuws: Jirmejahoe) is de tweede van de drie zogenoemde grote latere profeten. Als jongeman tijdens de regering van koning Josia (Josjijahoe, 7e eeuw BCE) werd hij geroepen in het koninkrijk van Juda te profeteren tegen wetteloosheid en zedeloosheid, verwaarlozing van armen en afgodendienst die gepaard ging met afschuwelijke misstanden zoals kinderoffers. Hij bleef dat doen met een aandoenlijke vasthoudendheid tot zijn dood ondanks dat zijn boodschap zelden gehoor vond. Hij voorzag de val van Jeruzalem, de verwoesting van de stad en de wegvoering in ballingschap van talloze Judeeërs naar Babel. Hij was het archetype van de profeet die in eigen stad niet geliefd was. Hij had iets van een combinatie van klokkenluider, boeteprediker en politiek commentator met fijne intuïtie voor wat aanstaande was. Bespot werd hij, weggehoond en meerdere keren hij gevangengezet zoals door de laatste koning van Juda, Zedekia (Tsidkijahoe), met wie hij vele aanvaringen had. Na de verwoesting van Jeruzalem door de koning van Babel, Nebukadnetsar (Nevoechadnetsar), kwam hij terecht in Egypte waar vele Judeeërs heen waren gevlucht. Ook daar zette de veelbeproefde profeet zijn profetieën voort.  Vermoedelijk heeft hij daar de passages, die nu de haftara van de parasja Bo (Exodus/Sjemot 10:1–13:16) (1) vormen, geschreven, verzen die voor Egypte en zijn farao nederlagen in de oorlog en verwoesting in schrille beelden beschrijven, zoals in onderstaand fragment

46 22Egypte kruipt sissend terug als een slang,(2)
nu de legers ertegen oprukken.
Met bijlen gewapend komen de houthakkers aan.
23Ze vellen de bossen die ondoordringbaar leken
– godsspraak van de Eeuwige.
Talrijker zijn ze dan de sprinkhanen,
ze zijn niet te tellen.
24Zo wordt
Egypte vernederd,
overweldigd door een volk uit het noorden.’

De parallel tussen de Parasja Bo en deze passages uit Jeremia is duidelijk: Evenals in de tijd van de plagen in het boek Exodus/Sjemot zullen de farao, Egypte en zijn afgoden het zwaar te verduren hebben. De hoogmoed van de zich god wanende farao mag niet ongestraft blijven. Ook de Judeeërs in Egypte die niet naar Jeremia wilden luisteren delen in dit lot.  De retributie komt vanuit het noorden, in de vorm van de soldaten van Nebukadnetsar. Die zullen als de spreekwoordelijke sprinkhanen Egypte verwoesten. In alles ziet de profeet de hand van de Eeuwige en hij noemt in die anti-Egyptische operatie de koning van Babel een instrument van de Eeuwige, letterlijk ‘een knecht van God'.

Ditmaal een korte theologische excursie (of een poging daartoe).
Profeten zoals Jeremia begrepen de wereld en haar geschiedenis zoals dar veel in Tora en Tenach gebeurt in een strak model van de goddelijke voorzienigheid, die de mens gebruikt als pionnen in zijn plan. Het paradigma van een superregisseur die beschikt, beschermt, beloont en bestraft – zo figureert Hij ook in de gezangen van de eredienst – lijkt mij in deze moderne tijden toch te simpel. Twintigste-eeuwse filosofie heeft God met zijn voorzienigheid helemaal afgeschaft en ziet de menselijke positie als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de opdracht het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen leven ontwerpen en enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Wanhopig, moedig en opstandig neemt hij zijn eigen lot in handen à la Albert Camus in zijn ‘mythe van Sisuphus’.

Een half leven lang heeft deze visie mij wel verleidelijk geleken, maar toch, nu probeer ik een stapje verder te gaan. Het joods gedachtegoed kent de paradox, dat mij (tot op zekere hoogte) een vrije wil is gegeven, maar dat er daarnaast en vooral ver boven mij of onder mij, meestal buiten zicht, sprake is van een oneindige dragende presentie. Die presentie is dynamisch. Op het niveau van ons mensen kunnen we soms opvangen als een stem die ons coacht in een bepaalde richting, een stem die de wil opwekt om de dwingende regie van primaire emoties en instincten te boven te komen en om ons te ontwikkelen in de richting van een leven in eerlijkheid, respect voor de ander, solidariteit met verdrukten, een stem die het verlangen wekt om dat te doen met oorspronkelijkheid en creativiteit. Misschien is voorzienigheid niets meer dan dat in het voortschrijden door de woestijn van de tijd het streven in de mensheid om dat verlangen naar het goede te realiseren net iets de overhand blijkt te hebben over de neiging tot toegeven aan en morele onverschilligheid tegenover het kwade. Die paradox lees ik in de Spreuken der Vaderen, waar rabbi Akiva zegt: ‘Alles is voorzien en de vrije wil is gegeven’. (2)

noten

(1) Verschillende commentaren op Bo zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Volgens mij een toespeling op de grote slag bij Karchemish aan de Eufraat (605 BCE), waarbij de legers van farao Necho II een grote nederlaag leden en door de koning van Babel werden verdreven uit Palestina en Syrië, dat onder Egyptisch gezag had gestaan.
(2) Talmoed Pirkee Avot 3:15

Haftara bij de parasja Wa’era

Ezechiël 28:25-29:21

Ezechiël (Hebreeuws Jechezkel) is de derde van de drie ‘grote’ profeten naast Jesaja en Jeremia. Als jonge man werd de priesterzoon als balling weggevoerd uit Jeruzalem naar Babel waar hij bivakkeerde bij de rivier de Kebar (6e eeuw BCE). Daar profeteerde hij door de geest bevangen over de ondergang van Jeruzalem en Israël, maar ook over hun toekomstige verrijzenis. Ook de ineenstorting van de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten komt uitgebreid aan bod.
In deze haftara bij de parasja Wa’era (1) profeteert Ezechiël vooral over het lot van Egypte en zijn farao, vermoedelijk mede ingegeven, omdat Egypte de ondergang van Juda niet heeft voorkomen, zie bijv Ezechiel 29:6 (2). De parallel met Wa’era is duidelijk; Mosjee waarschuwt daarin de farao telkens om zijn koppigheid en hooghartigheid te laten varen en de Israëlieten vrij te laten; Mosjee’s woorden en de door hem opgeroepen catastrofes die deels de levensader van Egypte, de Nijl, treffen doen de zich god wanende farao het hoofd niet buigen voor de hogere wil van de God van Mozes.

Vele eeuwen later is Egypte nog steeds een grootmacht in de toenmalige wereld van het Midden-Oosten, naast het Babylonische rijk van Nebukadnetsar. Het heeft wel iets weg van onze wereld met Amerika en Rusland (of is het nu China?) als centrale politieke machten.
De hoogmoed van de farao is in Ezechiëls tijd niet afgenomen:

29:3 ‘Zie, Ik zál u, farao,
koning
van Egypte,
groot
zeemonster,
dat in het midden van zijn rivieren ligt,
dat gezegd heeft: Mijn
Nijl is van mij
en ik heb die zelf voor mij gemaakt!’

Ezechiël voorspelt voor Egypte een reeks van rampen, die iets weg hebben van de plagen uit Exodus. Het lijkt wel of hij over de Egyptenaren een soort contra-narratief vertelt van het Israëlitisch lot van verstrooiing en herinzameling der ballingen. Want de Eeuwige – zo gaat de profeet verder – ;

(29:12 ev) ‘van het land Egypte een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verwoeste steden, veertig jaar lang. Dan zal Ik de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen over de landen verstrooien.
Merk op, dat de profeet hier ook een verstrooiing van de Egyptenaren voorspelt, zoals dat ook al in Deuteronomium is gedaan voor de Israëlieten (Deut 28:63,64). Maar ook de Egyptenaren zullen ooit weer verzameld worden, zo zegt de God volgens Ezechiël (29:13):
 ‘Na verloop van veertig jaar zal Ik de Egyptenaren bijeenbrengen uit de volken waaronder zij verspreid zijn. 14Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van de Egyptenaren en hen terugbrengen naar het land Pathros (andere naam voor het zuiden van Egypte, RC), naar het land van hun oorsprong.
Maar de rol van het ooit zo machtige rijk op het wereldtoneel is dan uitgespeeld.
‘Daar zullen zij dan een onbeduidend koninkrijk zijn. Het zal onbeduidender zijn dan de andere koninkrijken en het zal zich niet meer boven de heidenvolken verheffen. Ik zal hen namelijk zo klein maken dat zij niet over de heidenvolken kunnen heersen.’

Inderdaad hebben de Egyptenaren als imperium nooit meer een rol van betekenis gespeeld. Nebukadnetsar plunderde Egypte en daarna kwamen al snel de Perzen, de Grieken, de Romeinen, de Arabieren, de Turken en tenslotte was het lange tijd een vazalstaat van het westen.

Als we nog even verder lezen voorbij de verzen van deze haftara blijkt het leed van de farao volgens de profeet nog lang niet geleden. Nog lange hoofdstukken gaan over het strafgericht over hem en zijn Egypte. In zogenoemde klaagliederen over de Farao en Egypte (hfst 32) geeft Ezechiël een lange beschrijving hoe de farao en alle andere heersers en helden die aan de profeet uit de geschiedenis van zijn Midden-Oosten bekend zijn in het dodenrijk zijn afgedaald en naast elkaar de eeuwige rust genieten. De schrijver had een sterk gevoel voor de vergankelijkheid van de macht. Het doet denken aan
‘Opgaan, blinken, en verzinken, is het lot van ieder dag (…) Of de kronen luister tonen, volken, staten, bloeiend staan, langer stonde duurt hun ronde, maar hun avond spoedt toch aan’, zoals een Hollands dichter zong in de tijd van Napoleon. (3) Vele rijken, al dan niet onder keizers, zonnekoningen en dictatoren, zijn opgekomen, hebben gebloeid en zijn verzonken. Ook van Europa wordt wel gezegd, dat het in die derde periode van verzinken verkeert. En spoedt de avond van Amerika – op het toppunt van economische bloei – onder zijn huidige president niet aan?

noten

(1)29:6 En al de inwoners van Egypte zullen weten dat Ik de Eeuwige ben, omdat zij voor het huis van Israël een rietstaf geweest zijn.7Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u. De middeleeuwse commentator Rasji: ‘vaak vertrouwden de Israëlieten op hen in de dagen van de Assyrische koning Sanherib en in de dagen van Nebukadnetsar, maar het haalde niets uit zoals een rietstengel, die zacht is en geen steun geeft aan wie op hem leunt.’ Zie ook Jeremia 46
Koning Josia (Josjijahoe) stond de farao Necho II in de weg toen de laatste optrok tegen de Babyloniers. Het Egyptische leger versloeg de Judeeërs in 609 BCE bij Megiddo, waarbij Josia sneuvelde. Vijf jaar later werd het Egyptische leger verpletterend verslagen bij Karchemisj aan de Eufraat. Dat betekende het einde van de Egyptische dominantie.
(2) Verschillende commentaren op Wa’era zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Willem Bilderdijk in ‘Afscheid’

 

 

Haftara bij de parasja Sjemot         © Rob Cassuto

Jesaja 27:6-28:13, 29:22-23.

Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja (Jesjajahoe) is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Tot hoofdstuk veertig spreekt de eerste Jesaja, die leefde in de turbulente achtste eeuw, vanaf hoofdstuk veertig is een tweede Jesaja aan het woord die waarschijnlijk leefde in de babylonische ballingschap in de zesde eeuw.
De Jesaja van deze haftara profeteert tegen de misstanden in het noordelijk rijk Israël – meestal aangeduid met Efrajim - , dat in Jesaja’s tijd na de val van de hoofdstad Samaria (Sjomron) en de deportatie van de inwoners naar Assyrie al verdwenen was. Maar ook het zuidelijke koninkrijk Juda dat nog even zal bestaan krijgt ervan langs.
De jammer over ellende, verwoesting en verbanning wordt afgewisseld met profetieën van herstel, verlossing van Israël en grote nieuwe bloei. Wat betreft de parallel met de parasja Sjemot: het boek Genesis eindigde met het settelen van Jacob met zijn huishouding in Egypte, de parasja Sjemot - de eerste parasja van het boek Exodus/Sjemot - treft de afstammelingen van Jacob aan in grote ellende en beschrijft de eerste stappen die worden gezet door Mosjee op de weg naar verlossing die leidt naar de uiteindelijke bestemming van het land Israël.(1)

De haftara begint in majeur:

276 In de dagen die komen, zal Jakob wortel schieten,
Israël zal bloeien en groeien
en zij zullen het wereldoppervlak met vruchten vervullen.

Rasji ziet in zijn middeleeuws standaardcommentaar in deze niet geheel heldere Hebreeuwse tekst overigens geen toekomende tijd, maar een verleden tijd; hij meent een toespeling te lezen op Jacobs komst naar Egypte en de uitgroei van zijn nakomelingen tot een vruchtbaar volk.
Dan komen wat mistige passages van tegenslag en ontbering, bv over een stad die is gestraft en die nu leeg en verlaten is, vermoedelijk de stad Samaria (staande voor het noordelijk rijk Israël), die na een lange belegering in 721 BCE viel. Maar ooit komt er een betere dag:

2712Op die dag zal het gebeuren
dat de Eeuwige de aren zal uitkloppen
vanaf de rivier tot aan de Beek van
Egypte;
en ú, Israëlieten, zult worden opgeraapt,
één voor één.

Het beeld van het dorsen van graan wordt hier gebruikt. Eerst worden de aren geklopt en dan worden de korrels opgeraapt en verzameld. Zo zullen de ballingen worden verzameld, vanaf de rivier (dwz de Eufraat) en vanaf de rivier de Nijl, zeg maar vanaf de vier hoeken van de aarde, wat genoemd wordt de kibboets galoejot, inzameling der ballingen. Dat beeld wordt nog sterker aangezet in het volgende vers.

13Op die dag zal het gebeuren
dat op een grote bazuin geblazen zal worden
Dan zullen zij komen die verloren waren in het land van
Assyrië,
die verdreven waren naar het land
Egypte.
En zij zullen zich voor de Eeuwige neerbuigen
op de
heilige berg in Jeruzalem.

De grote bazuin (sjofar gadol) is in eschatologische uitleg de bazuin van de messiaanse tijd, die de komst van alle ballingen naar Jeruzalem met een geweldig geluid zal aankondigen.
Natuurlijk is dit in het Jodendom als een letterlijk te nemen profetie over een politieke toekomst opgevat. En gedeeltelijk lijkt het uitgekomen. Tegenwoordig woont de helft van de Joodse wereldbevolking in het wonderlijk herrezen Israël, dat nu een bonte en diverse verzameling Joden (en Arabieren) huisvest maar tevens ook een potentiele thuishaven blijft bieden voor de Joden in de diaspora.

Toch doen we er beter aam de voorzegging van Jesaja niet politiek maar meer allegorisch op te vatten als een visioen over een grote spirituele ommekeer van alle Joden (cq alle mensen), ‘één voor één’, zegt de tekst en dat betekent volgens de rabbijnen: onverschillig of we orthodoxe, liberale of seculiere Joden zijn. Die terugkeer uit Egypte en Assyrië uit het vers kan je ook symbolisch uitleggen. Egypte is in het Hebreeuws mitsrajiem wat ook te vertalen is als ‘nauwten’, ‘benauwenis’, een plaats van psychische en materiele onderdrukking, waar de ziel verkwijnt. Assyrië is in het Hebreeuws asjoer, dat verwant is met osjer, rijkdom en luxe, een plaats van overdaad, waar de ziel wordt vergeten.(2) Terugkeer uit Egypte en Assyrië naar Jeruzalem is terugkeer uit respectievelijk slopende repressie en verblindende luxe naar een plek waar de ziel zich kan  manifesteren in zijn ware gedaante van dankbaarheid en liefde, mag ik dat ‘neerbuigen op de ​heilige​ berg​ in ​Jeruzalem’ zo duiden? Die terugkeer hoeft niet massaal te zijn en je hoeft niet te wachten tot de messiaanse tijd. Iedere moment van persoonlijke terugkeer naar die plek brengt de messiaanse tijd juist een heel klein beetje meer nabij.

De haftara gaat verder met een beeldende beschrijving van hoe volk en priesters in het noordelijk en zuidelijk rijk in hun beschonken staat de boodschap van Jesaja niet begrijpen; priesters en (valse) profeten ‘zwalken bij het uitleggen van het visioen, zij struikelen tijdens hun gerechtelijke uitspraak. Ja, alle tafels zitten vol walgelijk braaksel, geen plek is schoon.’
​De haftara besluit echter met een hoopvolle noot, zie de verzen 22 en 23 uit hoofdstuk 29,

Noten

(1) Verschillende commentaren op Sjemot zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Deze uitleg is een vrije bewerking van mij van een weergave van een uitleg door de Lubawitscher rebbe

 

Haftara bij de parasja Wajechi

1 Koningen 1-12

In de parasja Wajechi  (Beresjiet/Genesis 47:28-50:26) wordt beschreven hoe aartsvader Jacob op zijn sterfbed zijn elf zonen toespreekt in een vorm die soms het karakter van zegening heeft en dan weer meer op een orakel lijkt. (1) De haftara bij deze parasja is uit het eerste boek Koningen en beschrijft hoe een ander icoon uit Tanach, koning David, op zijn sterfbed zijn zoon en opvolger Salomo (Sjelomo) toesprak. De vader moedigde hem aan op om sterk en een man te zijn en in Gods wegen te wandelen. Maar dat was niet alles.

Er was nog wat ‘unfinished business’ in ’s konings leven. De hoogbejaarde David, keek terug op een veelbewogen leven met hoogtepunten maar ook diepe dalen.  Oorlogen had hij met succes gevoerd en opstanden had hij overleefd. Hij was geen heilige geweest, maar had zijn best gedaan rechtvaardig en lankmoedig te zijn. Op kardinale momenten was hij bereid geweest fouten toe te geven en boete te doen. Weliswaar was hij nu verzadigd van dagen, rijkdom en ​eer zoals Kronieken (1:28,28) het uitdrukt, maar een aantal zaken stonden zijn gemoedsrust in de weg, zaken die te maken hadden met de grootste crisis in zijn koningschap rond de opstand van zijn geliefde zoon Absalom. Gedachten aan een aantal personen die daar een rol in hadden gespeeld maakten, dat hij niet in vrede kon gaan. In verband daarmee lag er nog een taak voor Salomo weggelegd.

In de eerste plaats was daar Joab (Joav), de trouwe legeraanvoerder van David sinds zijn jonge jaren. Joab had een aantal keren op eigen houtje bloed doen vloeien. Abner (Avner), de generaal van Davids voorganger, mentor en later vervolger koning Saul was destijds naar David overgelopen en door de laatste als zijn legeraanvoerder in genade aangenomen. Dat was niet naar de zin van Joab, die hem verraderlijk neerstak. De ontstelde koning reageerde toen aldus met een welbespraakte vervloeking (Sam 2:3,29); ‘Laat de ​bloedschuld op het hoofd van ​Joab​ blijven en op heel zijn ​familie, en laat er in het ​huis​ van ​Joab​ nooit iemand ontbreken die een ​vloeiing​ heeft, melaats is, die op een stok leunt, door het ​zwaard​ valt of gebrek aan brood heeft.’ Maar Joab bleef wel als generaal gehandhaafd, zelfs ook nadat hij later nog een militaire concurrent uit de weg had geruimd, Amasa, die tijdens de opstand van Davids zoon Absalom diens generaal was geweest, maar door de koning weer in genade was aangenomen, ook weer tot ongenoegen van Joab.
Wat in de passages van deze haftara niet is vermeld is, dat Joab de opstandige Absalom toen die aan het eind van de door hem verloren slag hulpeloos met hoofd en haar in de takken van een boom bungelde hem met pijlen doorboorde en hem door zijn lijfwacht liet afmaken, ondanks dat David gesmeekt had zijn lievelingszoon te sparen. De wanhoop van de vader klinkt nog door alle eeuwen heen als we lezen hoe hij bij het doodsbericht van zijn zoon roept (2 Sam 18:33) ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, was ík maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!’ Ik kan mijn niet indenken dat David hier niet ook aan heeft gedacht.
Dat Joab zijn positie steeds heeft kunnen blijven houden heeft hij waarschijnlijk te danken aan zijn onverbiddelijke loyaliteit aan de koning en zijn aan zijn militaire gaven. Maar nu geeft de koning een hint aan Salomo om Joab alsnog de prijs voor zijn eigenmachtig optreden te laten betalen, door ‘zijn grijze haar niet in ​vrede​ in het ​graf​ (te laten) neerdalen’.

Toen David op de vlucht was voor Absalom, die zich tijdens zijn opstand even koning mocht wanen in Jeruzalem, bivakkeerde hij met zijn manschappen in het stadje Machana’iem ten oosten van de Jordaan. Daar werd het leger royaal gesteund door de familie Barzillaï met  (2 Sam 17:28): bedden, schalen, ​aardewerk, tarwe, gerst, ​meel, geroosterd koren, bonen, linzen – ook geroosterd –  honing, boter, kleinvee en kazen van koeienmelk’. Dat heeft David nooit vergeten. Barzillaï zelf sloeg als hoogbejaarde de beloning af. Maar zijn zonen reisden met de koning mee terug naar Jeruzalem en werden daar door hem levenslang onderhouden. David draagt nu op zijn sterfbed aan Salomo op goed voor Barzillaï’s nakomelingen te blijven zorgen.

Toen David op de vlucht voor zijn opstandige zoon Absalom was naar Machana’iem werd hij onderweg uitgescholden door Simeï, de zoon van Gera, een aanhanger van Davids voorganger koning Saul. Al vloekend en stenen gooiend begeleidde hij een tijd lang het voortvluchtige gezelschap. (2 Sam 15:16). Op de terugweg naar Jeruzalem na de overwinning op Absalom en zijn leger kwam Simeï de triomferende koning tegemoet en smeekte David om hem zijn vervloekingen en verwensingen van destijds te vergeven. David heeft toen gezworen hem niet te doden ondanks de aansporing van zijn generaals om dit wel te doen en hij liet hem vrijuit gaan, vermoedelijk ook om de vele aanhangers van koning Saul niet van zich te vervreemden. Vergeten heeft David dit voorval niet. Salomo is niet aan de eed om Simeï niet te doden gebonden, heeft David bedacht, dus draagt hij zijn zoon op Simeï alsnog te laten boeten.

Salomo bracht de verzoeken van zijn vader ten uitvoer en wie wil weten hoe dat in zijn werk ging leze de rest van dit tweede hoofdstuk van het boek 1 Koningen.

Noot
(1) Verschillende commentaren op Wajechi – met name op de ‘orakels’ van Jacob -   zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.

Haftara bij de parasja Wajigasj

Ezechiel 37:15–28

Ezechiël (Hebreeuws Jechezkel)  is de derde van de drie ‘grote’ profeten naast Jesaja en Jeremia. Als jonge man werd de priesterzoon als balling weggevoerd uit Jeruzalem naar de ‘rivers of Babylon’. Daar profeteerde hij door de geest bevangen doem en retributie voor Jeruzalem, Israël en de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten. In het derde deel van het boek breken echter vergezichten door over de opstanding en het herstel van Israël in een verre toekomst van messiaanse allure. Ezechiëls profetieën kwamen tot hem in de vorm van een reeks wonderlijke visoenen die later grote invloed zouden hebben op meer mystieke richtingen in het Jodendom.

De haftara bij de parasja Wajigasj (Beresjiet/Genesis 44:18 - 47:27) (1) komt uit dat derde deel. Ezechiel voorziet, dat ooit de twaalf stammen van Israël weer herenigd zullen worden. We brengen in herinnering dat na de regering van koning Salomo de Israëlieten werden verdeeld in twee koninkrijken; het merendeel, tien stammen, vormden het noordelijke rijk Israel onder koning Jerobeam (Jeravam) en een zuidelijk deel, het koninkrijk Juda (waartoe ook de stam Benjamin hoorde) onder koning Rehabeam (Rechavam) uit de davidische dynastie.(2)  In de 8ste eeuw BCE waren de tien stammen die het noordelijke rijk Israël hadden gevormd, door de Assyriërs gedeporteerd naar verre streken, waar ze opgingen in de volken aldaar. De stammen Juda en Benjamin van het zuidelijke koninkrijk Juda hadden leefden nu in ballingschap in Babylonië, waar ze niet opgingen in de Babylonische bevolking maar bij elkaar bleven.
Bevangen door de geest krijgt Ezechiël van de Eeuwige de opdracht om door middel van een rituele handeling deze droom van toekomstige eenheid van alle stammen te illustreren. Hij moet twee stukken hout in de hand nemen. Het ene stuk hout symboliseert (de stam van) Juda (en Benjamin), het andere stuk hout symboliseert de andere tien stammen van het noordelijke rijk Israël. In de tekst wordt het noordelijke rijk aangeduid met Jozef, omdat de koningen van het noordelijke rijk Israël kwamen uit de stam van Efraïm, de zoon van Jozef.  Ezechiël moet dan in aanwezigheid van zijn medeballingen de twee stukken hout in de hand nemen en ze als het ware tot één stuk hout maken. Hij moet dan uitleggen, dat de Eeuwige (37:21 ev)

het stuk hout van Jozef (…) bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden. (…) Zo zegt de Eeuwige: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.

Er zal weer één koning zijn, uit de dynastie van David en

Ik (de Eeuwige) zal met hen (de Israëlieten) een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn.

Nu komt de link met de haftara in zicht. Ezechiëls droom van vereniging van het volk van Juda met het volk van Jozef (dus de tien verloren stammen) weerspiegelt de vereniging van de broeders met hun verloren gewaande broer Jozef, het thema van de parasja Wajigasj. De hoofdpersonen daar zijn Jozef, die onderkoning van Egypte is geworden en Juda, die het leiderschap over zijn broeders heeft genomen in het proces van verzoening, wanneer hij het opneemt voor zijn broertje Benjamin en zijn oude vader Jacob.

De geschiedenis heeft later een heel gedeeltelijke, grillige en schoksgewijze realisatie van Ezechiëls visioen te zien gegeven. Er is inderdaad een tweede tempel gekomen en er is zelfs een kleine tweehonderd jaar een koninkrijk Israël onder de dynastie der Makkabeeën geweest. Daarna kwamen de Romeinse overheersing en vervolgens een millennia lange ballingschap (galoet), die sinds kort na de ongeëvenaarde catastrofe van de sjoa enigszins ingelost lijkt met de democratische staat Israël; daar zijn we blij en verheugd over. Maar een ‘verbond van vrede’ lijkt daar bepaald nog niet aangebroken. Wel heeft ontegenzeggelijk het Jodendom als volk, religie en gedachtegoed de eeuwen getrotseerd en een onuitwisbaar stempel gedrukt op het denken en de ethiek van de (westerse) mensheid.

De tien stammen zijn ondanks Ezechiels bezwerende handeling met de twee stukken hout niet teruggekeerd en zullen dat waarschijnlijk nooit meer doen; ze zijn 2800 jaar geleden in andere volken opgegaan.(3)

Toch mogen we misschien deze boodschap destilleren of her-vertalen uit Ezechiëls metaforen: de tien verloren stammen zijn opgegaan in niet-Joodse groepen en staan nu symbool voor alle andere volken, Juda staat voor het Jodendom. Zo mogen ook in een messiaanse toekomst de Joden en alle andere volkeren verenigd worden in een verbond van vrede (briet sjalom), dat wil zeggen: mogen zij ooit in vrede met en naast elkaar samenleven.

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajigasj zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Opmerkelijk is dat de splitsing in twee rijken zijn oorsprong vond in een belastingconflict. Het volk vroeg om verlichting van de zware lasten die koning Salomo had opgelegd. De jonge koning Rehabeam sloeg het advies van zijn raad van oudsten om naar het volk te luisteren in de wind en volgde de raad van de zijn gevolg van fanatieke jonge mannen, die juist op extra verzwaring aandrongen: ‘1 Koningen 1211 Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen’.
Aldus sprak Rehabeam en tien stammen van de Israëlieten stelden toen de ex-opstandeling Jerobeam als koning aan. Alleen Juda en Benjamin bleven Rehabeam trouw. Een in overmoed genomen onverstandig besluit inzake een belastingconflict maakte, dat alleen de stammen Juda en Benjamin de voorouders van de latere Joden zouden worden!
(3) Ook de visionair Johannes uit het nieuwe testament zag in zijn Openbaringen de twaalf stammen in de eindtijd herenigd: zie hfst 7. In de talmoedische discussie wie er in de komende wereld zal komen sluit Rabbi Akiva uit, dat de tien stammen ooit zullen terugkeren (Talmoed sanhedrin 110b). Wie op internet ‘ten lost tribes of Israel’ intypt komt een bonte verzameling groepen tegen die op een of andere manier zich beroepen

 

Haftara bij de parasja Mikeets

Zacharia 2:14-4:7

Heel gebruikelijk is het om op sjabbat Chanoeka het beroemde verhaal over het ‘salomonsoordeel’ te lezen, 1 Koningen 3:5 – 28, dat begint met: In Gibeon verscheen de Eeuwige 's nachts aan Salomo in een droom, en God zei: Vraag wat Ik u geven zal. Salomo vraagt om wijsheid en die wordt hem geschonken en ook nog de rijkdom en het lange leven, dat de meeste mensen zouden hebben gevraagd. Salomo kan al snel zijn wijsheid in praktijk brengen als twee vrouwen voor hem verschijnen met een baby. De ene vrouw beschuldigt de andere vrouw de baby stiekem ‘s nachts van haar gestolen te hebben, toen haar eigen kind dood bleek te zijn. De andere vrouw ontkent bij hoog en bij laag. Salomo beveelt het kind doormidden te klieven, ieder van de vrouwen de helft te geven en laat een zwaard halen. De eerste vrouw schreeuwt, niet doen, laat het kind maar bij de andere vrouw, zodat het in leven blijft. Salomo weet nu, dat zij de echte moeder is. Alom wordt de wijsheid van de koning geroemd.
Het verband met de parasja Mikeets ligt vooral in de zojuist geciteerde eerste regel van de haftara;  koning Salomo droomt, en dat doet de farao, de Egyptische koning, ook, maar daar houdt de overeenkomst op. In Mikeets droomt de farao de droom over de zeven vette en zeven magere koeien, de zeven volle en de zeven lege aren, de droom die Jozef, zelf ook een begaafd dromer en droomuitlegger, zoals eerder gebleken, verklaart. (1)

Er wordt ook wel een ander stuk uit de profeten als haftara gelezen – en dat geeft ook de indeling van de liberalen aan – Zacharia (Zecharja) 2: 14-4:7. Zacharia was evenals de profeten Chaggai en Malachi sterk betrokken bij de herbouw van de tempel in Jeruzalem na de terugkeer van een groot deel van de ballingen uit Babylonische gevangenschap. Hij enthousiasmeerde de Joodse leiders om de bouw na aanvankelijke tegenslagen weer te hervatten. Dat gebeurt dan ook onder leiding van de Zerubbabel (Zeroebavel) en de hogepriester Jozua (Josjoea), zoals ook in het boek Ezra (6:14) is beschreven: En de oudsten van de Joden bouwden en maakten goede vorderingen onder de profetie van Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo. Ze bouwden en voltooiden het overeenkomstig het bevel van de God van Israël en overeenkomstig het bevel van Kores (Cyrus) en Darius en Arthachsasta (Artaxerxes), de koning van Perzië. En dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand Adar; het was het zesde regeringsjaar van koningDarius.

In het eerste stuk van de haftara ziet de profeet in een visioen de hogepriester Jozua vrijgepleit van een aantal beschuldigingen. Maar het verband met Chanoeka en de bijbehorende chanoekakandelaar met zijn lichten ligt in het tweede deel. Daarin wordt in een visioen de profeet het beeld getoond van de gouden tempelkandelaar, de menora, met zijn zeven armen met daarop de olielampen geflankeerd door twee olijfbomen (Josjoea en Zerubbabel); de olie druipt uit de olijven via een opvangbakje en een kanaaltje automatisch naar de olielampen van de menora. Wat betekent dat? Vraagt de dromer en de engel die hem dit beeld getoond heeft antwoordt:
Dit is het woord van de Eeuwige tot Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de Eeuwige van de legermachten.

Op onze beurt vragen wij weer wat dit betekent. De middeleeuwse commentator Rasji heeft een nuchtere historische verklaring: de herbouw van de tempel door bouwleider Zerubbabel zal verder ‘geolied’ verlopen zonder te hoeven vechten tegen allerlei vijanden en de ‘geest Gods’ zal rusten op de koning van Perzië, Darius (die inderdaad zijn volle medewerking zal blijken te leveren, zie Ezra 6).
In de regel ‘Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest’ is altijd wel een messiaans visioen van vrede’ gevoeld, een inspiratie naar het idee, dat als de geestkracht groot is grote werken ook zonder dwang en geweld kunnen worden volbracht. (2)

De volksfantasie heeft nog mooie verhalen rondom de tempelbouwer Zerubbabel gesponnen. Zo zou hij aan het hof van koning Darius een van zijn drie lijfwachten zijn geweest. Eens toen de koning sliep besloten de drie mannen ieder op te schrijven wat het machtigste was in de wereld. De koning zou dan moeten beslissen wat de meest wijze uitspraak was en die belonen. Ze schoven hun papiertjes onder het kussen van de monarch. Zodra hij wakker was riep hij de vooraanstaanden van zijn rijk bij elkaar en mochten de drie mannen hun uitspraak toelichten. ‘Wijn is het machtigste wat er is; als de mens onder zijn invloed is vergeet hij zijn zorgen en verdriet’, zei de eerste. De tweede maakte meer indruk met zijn verklaring, dat de koning de machtigste op aarde was. Zerubbabel betoogde gloedvol, dat vrouwen de machtigsten waren, maar dat waarheid heerst boven alles; vrouwen zijn zelfs koningen de baas, maar waarheid is het hoogste goed, de hele aarde vraagt om waarheid, de hemel prijst de waarheid, de schepping beeft voor waarheid, gezegend is de God van waarheid. Dat ontlokte een groot applaus. Vraag wat je wilt, antwoordde de koning, ik zal het je geven. Niets voor zichzelf vroeg Zerubbabel, maar wel des konings toestemming om Jeruzalem en zijn tempel te herbouwen en de tempelschatten terug te geven. Aldus deed Darius en hij gaf een vrijgeleide aan hem mee voor hem en al zijn metgezellen en nog vele andere giften.(3)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Mikeets  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Het beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen, is geworden tot een meditatieobject, gecombineerd met psalm 16:8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', zeg maar een joodse mantra: ‘Shiviti Hashem lenegdi tamied' en zo wordt die afbeelding ook genoemd: een ‘Shiviti', hij hangt in vele synagoges en wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor meditatief tekenen en schilderen
(3) Legend of the Jews IV-11

RC dec 2019

Haftara bij de parasja Wajesjev

Amos 2:6-3:8

Wanneer Amos zijn doem-profetieën over allerlei landen, maar vooral over het noordelijke rijk Israël uitstort tot de menigten bij de tempel in Bet-el, waar nota bene een gouden kalf ter aanbidding is opgericht door koning Jerobeam (Jerovam) (1), wordt hem dat niet in dank afgenomen. De priester Amazia maant hem het land te verlaten richting het zuidelijk koninkrijk Juda. Amos antwoordde: ik ben helemaal geen profeet en ook niet de zoon van een profeet. Ik ben een veehouder en een moerbeikweker, maar God riep mij om te profeteren tegen mijn volk Israël (7:15). Hij distantieerde zich duidelijk van de gilde van zich noemende profeten, die heulden met de machthebbers en hun roeping verzaakten. Dat speelde zich af rond 750 BCE in een tijd, dat het eigenlijk economisch en politiek best goed ging in het noordelijke rijk Israël tijdens de lange regering van koning Jerobeam de Tweede.

Amos was de eerste van de zogenoemde late profeten (2) die hun woorden op schrift hebben gesteld (of laten stellen). Hij was daarmee gelijk al een rolmodel voor alle na hem komende profeten, zowel inhoudelijk - met zijn protest tegen onrechtvaardigheid en corruptie - als qua stijl - in de krachtige poëtische  metaforen waarmee hij zijn boodschap de wereld inslingerde. Literaire begaafdheid en beheersing van het schrift moet deze veehouder niet vreemd zijn geweest.
Weliswaar was het gouden kalf in Bet-el een doorn in zijn vroom oog, maar wat hem werkelijk bewoog was het enorme verschil tussen de welvarende bovenlaag en de armen, de onverschilligheid van de rijken voor het lot van de minder bedeelden. Het boek begint met dat hij eerst andere landen de mantel uitveegt maar dan komt het noordelijk rijk Israël aan de beurt. Hier start de haftara en de lezer mag raden welke regel aanleiding heeft gegeven tot het benoemen van dit deel van Amos’ profetieen tot haftara bij de de parasja Wajesjev (Beresjiet/Genesis 37:1-40:23), het bijbelstuk waarin wordt verhaald hoe Jacobs zonen hun broer Jozef (Joseef) als slaaf verkopen aan een naar Egypte reizende handelskaravaan.

26Zo zegt de Eeuwige:
Vanwege drie
overtredingen van Israël,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de rechtvaardige voor
geld verkopen
en de arme voor een paar schoenen.
7Zij snakken ernaar dat het stof van de aarde op het hoofd van de geringen is,
zij duwen de zachtmoedigen van de weg
.

De link tussen haftara en het verhaal over de jonge Jozef zit hem in de regel: ‘omdat zij de rechtvaardige voor ​geld​ verkopen’. Dat herinnert aan de verkoop van onschuldige Jozef voor twintig zilverstukken. (Genesis 37:28)

Het lijkt of Amos nog meer dan andere profeten er de nadruk op legt dat omkeer naar de Eeuwige onlosmakelijk verbonden is met: het betrachten van rechtvaardigheid en compassie met de weerlozen. Sprekend is bijv. deze tekst (geen deel meer van het haftara, maar het citeren waard):

5 10Zij (de elite van de Israëlieten RC) haten wie in de poort opkomt voor het recht,
zij hebben een afschuw van wie de waarheid spreekt.
11Omdat u de arme vertrapt
en van hem een heffing op koren neemt,
daarom hebt u
huizen van gehouwen steen kunnen bouwen,
maar u zult er niet in wonen;
(…)
u drijft de rechtvaardige in het nauw, u neemt zwijggeld aan,
u duwt armen in de
poort opzij.
13Daarom zwijgt de verstandige in die tijd,
want het is een kwade tijd.
14Zoek het goede en niet het kwade,
opdat u leeft!

Op zich hebben rituelen, ook al ze vroom en volgens de regels worden uitgevoerd, geen waarde, is het principe van Amos, als ze niet gepaard gaan met het opkomen voor recht en het betrachten van integriteit en betrouwbaarheid. Daarvan getuigt deze tekst die Jesaja 1:11 ev al vooraf schaduwt,

5:21Ik haat, Ik versmaad uw feesten.
Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten,
22want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers,
Ik schep er geen behagen in.
En het dankoffer van uw gemest vee:
Ik wil het niet aanzien.
23Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg,
en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!
24Laat het recht stromen als water,
de gerechtigheid als een altijd stromende beek.

Moet de catastrofe eerst plaats vinden om een betere wereld te bereiken? Dat zou je al lezend kunnen gaan denken. Hoe het ook zij, Amos besluit zijn epische donderpreek met een hoopvolle profetie over Israël. Na de rampen zullen betere tijden aanbreken. Het lijkt wel of hij het heeft over het Israël, dat in de vorige eeuw tot nieuwe bloei kwam:

9:14-15 Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de
wijn ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.
15Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de Eeuwige, uw God.

Amos was een klokkenluider van zijn tijd - het woelige Midden-Oosten in de ijzertijd. Hij stelde de kloof tussen arm en rijk, uitbuiting, corruptie en schijnheiligheid van zijn wereld aan de kaak. Hoe zou hij nu reageren op het Israël van nu – en breder op de wereld van nu? Hij kende nog geen kloof tussen orthodox, liberaal en seculier. Hij kende geen kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, geen globale kloof tussen de allerrijksten en de allerarmsten (De 26 rijkste mensen op aarde hebben samen meer vermogen dan de armste helft van de wereldbevolking, 3,8 miljard mensen). Er was nog geen kloof tussen wit en zwart, geen kloof tussen de koortsige wildgroei van menselijke productie en consumptie en de draagkracht van de planeet (opwarming, vervuiling). De schaal is sinds Amos’ tijd gigantisch vergroot, maar de primaire structuur van de misstanden is misschien niet essentieel veranderd. Profeten zijn er niet meer, maar Amos-achtigen van nu begrijpen de tekenen des tijds en hun stemgeluid is hier en daar te horen.

Noten
(1) 1 Koningen 12; er was ook een gouden kalf in de streek Dan. Bijbelwetenschappers opperen dat hier de basis is te vinden van de sage van het gouden kalf in Exodus
(2) De late profeten zijn ingedeeld in de grote profeten Jesaja, Jeremia en Ezechiel, en de kleine profeten, Hosea, Joel, Amos, Obadia, Jona, Micha, Nachoem, Chabakuk, Zefanja, Haggai, Zecharja en Malachi

RC dec 2019

Chanoeka sameach 5780 Happy Hanukkah 2019! 

Haftara bij de parasja Wajisjlach

Obadja 1:1-21

De haftara bij de parasja Wajisjlach (Genesis/Beresjiet 32:4 – 37) is een heel bijbelboek, het kleinste boek van alle profeten, Obadja, dat uit maar 21 verzen bestaat. Het boek is een aaneenschakeling van rampen en ellende voorspellende orakels over het volk van Edomieten, dat ten zuiden van Judea woonde tussen de Dode zee en de Golf van Akaba op en rond het Seïr gebergte. Het waren de afstammelingen van Jacobs broer Ezau (andere naam: Edom). Dat verklaart de link met de parasja Wajisjlach, waarin Jacob en zijn door hem bedrogen broer Ezau de hoofdpersonen zijn; bevreesd voor diens wraak vlucht Jacob naar het noordelijke Aram en na tweeëntwintig jaar trekt hij (nu ook genaamd Israël) bang maar moedig Ezau tegemoet, die hem niettemin in de armen  sluit (1) Ondanks de verzoening van deze stamvaders, in de parasja Wajisjlach beschreven, is de verdere geschiedenis tussen de Israëlieten en de Edomieten er een van voortdurende twisten en oorlogen geweest, hetgeen o.a doorklinkt in de woorden:

10Vanwege het geweld tegen uw broeder ​Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.

Wie was Obadja?
Volgens de Talmoed (2) was hij de Obadja, die wordt vermeld in het eerste boek koningen hoofdstuk 18 als hofmeester van koning Achab en koningin Izebel (plm 900 BCE). Hij was een zeer vrome man, volgens de Talmoedleraren vromer dan Abraham, want staat er over hem niet: Nu vreesde Obadja de Eeuwige zeer (1 Koningen 18:3), terwijl van Abraham niet meer wordt gezegd dan: nu weet ik dat gij de Eeuwige vreest (Genesis 22:12), dus zonder zeer, de Oude Wijzen zijn heel precies met woorden. Obadja had zijn profetische gave te danken aan zijn hulp aan de door Ba’alvereerster Isebel rabiaat vervolgde profeten (wellicht volgelingen van Elia); vijftig van hen liet hij onderduiken in de ene grot, vijftig in een andere grot. Waarom in twee grotten? Als de ene grot zou worden ontdekt, dan waren in ieder geval de andere vijftig profeten gespaard gebleven. Hoe kwam hij op dat idee? Dat had hij van Jacob, die zijn mensen, have en goed verdeelde over twee kampen voor het geval zijn broer Ezau tot de aanval over zou gaan (lees Genesis 32:7). Misschien was hij zelf een Edomiet, veronderstelt een van de talmoedgeleerden; vandaar het door hem gereleveerde gezegde: vanuit het bos komt de bijl ofwel: de steel van de bijl komt van de boom die hij omhakt

Toch is het waarschijnlijker, dat hij geleefd heeft in de 6e eeuw BCE, een tijdgenoot van Jeremia (Jirmeja), die een sterk op Obadja gelijkend stuk (Jer 49:7-22) heeft opgetekend, geïnspireerd op de val van Jeruzalem in 587. Blijkbaar heeft de schrijver de plundering van de stad en het wegvoeren door de Babyloniërs van de Judeeërs meegemaakt en is zijn boosheid is vooral gericht op het leedvermaak van de Edomieten over het wegvoeten van de Judeeërs in ballingschap en op hun medeplichtigheid aan de plundering.

12U (Edom) had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder (Jacobs volk),
op de dag dat hij een vreemde  was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten tegen hen
op de dag van hun benauwdheid.
13U had de ​poort​ van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.

Edom werd later in vaak als een pars pro toto voor alle vijandige niet-joden gebruikt, bijv. voor de Romeinen (3) en later voor het hele joodsvijandige westen.  Peinzend over deze verzen in het kader van de geschiedenis kwamen ze heel bekend voor. Hebben we dat later niet zo veel vaker meegemaakt? De verdrijving van de Joden uit Engeland in 1290, uit Spanje in 1492 enzovoort. Neem bijv. de zin: ‘U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof op de dag van zijn ondergang’. Opeens moest ik denken aan hoe die vele Nederlanders toekeken hoe het kwaad de Joodse landgenoten trof op de dag van hun ondergang. Hoe de verleiding groot is maar toe te kijken als het kwaad weer wortel lijkt te schieten.

noten

(1) de parasja bevat ook het bekende gevecht van Jacob met de engel en verhaalt - na de broederlijke verzoening -   de verkrachting van Jacobs dochter Dina door de prins van Sichem (Sjechem) en de wraak van haar broeders op de bewoners van die stad, de dood van Rachel in het kraambed en de dood van Isaac (Jitschak), die door Jacob en Ezau samen wordt begraven. Zie ook de verschillende commentaren op Wajisjlach, die zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Talmoed Sanhedrin 39b
(3) bv door Nachmanides in Gate of Redemption

Haftara bij parasja Wajetsee

Hosea 11:7-13:5;

Een korte historische aanloop naar de profeet Hosea (Hosjea), waaruit de haftara bij de parasja Wajetsee  (Beresjiet/Genesis 28:10 – 32:4) afkomstig is (1). In de loop van de 8ste eeuw BCE stond een nieuw type profeet op onder de Israëlieten. Al sinds oudsher waren er profeten – nevi’iem, meervoud van navi -  actief, te beginnen bij de eerste en grootste onder hen Mozes (Mosjee), die zijn profetische activiteit verenigde met politiek leiderschap. Hij stichtte een verlichte theocratie, zou je kunnen zeggen.  Met hem is nog enigszins vergelijkbaar de profeet Samuel (Sjemoeël), die bij tijden als profeet ook staatkundig actief was. Maar juist hij stelde op uitdrukkelijke aandrang van het volk een koning (Saul) aan en initieerde zo een scheiding tussen de morele bewaking van de erfenis van de Mozes en het politieke bestuur van de koning en zijn dienaren. In de tijd van Samuel en daarna waren er nog vele andere profeten. Je zou het een beroep kunnen noemen. Ik stel me voor, dat het een soort sjamanen waren, die naast religieuze begeestering ook voorspellingen deden, zieken behandelden en andere adviezen gaven inzake lot en leven. Ze worden in Tenach vaak genoemd als mannen (geen vrouwen) ‘over wie de geest (roeach) Gods kwam’.  Zie bv Samuel 1:10:10. Een aantal waren adviseurs van de koning (bv Nathan, die het geweten van David was). Ook koning Achab (Achav, van het noordelijke rijk, 9e eeuw BCE) had honderden profeten. Die stonden echter in de dienst van de godheid Ba’al; zij moesten op de berg Karmel het onderspit delven tegen de God van de profeet Elia. Elia was als het ware een gedreven hervormer, die met kracht opkwam voor de zuiverheid van de leer van de Ene god en het ambt van profeet wilde ontdoen van alle magische en afgodische smetten die eraan kleefden. Hij en zijn opvolger Elisa (Elisja) hadden vele volgelingen die in kleine groepen het land doortrokken of samenwoonden in gemeenschappen. Toch kwam er in de loop van de tijd de klad in hun gilde; de meeste profeten spraken de mensen en de politieke leiders naar de mond. Afgodendienst aan Ba’al, Moloch en andere afgoden, moord, corruptie en seksuele losbandigheid woekerden in de inmiddels in het tweeën gedeelde land, het koninkrijk Juda in het zuiden en het koninkrijk Israël in het noorden. De ware leer van Mozes over de eenheid van God en de in zijn naam gegeven geboden van rechtvaardigheid en mededogen raakte vergeten.

Er stonden nu mannen op, die de misstanden aan de kaak stelden, een nieuw soort profeten, Amos, Hosea, Micha en Jesaja. Wat was het nieuwe aan hen? Het waren mannen uit alle standen. Amos was veehouder. Hosea was boer, Jesaja was een hoveling. Ze waren eenlingen met ieder zijn eigen roeping en onderscheidden zich uitdrukkelijk van de ‘professionele’ profeten. Ze liepen vaak risico om vervolgd te worden om hun brisante uitspraken en onverschrokken politieke prognoses. Ze waren de klokkenluiders van hun tijd in een verslechterd klimaat van maatschappelijk en moreel verval. (2) En niet onbelangrijk, ze hebben als eersten hun profetieën opgeschreven of laten opschrijven, zodat wij ze nog kunnen lezen. Zo stijgen hun geschriften boven de contingente historische omstandigheden, waartegen ze reageerden uit.

Hosea leefde in de tijd, dat de Assyriërs het Noordelijke rijk Israel belaagden, het rijk dat hij in zijn geschrift vaak aanduidt met Efrajim. Vanaf 740 BCE af waren er voortdurend invallen en werden de grote aantallen krijgsgevangenen uit het land weggevoerd. In 722 viel de hoofdstad Samaria (Sjomron) en werden de laatste bewoners, vele duizenden, in ballingschap gebracht naar verre streken. Deels worden deze gebeurtenissen in de voorzeggingen van Hosea vooraf geschaduwd. Het is de vraag of hij de val van Samaria nog heeft meegemaakt. Hij stoelt zijn oratie over de toestand in het land op het beeld van de echtgenoot (de Eeuwige) en diens overspelige echtgenoot (Israël), die haar man in de steek laat en haar toevlucht zoekt in overspel en hoererij. Zijn eigen huwelijk met zijn overspelige vrouw Gomer ervaart hij als een door de Eeuwige hem opgelegde existentiële doorleving van het verraad van Israel. Hij vertaalt als het ware zijn eigen ongelukkige situatie om Israël aan te klagen en haar te herinneren aan de opdracht om alleen de Ene te dienen in (6:6: Want Ik vind vreugde in goedertierenheid (chesed) en niet in offers, in kennis van God meer dan in brandoffers!).  In heftige beelden stelt hij de teloorgang van de oorspronkelijke boodschap en het moreel verval aan de kaak, wat zich onder meer uit in de dienst aan Ba’al en tempelprostitutie. (3) Wat is het verband met de parasja Wajetsee? In zijn poëtisch vertoog verwijst hij naar de oorsprong van Israels kennismaking met de Eeuwige in de verhalen van stamvader Jacob:

12 3 De Eeuwige heeft een rechtszaak met Juda.
Hij zal ​Jakob​ vergelden naar zijn wegen,
Hij zal zijn daden op hem doen terugkeren.
4In de moederschoot pakte hij zijn broer bij de hielen;
in zijn kracht streed hij met God.
5Hij streed met de ​Engel​ en overwon;
wenend vroeg hij Hem om ​genade.
In Bethel vond Hij hem,
en daar sprak Hij met ons,
6namelijk de Eeuwige, de God van de legermachten,
Eeuwige is Zijn gedenknaam.
7En u, bekeer u tot uw God,
houd u aan goedertierenheid en recht (chesed we-misjpat),
zie voortdurend uit naar uw God.

We herkennen in deze kernverzen van de haftara de wederwaardigheden van stamvader Jacob zoals die in de in de parasjot Toldot, Wajetsee en Wajisjlach worden verteld -
Jacob vlucht na het bedriegen van Ezau en Isaac naar het land Charan, en verblijft bij zijn oom Lawan. Hij huwt diens dochters Lea en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lawans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen, waar onderweg Ezau hem opwacht.
De profeet smeekt Israël om omkeer te doen en verwijst naar Jacob: Jacob belandt uiteindelijk met veel inspanning op de goede weg en wordt gezegend met Gods presentie en bescherming, zoals even verder in hfst 12 nog wordt benadrukt;

12 13 Jakob​ vluchtte naar het gebied van Syrië,
Israël​ diende om een vrouw
en om een vrouw hoedde hij vee
14Door een ​profeet​ heeft de Eeuwige Israël echter uit ​Egypte​ geleid
en door een ​profeet​ werd het gehoed.

Met die laatste regel wordt Mozes bedoeld en Hosea zegt daarmee (volgens Rasji), vergeet niet dat het een profeet was, die Israël uit Egypte leidden, dus geef aandacht aan de woorden van een profeet (als ik). Zoals bijna alle profeten geeft Hosea geen voorspellingen als gebeurtenissen die onvermijdelijk gaan gebeuren. Er is altijd een keus: je kan omkeer (tesjoeva) doen en als dat het geval is beschrijft Hosea het dan mogelijke welzijn in even bloemrijke aan natuur en agricultuur ontleende bewoordingen.

noten
(1)Verschillende commentaren op Wajetsee  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website
(2) Misschien mag je Johannes de doper en Jezus ook in deze traditie zien
(3) Martin Buber stelt, dat het niet zozeer om nieuwe afgoden ging, maar meer om wat hij de baälisering van de God van Israel noemt. JHWH verviel van een metaseksuele God naar de gemaal van een moedergodin en van de rechtvaardigheid eisende God naar de gruwelijke mensenoffers eisende koningsgod. In plaats van hem als God van chesed (compassie) te kennen verafgoodt men hem en vertroebelt zijn dienst met heiligverklaarde ontucht (Martin Buber, Het geloof der profeten, Servire, 1972, pp 138, 139, iets geparafraseerd)

RC dec 2019

  

Haftara bij de parasja Toldot

Malachi 1:1 – 2:7

Malachi (Maleachi) was de laatste van de twaalf zogenoemde kleine profeten (1) Hij leefde vermoedelijk in de eerste helft van de 5e eeuw BCE.  De Joden waren deels uit Babylonische ballingschap teruggekeerd en gezien Malachi’s kritiek op de tempeldienst moet hij de herbouwde tempel persoonlijk hebben bezocht. Malachi betekent ‘mijn engel’ en men veronderstelt, dat het een bijnaam is of een latere aanduiding voor een anonieme auteur. Abraham Ibn Ezra, de middeleeuwse voorloper van de bijbelwetenschap, meent dat het Ezra zelf geweest is en dat zou kunnen, omdat ook Malachi evenals Ezra in het gelijknamige bijbelboek (hfstn 9 en 10) de gemengde huwelijken van de teruggekeerde ballingen luid aanklaagt. In feite is het boek Malachi een reactie op de laksheid en onverschilligheid onder de teruggekeerde ballingen, die bij hun hervestiging in Judea vele tegenslagen ondervonden. Het ging over vragen als: we merken niets van Gods hulp, waarom gaat het andere volken goed en ons niet? Malachi geeft een boodschap door van de Eeuwige:

(1:2: Ik heb u liefgehad, zegt de Eeuwige,
maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?
Was
Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de Eeuwige
Toch heb Ik
Jakob liefgehad,
en
Ezau heb Ik gehaat.

Hier zien we waarom de haftara wordt gerelateerd aan de  parasja Toldot (Beresjiet/Genesis 25:19-28:9) waarin de verhaald wordt hoe in een reeks kleurige gebeurtenissen en met veel intriges Jacob tot erfgenaam van Abrahams spirituele inzichten en voortzetter van diens missie wordt gekozen boven de eerstgeboren en sterke Ezau (Esav) (2). Malachi brengt deze keuze weer in herinnering. De afstammelingen van Ezau, de Edomieten - die ten zuiden van Judea woonden – hadden nog kort geleden triomfantelijk toegekeken hoe de Judese ballingen uit Jeruzalem werden weggevoerd en tezamen met de Babyloniërs hadden ze de stad hadden geplunderd (2). Dat alles lag nog vers in de herinnering. Heeft de Eeuwige misschien Jacob laten vallen en Ezau gekozen?  Het heeft er alle schijn van, maar – zo verklaart de profeet - de Eeuwige draagt het volk van Juda nog steeds in zijn hart. De goddelijke zegen, ooit aan Jacob gegeven, is er in principe nog. Wat een actieve werking daarvan in de weg staat is het laakbare gedrag van de opnieuw in Judea gevestigde repatrianten. Drie misstanden stelt de profeet met indringende beelden aan de kaak, waarvan twee in deze haftara:

1. De tempeloffers werden met aanstootgevende slordigheid gebracht.
Als we ons losmaken van het personalistisch godsbeeld kunnen we ons indenken hoe beledigend het is als zieke of blinde dieren ten offer worden aangeboden, zoals Malach ons rapporteert. Zelf willen we door wie ons een zaak, dienst of prestatie schuldig is ook met toewijding en zorgvuldigheid worden behandeld. Stel je voor als je de gouverneur van de koning zo tegemoet treedt, zegt Malachi zelf. Verwaarlozing van heilige of rituele (of sowieso formele) handelingen is ook een signaal: wanneer die worden afgeraffeld kan dat duiden op verdergaand verval in een samenleving.
Malach zegt nog iets opmerkelijks, als hij de ‘heidenvolken’ ten voorbeeld stelt;

(1:11) Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een reingraanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de Eeuwige van de legermachten.

De Eeuwige is er dus niet alleen voor Israël, maar voor alle volken en Hij kan dus ook toegewijde rituelen van anderen dan Joden waarderen. Dat is toch een pluralistische stap vooruit! (4)
Maar hoe zit dat dan met dat emotionele en partijdige ‘Ezau​ heb Ik gehaat’ uit het boven geciteerde vers? Dat moeten we met een korrel zout nemen; dat Jacob is gekozen betekent niet, dat Ezau is afgewezen, maar dat hij alleen geen deelheeft aan het verbond en het lot van Israël. (5)

2. De priesters verzaakten hun plicht om het volk goed onderricht te geven.
2:7: Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren, uit zijn mond moet men onderwijs in de wet zoeken, zegt de profeet, en dat gebeurde kennelijk niet meer. De vraag is of dat ooit weer goed gekomen is. Malachi leefde op het keerpunt van een belangrijke ontwikkeling: de opkomst van de zogenoemde Grote Vergadering (ofwel de Grote Synagoge, ansjee knesset ha-gedola). Deze club van Wijzen rond de wetgever Ezra – 120 waren het er (6) - namen de taak van redactie, onderricht en verklaring van de Tora op zich. Het waren geen religieuze ambtsdragers, maar geleerden, uit wie tweehonderd jaar later de farizeeën voortkwamen en daarna rond het begin van de christelijke jaartelling de rabbijnen. De priesters zouden voortaan op dit gebied geen belangrijke rol meer spelen.

3. De Judeeërs trouwden met de niet-Joodse vrouwen en slaan in het algemeen de Mozaïsche wet in de wind. Dat laten we even rusten. Punt drie valt buiten de haftara, evenals de daaropvolgende oproep tot ommekeer, de aankondiging van een profeet als Elia en de voorspelling van een dag van gerechtigheid, oordeel en heil.

noten
(1) In Jodendom ook wel Tree Asar genoemd; kleine profeten omdat hun boeken kort zijn. Na Malachi is volgens de Joodse traditie de profetie opgehouden
(2) Verschillende commentaren op Toldot  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(3) Ook andere profeten varen uit tegen het gedrag van de Edomieten tijdens het wegvoeren van de Judese ballingen, Jesaja34:5–34:8, Jeremia 49:7–49:22,Obadja 1:10 ev
(4) Baruch Spinoza haalt deze passage ook aan in zijn betoog over de relativiteit van de uitverkiezing van Israël (Theologisch-politiek traktaat, Wereldbibliotheek, 1997, p 143)
(5) zoals Rabbijn Jonathan Sacks In zijn boek ‘Niet in Gods Naam' (Kok, 2016, deel II) nadrukkelijk betoogt in een diepgaande herlezing van de tekst
(6) Volgens het tractaat Avot de Rabbi Nathan 1b (annotaties bij het Talmoedtractaat Pirkee Avot, dat begint met de ‘stamboom’  van overlevering van de Tora) was Malachi, de laatste profeet, tegelijk een van de eerste leden. Ook het Israëlisch parlement, de Knesset, heft 120 leden.

RC nov 2019

Haftara bij de parasja Wajera

2 Koningen 4:1-37

In de haftara 2 Koningen 4:1-37, die aan de parasja Wajera (Genesis/Bereshiet 18 – 23) is toegevoegd, wordt verteld over twee wonderen verricht door de profeet Elisja, aan wie Elia tegen het einde van diens leven de profetenmantel had overgedragen. Hij zou twee keer zoveel wonderkracht als zijn voorganger Elia hebben gekregen.

Het is de tijd, dat Israël verdeeld was in een noordelijk en zuidelijk rijk. Alom werden afgoden vereerd, zoals de Ba’al, geintroduceerd door koning Achav onder invloed van zijn vrouw Izewel. Dankzij de grote inzet van de profeet Elia waren er nog zevenduizend mensen die de knieën niet gebogen hadden voor de ​Baäl, zoals 1 Koningen 19:18 vermeldt.
Een daarvan was de weduwe van een van Elia’s volgelingen, die in grote materiele nood Elisja te hulp riep. Deze zorgde ervoor, dat het kleine beetje olie, dat de vrouw nog had tot zo’n grote hoeveelheid vermenigvuldigd werd, dat ze haar schulden kon betalen. 

De link tussen de haftara  en de parasja Wajera is te vinden in het daarop volgend verhaalde mirakel. Gemeenschappelijk thema is de profetische belofte van een zoon aan een oud echtpaar. In Wajera zijn dat Avraham en Sara. Aan hen voorzeggen drie engelen (Gen/Ber 18:10): Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw ​Sara​ een zoon hebben. In de haftara lezen we, dat de profeet Elisja tot een kinderloze vrouw in Sjoenem met een oude echtgenoot en een kinderwens zegt (4:16): Op deze zelfde tijd over een jaar zult u een zoon omhelzen. En in beide gevallen wordt inderdaad een jaar later een zoon geboren.

De context van Elisja’s belofte is echter wel een andere dan die bij Avraham en Sara.  De welgestelde vrouw uit Sjoenem had voor Elisja, die bij zijn rondreizen vaak bij haar te gast was, een bovenkamer laten maken met een ​bed, een ​tafel, een stoel en een ​kandelaar​. Haar kinderwens werd door de dankbare profeet vervuld. Maar daar hield zijn bemoeienis als ware wonderdoener nog niet op. Een van zijn grootste mirakels voltrok hij aan de zoon van de vrouw uit Sjoenem, toen de jongen de puberleeftijd had bereikt.  De knaap hielp bij het maaien en kreeg een zware hoofdpijn. Hij werd naar huis gebracht en stierf op de knieën van zijn moeder, die hem op het bed in het kamertje van Elisja legde. De wanhopige moeder liet een ezel zadelen en spoedde zich naar Elisja, die zich op de berg Karmel bevond. De profeet was door het verdrietige nieuws aangedaan en zond zijn dienaar Gehazi vooruit. Die legde in opdracht van zijn meester diens staf op het gezicht van de dode jongen. Dat hielp niet en Elisja wist dat zijn hoogstpersoonlijke optreden vereist was. (2 Koningen 4:33) Toen ​Elisa​ binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de Euwige. Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Deze profetische reanimatie-handeling bleek te helpen en de jongen werd wakker uit de dood.
Mogelijk is nog een parallel uit de parasja Wajera te vinden rond het bijna-offer van de eveneens aan een lang kinderloze Sara laat geboren zoon Isaac (Jitschak). In het bekende verhaal heeft Avraham, gehoorzaam aan een door hem gehoord goddelijk bevel, zijn zoon op het altaar gelegd en hij staat op het punt om met een mes zijn zoon om het leven te brengen, als een stem de vader gebiedt daarmee op te houden. Isaac is weliswaar niet uit de dood opgestaan, maar wel van een welhaast zekere dood door tussenkomst van een engel van de Eeuwige op het nippertje gered.

Opmerkelijk is, dat veel van de wonderen van Elisja rond voedsel, water en opwekking uit de dood in een of andere vorm terugkomen in de evangeliën, zie bijv. de opwekking van Lazarus en het dochtertje van Jaïrus. (2)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajera zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) bv Marcus 5:40 over het dochtertje van Jaïrus: Hij (Jezus) stuurde hen allen weg, nam de vader en de moeder van het ​kind​ en hen die bij Hem waren, mee en ging het vertrek binnen waar het ​kind​ lag. En Hij pakte de hand van het ​kind​ en zei tegen haar: Talitha, koemi! Dat is vertaald: Meisje (Ik zeg je), sta op. En meteen stond het meisje op en het liep, want het was twaalf jaar

 RC nov 2019

 Haftara bij de parasja Lech Lecha

Jesaja 40:27- 41:16

We roepen even de parasja Lech Lecha in herinnering. Abraham, die hier voor het eerst in de geschiedenis verschijnt, wordt geroepen door de Eeuwige om Charan te verlaten en op weg te gaan met zijn Sara naar Kena’an, dat ooit aan zijn nageslacht zal toevallen. Daar drijft weldra een hongersnood hem naar Egypte waar de mooie Sara, door de farao werd ingepalmd maar weer met schadeloosstelling ongedeerd teruggegeven Als welgesteld man keert hij terug naar Kena’an, waar hij een succesvolle oorlog uitvecht met de vier koningen, die neef Lot hadden meegenomen. Omdat Sara maar geen zoon kreeg werd haar slavin Hagar aan Abraham als bijvrouw gegeven. Hagar baarde Ismael. De pasja besluit met het gebod tot en de uitvoering van de besnijdenis. (1)

De haftara bij Lech Lecha is uit Jesaja (Hebreeuws: Jesjajahoe), de verzen 40:27 tot 41:16. Na een forse berisping over Israëls kleingelovigheid volgen vele verzen van bemoediging en optimisme. De Eeuwige presenteert zich in de visie van de profeet als een machtige heerser over hemel en aarde, die de vijanden van Israël verslaat en verjaagt, hun afgoden ontmaskert als machteloze beelden en Israël, hoe klein het ook is, beschermt.

Waarom deze passages als haftara zijn gekozen berust niet alleen op het voorkomen van Abrahams naam in vers 41:8: ‘Ik heb jou ​(Israël) uitgekozen. Je stamt af van mijn vriend Abraham’.  Aanleiding gaf ook het vers 41:2;

‘Wie heeft uit het oosten een rechtvaardige opgewekt, hem geroepen om te gaan, volkeren aan hem overgeleverd en hem koningen doen overheersen?’ (2)

De rabbijnen van de Talmoed meenden, dat deze rechtvaardige mens uit het oosten doelt op Abraham, die immers uit het oosten kwam. (3) Bekende middeleeuwse commentatoren als Rasji (1040-1105) en Radak (David Kimchi, 1160-1235)) namen dit over. Wie zijn de hier genoemde koningen anders dan de vier koningen die Abraham heeft verslagen toen hij Lot te hulp kwam (Gen. 14). De wonderlijke daden, die in deze en volgende verzen worden beschreven zijn de daden die de Eeuwige voor de rechtvaardige mens uit het oosten – Abraham dus in deze uitleg - heeft verricht. Ze zijn een hoopgevend voorbeeld. Zoals God Abraham tegen zijn vijanden heeft geholpen, zo zal hij dat ook doen voorzijn benarde volk Israël, de afstammelingen van Abraham, doen, dat is de impliciete boodschap van deze profetische poëzie.

De commentator en dichter Abraham Ibn Ezra (1089-1167) is een andere mening toegedaan. Hij volgt een meer historiserende benaderingen (4) en kiest voor de uitleg dat het hier Cyrus (Kores) betreft, de koning van de Meden en Perzen, die bestemd is om het onderdrukkende Babylon te verslaan en die de Joden hun vrijheid terug zal geven. Cyrus wordt later in Jesaja’s profetieën zelfs met name genoemd, zoals in 45:1:
‘Zo zegt de Eeuwige tot zijn ​gezalfde, tot Kores (Cyrus), wiens rechterhand Ik gevat heb om volken vóór hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren vóór hem te openen, geen ​poorten​ blijven gesloten.’
Ibn Ezra’s veronderstelling lijkt aannemelijk. Immers de schrijver van deze verzen – ook wel deuteron-Jesaja genoemd – leefde waarschijnlijk in de tijd, dat onder de druk van Cyrus oprukkende legers het Babylonische rijk wankelde en de door de Joodse ballingen vurig verhoopte val van Babylon aanstaande was.

Het volgende vers trekt nog onze aandacht, 41:14: Vrees niet, gij wormpje Jakob, gij volkje (5) Israël! Ik ben het, die u help, luidt het woord van de Eeuwige, en uw Verlosser is de Heilige Israëls’.

Dat ‘wormpje’ lokt tot uitleggingen. Rasji: Israel is zwak als een worm, die geen kracht heeft, behalve in zijn mond. Radak weidt verder uit: de sterke mond vreet zich door de sterkste ceders, die mond is het krachtige gebed van Israël, dus dat ‘wormpje’ is eigenlijk een compliment! Maar Ibn Ezra plaatst het beestje weer in de historische context: de Babyloniërs keken op Israel neer als op een worm, maar desondanks hoeft het niet te vrezen nu Cyrus in aantocht is. 

noten

(1) Verschillende commentaren op Lech Lecha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) De vertaling is van mij en geeft de bedoeling van het wat duistere Hebreeuws m.i. beter weer
(3) Bv Talmoed tractaten Bava Batra 15a:9 en Sanhedrin 108b:21
(4) Hij lijkt met zijn historiserende benadering een vroege voorloper van Baruch Spinoza (In zijn Theologisch-politiek tractaat) en de moderne bijbelwetenschap
(5) ‘volkje’ lijkt een merkwaardige vertaling (zowel van de HSV als de NBV) van metee Jisrael. Letterlijk staat er ‘mannen van Israel’. Dat verkleinwoord staat in verband met dat metee vaak voorkomt in de samenstelling metee mispar en dan betekent het ‘weinigen (in aantal)’. Misschien speelde deze connotatie bij de vertalers mee. De Willibrord vertaling vertaalt gewoon ‘mensen van Israël’.

RC nov 2019

 Haftara bij de Parasjat Noach   Beresjiet Genesis 6:9-11:32

  Jesaja 54:1-55:5

De haftara (wekelijkse lezing uit de prefeten) die aan de sidra (of parasja) Noach is toegevoegd is Jesaja hoofdstuk 54 en 55 tot vers 6. In poëtische termen wordt gesproken over een verlaten, kinderloze vrouw die (weer) in genade zal worden aangenomen door de echtgenoot, die haar ooit in boosheid heeft verstoten. De echtgenoot is de Eeuwige, maar wie is die vrouw? De algemene rabbijnse opinie is: Jeruzalem (Rasji) dan wel het volk Israel (Ibn Ezra). In vele krachtige en gepassioneerde beelden wordt bezongen hoe de Eeuwige zijn woede laat varen. haar weer tot vrouw zal nemen, haar nooit meer verlaten en het haar verder nooit meer aan iets zal ontbreken.
54:6 Je was een verlaten, wanhopige vrouw
toen de Eeuwige je terugriep.
Kan iemand de vrouw van zijn jeugd verstoten? – zegt je God.
7Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
8Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ​liefde,

Waarom is dit stuk van Jesaja aan de sidra Noach vastgeknoopt? Dat zit hem in de passage  van het volgende vers 54:9: 
Dit (deze gelofte) is voor mij als bij de vloed van ​Noach:
zoals ik heb gezworen dat het water van ​Noach
nooit meer de aarde zou overspoelen,
zo zweer ik dat mijn toorn jou niet meer treft
en dat ik je nooit meer bedreig.
De vergelijking is duidelijk. De verwijzing is naar Ber/Gen 9:11: ‘Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten’. Zoals de Eeuwige, na de eerste verdorven mensheid te hebben vernietigd met de rampzalige vloed, aan de enig overgebleven familie Noach heeft gezworen  nooit meer de mensheid met een dergelijke catastrofe te verdelgen, zo heeft de Eeuwige eerst zijn handen van Israël afgetrokken (door het in ballingschap te laten wegvoeren), maar nu weer gezworen zich weer om het verlaten en wanhopige volk te bekommeren,  als het ware een nieuw verbond sluitend (zie 55:3).

Laten we deze passages eens in een historische context plaatsen. Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Jesaja de eerste leefde ten tijde van koning Hizkia (8e eeuw BCE) en de tweede ruim tweehonderd jaar later tegen het einde van de Babylonische ballingschap.. Deutero-Jesaja heeft de hoofdstukken 40 tot 56 voor zijn rekening genomen, zo neemt men aan (sommigen veronderstellen nog een derde Jesaja, die de laatste hoofdstukken heeft geschreven).  Hij kende de wanhoop, de ellende en de heimwee van de ontheemden, die weggerukt uit hun thuisland treurden aan de rivieren van Babylon. Een door haar man in de steek gelaten en van haar kinderen beroofde vrouw, dat is het krachtige beeld, dat het gevoel van de profetische dichter vertolkt, een beeld dat hij al eerder heeft gebruikt (bv 49:19, 51:18-20; kende men toen nog niet de wanhoop van de man, die door zijn vrouw en kinderen is verlaten?). Maar naast de wanhoop kende hij ook het vurig verlangen naar de terugkeer naar een thuis, waar de zorgen over veiligheid en levensonderhoud voorgoed voorbij zouden zijn., sterker nog, waar de vrijheid en waardigheid van zijn volk zou zijn hersteld. Dat verlangen zal zijn verhevigd door de politieke omstandigheden van die tijd; het rijk van Babel wankelde en Cyrus, de koning van de Meden en de Perzen, maakte zich klaar om Mesopotamië te veroveren. De hoop op terugkeer naar het land en op hernieuwde welvaart vertaalt zich in het beeld van de verstoten vrouw die in haar positie als geliefde echtgenote wordt teruggenomen. We herkennen de situatie van de Judeeërs aan de Eufraat en de Tigris van toen als archetypische situatie van vluchtelingen en bannelingen van alle tijden en zeker ook van nu. Ik laat graag aan de lezer over om actuele voorbeelden voor ogen te halen. 

 Het hartstochtelijk verlangen van de profeet schetst een ideaalsituatie van welvaart, bestendigheid, onkwetsbaarheid van de bruid, die utopisch of zelfs messiaans aandoet.
Heeft hij een messiaans Jeruzalem in gedachten als hij dicht:
2Ik maak je torens van ​robijn,
je ​poorten​ van ​beril,
je ​muren​ van kostbare edelstenen.
Refereert hij aan een messiaanse tijd als hij roept:
551Hierheen! Hier is water,
voor ieder die dorst heeft.
Kom, ook al heb je geen ​geld.
Koop hier je voedsel en eet.
Kom, koop voedsel zonder ​geld,
koop ​wijn​ en melk zonder betaling.

Deze utopie van soliditeit en solidariteit  krijg je niet cadeau, Jeruzalem zal wel moeten luisteren naar de stem van de Eeuwige:
Luister aandachtig naar mij,
en je zult ruimschoots te eten hebben
en genieten van een overvloedig maal.
Leen mij je oor en kom bij mij,
luister, en je zult leven.

Wat is dat luisteren? Het is Tora in ruime zin, onderricht in de zin van de Jesaja van hoofdstuk 1: 18.17:‘ Vermijd alle kwaad en leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta ​weduwen​ bij’.
De terugkeer van (een deel van) de ballingen naar Judea heeft inderdaad plaatsgevonden – met goedkeuring en met materiele steun van Cyrus -   maar de realisering van een messiaanse samenleving is niet gerealiseerd. De verheven en toch aardse beelden in deze verzen raken nog steeds een snaar raken in ons gemoed, dat verlangt naar uitbanning van uitbuiting, corruptie, honger, armoede en omarming van compassie en gerechtigheid in deze wereld.

De traditie ziet Jeruzalem ook op allegorische wijze. Je kan Jeruzalem, (of Tsion) zien als de heilige plek die in iedere Jood, cq in iedere mens, in principe is te vinden. Een plek, die geheven is boven de alledaagse zorgen en wanen, boven de tijd/ruimte, een plek waar de ziel zich even verbonden en verzoend kan weten. (1) Op dat niveau van uitleg is de terugkeer naar Jeruzalem de terugkeer naar die heilige plek, onze essentie, ons beste weten omtrent het goede, onze ziel, de we eens in de hectische rat race van de wereld hebben verlaten. Dan slaat de vertroosting van de verzen 54:7,8 niet zozeer op de geschiedenis van Israel, waar de Eeuwige zijn gezicht (presentie) meermalen voor meer dan een ogenblik heeft verborgen (en nog steeds verborgen houdt?), maar vooral op onze individuele weg van bewustwording, de weg van de banneling die thuiskomt.
Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ​liefde

noot

(1) In de kabbala wordt Jeruzalem veelal geassocieerd met de sefira Malchoet.

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8 

Er zij licht en er was licht

We gaan een gedachtenreeks spinnen rond dit vers uit Beresjiet/Genesis hoofdstuk 1.

1:3 God zei: ‘Er zij licht' en er was licht. (wa-jomer Elohim: jehi or) (1)
4 God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis;
5 het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. Een dag.

Volgens de modern orthodoxe commentator en expert oud-semitische talen Umberto Cassuto die vaak dicht bij de letterlijke bedoeling van de tekst blijft heeft de redacteur het licht als fysisch fenomeen voor ogen gehad. Dat is wel waarschijnlijk, maar toch is het is het interessant eens na te gaan, hoe deze gebeitelde pregnante woorden latere generaties geïnspireerd hebben er veel meer in te zien dan het zichtbare licht.

Dat is begrijpelijk, als je stil staat bij hoe het woord ‘licht' geladen is met associaties, die weliswaar gebaseerd zijn op de eigenschappen van het fysieke licht, maar daar verre boven uitgaan. Neem alleen al in het Nederlandse spraakgebruik uitdrukkingen als ‘het licht zien', ‘een lichtend voorbeeld' en de term ‘verlichting', welk laatste woord merkwaardigerwijs zowel een religieuze betekenis kan hebben en dan duidt op een staat van verheven vrede en diep inzicht, alsook een min of meer antireligieuze strekking heeft als ze duidt op 18-eeuwse omhelzing van het principe dat de rede en rationele analyse de enige manier is om waarheid te vinden. Altijd al heeft het begrip ‘licht' een centrale plaats ingenomen in het weergeven van essentiële ervaring op geestelijk gebied. Het hoeft het geen verbazing te wekken, dat het monumentale bijbelvers over de creatie van het licht ook allegorische en esoterische uitleg heeft gevonden. Van mijn prille bestudering van deze aspecten waag ik enkele bevindingen weer te geven.

In de midrasjverzameling op Genesis, Genesis Rabba (2), wordt geconstateerd, dat het licht van vers twee niet het licht is, dat later uitgaat van zon en maan. Zo staat het er:
‘Men onderwees, dat het licht, dat werd geschapen in de zes dagen van de schepping de dag niet kan verlichten, omdat dit licht het licht van de zon zou doen verdwijnen en ook de nacht niet, omdat het alleen geschapen was om de dag te verlichten. Waar is het dan gebleven? Het is opgeslagen voor de rechtvaardigen in de messiaanse toekomst, zoals is gezegd’ - en dan volgt een regel uit een messiaans visioen van de profeet Jesaja -  (30:26):dan is het licht van de maan als het licht van de zon, en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk’. 
We moeten er met de kennis van nu niet aan denken, dat de maan de zon wordt en de zon zevenmaal zo hard schijnt, maar dat fysiele aspect is hier natuurlijk niet bedoeld, het gaat om een verlichte staat van volmaakte vreugde en wijsheid, die aan het eind der tijden wacht. (3) Is er dan niets van dit primordiale scheppingslicht meer werkzaam in onze huidige wereld?

In de kabbalistische mystiek zijn tot in groot detail ideeën over het verborgen oerlicht te vinden. Gangbaar is de opvatting geworden (van de grote kabbalist R. Isaac Luria, 1534-1572) dat het primordiale spirituele licht, dat uit Ein Sof (het onzegbare ‘zonder einde’) als eerste scheppingsdaad is ontstaan, in een aantal dramatische fasen van vermindering tot een minieme fractie omhuld is geraakt in schillen (klipot) (4) : de psychische en materiele wereld, kortom onze daagse beleving van de complexe gebroken wereld van goed en kwaad. De verhulde overblijfselen van het licht, de lichtvonken (netivot) diep verborgen in ons en in de dingen, zoals wij die waarnemen, vragen erom verlost te worden door ons, zodat wij ons bewustzijn en daarmee de wereld in een meer volmaakte staat kunnen brengen, kunnen heel maken in de richting van het oorspronkelijke ideale plan van de schepper (5). Dat wordt in het Joods gedachtegoed tikoen olam genoemd, de reparatie van de wereld. Dat kan door (een programma van) spirituele oefening, waarin je je traint in een verruimd gewaar worden van hoe in alle gedachten, ideeën, gevoelens, ook de donkerste, een (goddelijke) vonk is verborgen, die bevrijd kan worden, waardoor die zaken naar een hoger plan worden verheven. Maar het kan ook door een daad te doen van liefde, hulp, steun aan medemens en milieu.

Dit concept van tikoen olam is vanuit de kabbala ontwikkeld tot een heel praktische leidraad in het liberale jodendom om het doen en laten van alledag een zin te geven.
Laat mijn gedachte, mijn daad of de manier waarop ik waarneem en aan het leven deelneem de wereld in het donker of breng ik meer licht aan de oppervlakte?

noten

(1) Een woordspelletje met het Hebreeuwse woord voor licht (or אור), verlichten (he’íer) stad (ier עיר) en huid (or עור): אור העיר האיר עור
(2) Genesis Rabba 3:7
(3) Cassuto moet niet zoveel hebben van deze esoterische uitleg. Hij meent, dat de “rabbijnse uitleg dat het licht verborgen werd ten gunste van de rechtvaardigen in de komende wereld “ niet overeenkomt met de bedoeling van het vers. Hij houdt het bij de psjat (letterlijke uitleg) Zie Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part one, p.26 ev en zijn betoog over de functie van zon en maan als markering van het alreeds geschapen licht van vers 3.
(4) Zie het concept van het ‘breken der vaten’(sjevirat ha keliem), een soort schitterend ongeluk, zoals bijv. samengevat in Marcus van Loopi, Kabbala als levenskunst, p. 257 ev
en in detail Moshe Miller op chabad.org
(5) Daarvoor wordt wel in de kabbala het beeld van Adam Kadmon (niet te verwarren met de Adam van het paradijs) gebruikt, een oerbeeld van de volmaakte mens, dat God gebruikte als blauwdruk voor de schepping.
Adam Kadmon doet, ontdaan van zijn metafysische kleed, denken aan het antropisch principe in de natuurwetenschappen, het idee dat er een nauw verband bestaat tussen ons mens-zijn en de eigenschappen van het heelal, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Antropisch_principe

 

RC okt 2019

 

 

 

 

Nieuws

A WUPJ-video with rabbi Menno ten Brink. Lees meer >>
Luister naar een actueel Goed Gesprek met Rabbijn Menno ten Brink Lees meer >>

april

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30