Liberaal Joodse Gemeente Gelderland, progressief en gastvrij.

28 mei 2020 | 5 Sivan 5780

Haftara van de week

shiviti
shiviti

Haftara van de week

Haftara bij de parasja Bamidbar

I Samuël 20:18-42 (Sjabbat Machar Chodesj )

Gewone Jaren  Hosea 2:1 - 2:22 (1)

Dit jaar valt de sjabbat op de dag voor de eerste dag van de nieuwe maand (Rosj Chodesj), het is Sjabbat Machar Chodesj (letterlijk: sjabbat morgen nieuwe maand) en dan wordt niet de reguliere haftara gelezen maar I Samuël 20:18-42, het prachtige verhaal over de grootste mannenvriendschap in de hele Tanach.

Al bij hun eerste kennismaking was het raak. Toen de jonge David na het verslaan van de reus Goliat bij koning Saul (Sjaoel) en diens zoon Jonatan (Jehonatan)  kwam, het hoofd van de Filistijn nog in de hand, ‘werd de ziel van Jonatan verbonden met de ziel van David en Jonatan hield van David als van zichzelf ‘(1 Sam 18:1). David werd opgenomen in het gevolg van de koning en bleek een rijzende ster te zijn in allerlei militaire ondernemingen tegen de Filistijnen. Naarmate de populariteit van de jonge legeraanvoerder bij het volk steeg vatte een groot wantrouwen bij de koning post: David was vast van plan hem van de troon te stoten. Toen de ook muzikaal begaafde David de melancholieke koning met harpspel in een betere stemming trachtte te brengen wierp de koning plotseling een speer naar de muzikant, die deze maar net kon ontwijken; een boze geest was in de koning gevaren. Nu zouden we zeggen, een ongeneeslijke paranoia kwam over hem.  

Dat was het begin van een reeks pogingen van Saul om David te doden, hoewel de man daartoe geen aanleiding gaf, zoals zijn vriend Jonatan aan zijn vader Saul trachtte uit te leggen. Dat leidde ertoe dat David zich schuil moest houden op een plek buiten de stad. Hij vroeg de hulp van Jonatan om uit te zoeken of de koning het werkelijk op zijn leven had voorzien. De prins zegde zijn medewerking toe.

Hier beging de haftara met vers 18, waarin  - zie het verband - de nieuwe maan wordt vermeld: ‘Daarna zei Jonathan tegen hem: Morgen is het nieuwemaan (machar chodesj); dan zul je gemist worden, want je zetel zal leeg zijn’. Op de eerste dag van de nieuwe maand zat de koning immers altijd met zijn staf aan een feestmaal aan. Rondom dit gegeven werd een plan gesmeed. David was er deze nieuwemaansdag dus niet bij. Op de tweede dag van het nieuwemaansfeest merkte de koning dat David alweer afwezig was en vroeg een verklaring.  Jonatan zei volgens plan: David was op familiebezoek in Betlehem. De vrienden hadden afgesproken: als de koning dit zou accepteren was er niets aan de hand, als hij razend zou worden zou het duidelijk zijn: David was ten dode opgeschreven. Het laatste was het geval: de koning kreeg een woedeaanval, viel uit tegen Jonatan en beval David onmiddellijk op te sporen. Jonatan ging de volgende dag de stad uit en schoot drie pijlen af op een rots in de buurt van Davids schuilplaats. Als er geen gevaar voor David zou blijken te zijn zou hij naar de schildknaap die de pijlen moest oprapen roepen: dichterbij! Was Davids leven in gevaar dan zou hij roepen: verder weg! Dat laatste deed hij dus nu Sauls voornemen duidelijk was: David moest vluchten voor zijn leven. Toen de schildknaap was weggestuurd kwam David tevoorschijn, hevig geëmotioneerd.  (20:41) ‘Hij wierp zich met het gezicht ter aarde. Hij boog zich driemaal, zij kusten elkaar, en huilden met elkaar, totdat David zich vermande’.
Zo namen ze afscheid van elkaar, zworen elkaar nog eenmaal trouw en hebben elkaar nooit meer gezien.(2)

David heeft daarna jarenlang een leven geleid als een niets en niemand ontziende roverhoofdman van een bende getrouwen met wie hij vele plundertochten ondernam. Af en toe zette Saul de jacht op zijn vermeende concurrent weer voort, maar kreeg hem nooit te pakken. Jonatan bleef zijn vader trouw. Jaren later verloor Saul een grote slag tegen de Filistijnen, waarbij hij sneuvelde. Ook Jonatan kwam daarbij om het leven.
Toen David daarvan hoorde hief hij een klaagzang aan over Saul, de koning die hij altijd ‘als gezalfde door de Eeuwige’ altijd heeft willen respecteren en ondanks vele kansen daartoe nooit heeft willen doden.
Maar het diepste verdriet betrof Jonatan (2 Sam 1,25):
Jonatan ligt gesneuveld op de heuvels. Het verdriet verstikt me, Jonatan, je was mijn broeder, en mijn beste vriend. Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.

De vriendschap tussen David en Jonathan oversteeg de gewone vriendschap, die toch meestal berust op gedeelde belangen, lotgenootschap, aantrekkingskracht of sympathie. Jonathan had geen enkel voordeel van David, integendeel als kroonprins had hij eerder van David voor zijn positie te vrezen. Het was een zielsverwantschap die boven alle belangen uitsteeg en die je zelden aantreft. Hij deed mij denken aan de vriendschap van Michel de Montaigne (1533-1592) voor Etienne de La Boétie, ‘een vriendschap die zo volmaakt en totaal was, dat je iets dergelijks in de literatuur beslist niet gauw zult tegenkomen en waarvan onder onze tijdgenoten al helemaal geen spoor valt te bekennen. Om een dergelijke vriendschap op te bouwen moeten zoveel gunstige omstandigheden samenwerken, dat het al veel is, als zoiets eens in de drie eeuwen voorkomt’, zegt hij in zijn bekende essay ‘Over vriendschap’.(3) De erudiete Montaigne dist een aantal voorbeelden uit de klassieke oudheid op, maar verwonderlijk is dat hij de liefde van David en Jonathan onvermeld laat.

noten

(1) De parasja Bamidbar gaat voornamelijk over de volkstelling die Mozes houdt alvorens op te breken en verder de woestijn in te trekken. De eerste woorden van de reguliere haftara – in dit geval Hosea 2:1 - 2:22 – bij de parasja sluiten daar mooi bij aan (2:1):Maar eens zullen de kinderen van Israël talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, die niet te meten en niet te tellen zijn. En waar tegen hen gezegd is: “Jullie zijn mijn volk niet meer,” zullen ze weer kinderen van de levende God worden genoemd’. De verzen gaan verder met de metafoor van de ontrouwe vrouw, die Israel is.
Commentaren op de parasja Bamidbar zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Aldus zegt de Herziene Statenvertaling. ‘Ze kusten elkaar terwijl hun de tranen over de wangen liepen, tot Jonatan zich vermande’, zegt de Nieuwe Bijbelvertaling. Dat vermannen en wie zich vermant is een problematische vertaling. Het Hebreeuws zegt: ad Dawied higdiel. Het is dus David, die ‘higdiel’, wat elders wordt vertaald met dat David Jonatan in huilen overtrof. Zie ook de Engelse vertaling op sefaria.org en Strongs Hebrew op biblehub.com. De Oude Statenvertaling zegt: tot dat het David gantsch veel maeckte.
(3) Michel de Montaigne, Over vriendschap, vertaling F. de Graaff, in de Revisor,
jaargang 18, p. 90 ev
. Zie ook dit citaat uit het essay: ‘Onze zielen zijn zo eensgezind samen hun weg gegaan en hebben elkaar met zoveel innige genegenheid bezien en elkaar met dezelfde gevoelens tot in het diepst van hun innerlijk doorschouwd, dat ik hem niet alleen even goed ken als mijzelf, maar, waar het mijzelf betreft, nog eerder op hem dan op mijzelf afga’.

RC 2020

 

 

Haftara bij de parasjot Behar-Bechoekotai

Jeremia16:19-17:14

De parasja Bechoekotai (Leviticus/Wajikra 25:1-27:34) begint met de zegen en de vloek: als de geboden worden nagekomen zal het goed gaan, maar als jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen zaleen lange reeks rampen volgen. Ballingschap is een daarvan: ‘En jullie zal ik onder vreemde volken verstrooien; je zult moeten vluchten voor het getrokken zwaard. Je land zal een woestenij zijn en je steden zullen in puin liggen’. (1) Jeremia (Hebreeuws: Jirmejahoe), de tweede van de drie zogenoemde grote latere profeten, profeteerde tijdens de regering van de laatste koningen van Juda (7 e eeuw BCE), vaak met levensgevaar, tegen de wetteloosheid en verval van zeden, verwaarlozing van armen en afgodendienst; hij voorzag dit rampzalig gebeuren -  de verwoesting van de stad en de wegvoering in ballingschap van talloze Judeeërs. -  . Hij maakte het look persoonlijk mee en vluchtte naar Egypte waar hij tot zijn dood actief bleef profeteren.

De haftara uit het boek Jeremia getuigt van een grillige afwisseling in thema’s. Wat aansluit op de parasja zijn de waarschuwingen van ramp en ondergang, zoals
(17:3) ‘Jullie die de stad verlaten en de bergen zoeken, je rijkdom, schatten en offerhoogten laat ik plunderen, om de zonden die jullie overal hebben begaan. Het land dat ik je schonk, zul je moeten verlaten, ik maak je de slaaf van je vijanden in een onbekend land. Want mijn toorn slaat uit als een vuur en zal altijd blijven woeden’.

Maar ook stelt de profeet immorele praktijken aan de kaak, bijv. in 17:11.: zoals een patrijs die de leg van een ander uitbroedt is hij die onterechte rijkdom heeft vergaard

Daartussendoor komen belijdenissen van en oproepen tot godsvertrouwen, die de profeet tussen alle beelden van komend onheil en scherpe confronterende vertogen steeds uitspreekt.
Zo begint het haftara gedeelte met (16:19).‘O Eeuwige, mijn kracht en mijn burcht, mijn toevlucht in tijden van nood. Van de einden der aarde komen alle volken naar u toe. Ze zullen zeggen: “De goden van onze voorouders blijken niets dan bedrog”’.
Voorbij aan alle komende catastrofes voorziet de profeet in verre verten uiteindelijk een grote mondiale wending ten goede. Herkenbaar in zoverre ook wij nu nog steeds in de grootste ellende onszelf en de ander willen bemoedigen met een ‘ooit wordt het beter’ en ‘alles komt goed’. Maar wie zei ooit: het kenmerk van de masjieach (messias) is, dat hij altijd en voor eeuwig komende is? (2)

Het thema vertrouwen houdt de profeet herhaaldelijk bezig. Wie alleen op de eigen kracht van mensen vertrouwt en niet op de Eeuwige is als een dorre struik in de woestijn, maar wie vertrouwt op de Eeuwige is als een boom geplant aan water.
Een markant vers pleit voor de erkenning, dat we onszelf en onze aandriften eigenlijk amper kennen. (17:9)  ‘Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie zal het kennen? Ik, de Eeuwige, ben het die het hart doorgrondt, die nieren toetst, die ieder naar zijn levenswandel beloont, aan ieder geeft wat hij verdient’.
Dat verdienen moeten we denk ik niet zien als een materiele beloning of een plekje in de hemel maar als een gerust en vreedzaam gemoed aan het eind van het leven.

Ik beluister in deze oude woorden een aanmoediging om de grenzen van de menselijke maakbaarheid te erkennen, een reminder de beperktheid van onze zelfkennis te aanvaarden en een aansporing om open te staan voor de mogelijkheid van groei in de kwaliteiten van geest en ziel.
Wie voldoende innerlijke grond heeft waarop hij of zij kan staan kan de moed hebben om zijn of haar onvolmaaktheid onder ogen te zien.(3)
Dan heeft de smeekbede van vers 17:14 waarmee de haftara besluit een bijzondere kracht:

‘Genees mij, Eeuwige, en ik zal genezen worden,
verlos mij, en ik zal verlost worden,
want U bent mijn lofzang’.

Dit vers is opgenomen in de achtste zegenspreuk van de doordeweekse versie van het dagelijks gebed (de Amida ofwel het Achttiengebed)

noten
(1) Commentaren op de parasja Behar en Bechoekotai zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Ik meen dat de filosoof Jacques Derrida hier uitgebreid over heeft geschreven.
Ik vond het volgende citaat: Voor Derrida alsook voor Levinas komt er een fundamentele transformatie van de menselijke conditie nooit. De messias is niets anders dan de plek of niet plek waarvandaan voortdurende profetische kritiek komt en voortdurend gevecht tegen ‘sociaal onrecht’. Hij is altijd en voor eeuwig komende.(uit ed. Asher en Gad Horowitz, Difficilult Justice, Commentaries on Levinas and politics)
(3) Ik bedoel met ‘eigen onvolmaaktheid’ dus niet het ontbreken van eigenwaarde, dat het zelfgevoel ondermijnt maar een reële inschatting van de eigen plek op de levensweg

Haftara bij de parasja Emor

Ezechiël 44: 15-31

Ezechiël (Jechezkel) profeteerde aan de rivier de Chebar in Mesopotamië als balling door de geest bevangen doem en retributie voor Jeruzalem, Israël en de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten. In het derde deel van het boek breken echter vergezichten door over de opstanding en het herstel van Israël in een verre toekomst van messiaanse allure. Beroemd is het visioen over de dode botten die zich weer voegen tot levende lichamen.

In het laatste deel, de hoofdstukken 40-48 heeft de profeet een gedetailleerd vergezicht over de toekomstige tempel in Jeruzalem inclusief alle bijbehorende heilige attributen.

Ezechiel, zelf uit een priestergeslacht, moet ontsteld zijn geweest door het verval van de geestelijke stand rond de tempel in de tijd van de koningen van Juda. Zijn passie is als het ware om ooit terug in Jeruzalem opnieuw te beginnen met een splinternieuwe tempel en een gezuiverde priesterstand. Bijna als een tweede Mozes krijgt hij in visioenen de details voor die tempel doorgegeven samen met de rituelen en de regels voor de priesters (kohaniem). De haftara, de verzen 44: 15-31, handelt over de priesters van de nieuwe tempel en resoneert daarmee op het eerste deel van de parasja Emor (Leviticus/Wajikra 21:1-24:23) waarin Mozes voorschriften geeft over hoe de priesters hun heiligheid voor de cultische diensten dienen te bewaren. Het gaat bijv. over welke huwelijken zijn toegestaan, over hun kleding en uiterlijk, over het aanraakverbod van doden, over wie wel en wie niet mag eten van de offergaven.(1) Ezechiël doet dat in de haftara nog eens dunnetjes over.

Alleen de afstammelingen van Zadok (Tsadok), de hogepriester tijdens de koningen David en Salomo, de enigen die nog enige wetsgetrouwheid hebben betracht, komen in aanmerking. Ook Ezechiël die een goed kenner was van de heilige geschriften heeft het over de kleding van de priesters(linnen) binnen het heiligdom, kapsel (niet kaal, netjes gekapt), gedrag (geen wijn drinken), huwelijk (maagden, geen weduwen of gescheiden vrouwen). Ze zullen ook een onderwijstaak hebben en geschillen beslechten in overeenstemming met de regels van Tora. Contact met dode lichamen is taboe, uitgezonderd die van enkele naaste familieleden. Van alle soorten verplichte en vrijwillige offers en gaven mogen ze eten en ook hebben ze recht op de eerstelingen van de oogst en het vee en ook van het eerste deeg (challa, dat is de eerste betekenis). Onroerend bezit mogen de priesters niet hebben, want
 ‘Ik ben hun erfelijk eigendom. U mag hun in Israël geen bezit geven: Ik ben hun erfelijk bezit.’
Niet ritueel geslachte dode dieren of vogels mogen de priesters niet eten.

De voorschriften van Ezechiël wijken in details af van wat de Tora voorschrijft en laten nogal wat weg. Niet veel later zullen de overgeleverde teksten die zijn collega-priester en geleerde Ezra heeft samengesmeed tot wat wij nu de Tora noemen  richting gevend zijn voor de tweede tempel.

Tot de verwoesting van de tweede tempel in 70 CE hebben priesters grote invloed gehad in het religieuze en politieke leven. Met name de hogepriesters in Jeruzalem hadden een politieke macht die niet veel onderdeed voor die van een koning en soms viel de functie soms samen. Priesters namen in aantal in de loop der tijd tot duizenden toe en woonden overal in Judea; je kan spreken van een priesterstand met aanzienlijke sociale status. Volgens een rooster hadden ze een paar dagen per jaar dienst in de tempel. Op den duur ontstond er een aristocratische elite van in luxe levende hogepriesterlijke families. Van werkelijk religieus leiderschap kon nauwelijks meer gesproken worden. In de eerste eeuw BCE werden hogepriesters zelfs benoemd door de Romeinse gouverneur. Tot de zeloten tijdens de opstand tegen de Romeinen een aantal over de kling joegen en uit hun midden een hogepriester benoemden, Pinchas ben Samuel, een eenvoudige metselaar en familie van de beroemde geleerde Hillel. Dat was de laatste hogepriester in de geschiedenis. De clerus is altijd vatbaar geweest voor corruptie en collaboratie.

Vanaf het begin van de religieuze geschiedenis zien we de priesterlijke stand steeds meer verweven met politieke macht. Tegelijk zien we tegenbewegingen opkomen, die trachten de authentieke spirituele een morele essentie van het Jodendom tegen hen veilig te stellen. Eerst zijn dat de profeten, waarvan wij er vele al de revue hebben laten passeren. Na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap komt er geleidelijk een nieuwe groepering op van deskundigen in de leer, die de Tora weer als leidraad voor de praktijk van het leven in een nieuw licht gaan uitleggen, de farizeeën, de ‘liberalen’ van toen. Na de verwoesting van Jeruzalem gingen zij over in de geleerden van de Talmoed en legden de basis voor wat wij nu het rabbijnse Jodendom noemen. Rabbijnen zijn geen geestelijken, maar leraren.

Toch zijn de priesters niet verdwenen. In talloze families is de afstamming van priesters van generatie op generatie overgeleverd, wat tot uiting kan komen in de naam Cohen, Cohn, Cahen, Katz en vele andere varianten. Ze worden in de dienst als eerste voor de Toralezing opgeroepen en mogen (althans in de orthodoxie) de priesterzegen uitspreken; ook het contact met een dode is voor hen taboe en op begraafplaatsen zijn speciale voorzieningen getroffen om hun aanwezigheid mogelijk te maken.

Noten
(1) Commentaren op de parasja Emor zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Een uitgebreid overzicht van de geschiedenis van het priesterdom vond ik in de Jewish Encyclopedia Vol 13 ed 1972  p.1082 ev

Haftara bij de parasjot Acharee Mot-Kedosjiem

Amos 9 :7-15

De parasjot Acharee Mot-Kedosjiem (Leviticus/Wajikra 16:1–20:27) van deze week gaan resp. over de grote verzoendag,  priesterlijke reinheid en (in hoofdstuk 19) belangrijke morele voorschriften over goede en rechtvaardige omgang tussen mensen.  
De haftara bij deze parasjot bestaat uit de laatste acht verzen van hoofdstuk 9 van het boek Amos. Amos, de eerste van de zogenoemde late profeten die hun woorden op schrift hebben gesteld (of laten stellen), was een klokkenluider van zijn tijd - het woelige Midden-Oosten in de 8e eeuw BCE. Hij stelde de kloof tussen arm en rijk, uitbuiting, corruptie en schijnheiligheid van zijn wereld, het toen tamelijk welvarende noordelijke rijk Israël, aan de kaak en kreeg daaromtrent een aantal visioenen.
De haftara is het sluitstuk van zijn profetieën.
Nadat in de eerste helft van hoofdstuk 9 Amos nog eens in een vergezicht veel destructie en ellende voor Israël heeft gezien nemen zijn woorden een wending:
 7Bent U niet als de Cusjieten
voor Mij, Israëlieten?
spreekt de Eeuwige
Heb Ik Israël niet weggeleid
uit het land ​Egypte,
de Filistijnen uit Kaftor
en de Syriërs uit Kir?
Hier ligt waarschijnlijk een link met de parasja Kedosjiem. De woorden uit dit vers geven een tegengewicht tegen de hoogmoed die de Israëlieten zouden kunnen ontlenen aan een passage zoals die in Leviticus/Wajikra 20:26: U moet ​heilig​ voor Mij zijn, want Ik, de Eeuwige, ben ​heilig. Ik heb u van de volken afgezonderd om van Mij te zijn. De Israëlieten moesten niet denken dat ze zo bijzonder onder de volken zijn. De Cushieten (Ethiopiërs) lijken door de profeet at random gekozen als volk, waar God ook naar omziet, al heeft Rasji een verklaring met een beroep op Jeremia (Jirmeja): zoals de donkere kleur van de huid van de Ethiopiërs aan hen vastkleeft, zo kleven ook Israëls zonden hardnekkig aan hen vast.  God heeft de Israëlieten weliswaar geholpen om uit Egypte te vertrekken, maar ze zijn niet de enigen; hij heeft ook de Filistijnen uit Kaftor (Kreta) geholpen om Gaza en omstreken te bezetten en wat betreft de Syriërs (Arameeërs): Amos profeteerde eerder, dat ze naar Kir zullen worden weggevoerd, maar hij voorziet kennelijk (Rasji’s uitleg volgend) dat ze weer uit Kir worden teruggebracht. Toch heeft de Eeuwige deze volken niet (Lev. 20:26) afgezonderd om van Mij te zijn. Dat geeft echter dus geen zekerheid, dat goddelijke bijstand in nood in alle omstandigheden is gegarandeerd. Integendeel, juist die speciale opdracht om een heilig volk te zijn door de toevertrouwde voorschriften van de Tora te volgen maken het niet makkelijker. Het is als een klas met leerlingen. De onderwijzer of onderwijzeres houdt van alle leerlingen, maar eentje krijgt extra bijles van meester of juf; als hij of zijn er een potje van maakt is de mislukking des te groter.

Amos voorziet echter ook een uiteindelijke goede afloop. Hiermee zet hij het paradigma voor de latere profeten: eerst komt de berisping, dan de rampen voor het ongehoorzame volk, dan een vorm van ommekeer (tesjoeva) en een visioen voor herstel van tenminste een overblijfsel van het volk in een voorspoedig en welvarend land.
Het lijkt wel of hij het heeft over het Israël, dat in de vorige eeuw tot nieuwe bloei kwam:

9:14-15 Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de
wijn ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.
15Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de Eeuwige, uw God.

 Hoe zou hij reageren op het Israël van nu – en breder, op de wereld van nu?

RC 2020

naschrift

1. In de tijd van Amos waren er nog geen ‘Joden’, hoewel je die term vaak in commentaren  op teksten daterend van voor de ballingschap tegenkomt. Er waren bewoners van het noordelijke koninkrijk Israël (in bijbelteksten ook wel Jozef en Efraïm genoemd). De tien stammen die het rijk vormden zijn door de Assyriërs weggevoerd en uiteengevallen. We komen hen in de geschiedenis niet meer tegen behalve op duistere websites waarop mensen beweren af te stammen van de verloren stammen. Daarnaast had je de bewoners van het koninkrijk Juda (Judeeërs), bestaande uit de stam Juda waarin de stam van Simeon (Sjimon) was opgegaan en de stam Benjamin. Joden ontstonden in de ballingschap, toen de Judeeërs en de Benjaminieten samenbleven in Babylonie en een groot deel na de ballingschap naar Judea terugkeerde. We moeten ook de stam Levi deels meetellen, dus de met hen mee verbannen Levieten en priesters.

2. Het is velen opgevallen, dat als beloning van getrouwheid aan de voorschriften van de Tora bijv. in Deuteronomium en bij de profeten altijd alleen materiele zaken worden genoemd: welvaart, goede oogsten, tijdige regens, volle akkers, rijke wijngaarden, veel kinderen en overwicht op mogelijke vijanden. Waarom worden nooit spirituele beloningen beschreven, zoals wijsheid, verlichtheid, en – voor het rabbijnse Jodendom een item van belang -  een leven na de dood (olam ha-ba)? Dat zijn toch de belangrijker zaken waar het om gaat. Rabbijnen hebben die vraag vaak gesteld. Veel te kort samengevat: je leest bijvoorbeeld over de opvatting, dat het voor de Tora zo vanzelfsprekend was, dat de ziel van de goede mens voortleeft na de dood, dat het niet nodig was dit expliciet te vermelden.
Maimonides stelt (Hilchot Tesjoeva 9:1) dat al die materiele zegeningen niet het doel zijn, maar het middel. Alleen in goede materiele omstandigheden heb je de tijd en de rust om Tora te studeren, wijsheid te vergaren, je te ontwikkelen en je verzekerd te weten van een plek in de komende wereld. Al in deze wereld (olam hazè) kan je een voorproef van de nabijheid van de Eeuwige ervaren. Zie de samenvatting van de rabbijnse discussie bij Nechama Leibowitz.

3. Twee opmerkingen: de Tora richt zich in de regel tot het collectief, is minder gefocust op het indidividu, dat nog niet zo als bepalende entiteit uit het collectief springt als in de individualistische moderniteit.  Het welzijn en de (spirituele) ontwikkeling van het individu is ingebed in het collectieve proces.
Ten tweede is een paradigma van een straffende en belonende goddelijke autoriteit, heel onbevredigend geworden en niet meer houdbaar. Over hoe het wel werkt, laten we daar vol nieuwsgierigheid naar zoeken, over twijfelen, over antwoorden en dan weer open zijn voor nieuwe twijfel en nieuwe antwoorden. Want één ding is duidelijk: wij zijn maar een heel klein onderdeel van de schepping en de schepping is oneindig veel groter, ruimer, complexer dan wij zelfs met onze moderne wetenschap kunnen bevroeden. Laat ik Emmanuel Levinas parafraseren (uit een interview met France Guwy). Hij vat hier heel pregnant samen, waar het op aankomt: Het beroep dat mijn medemens op mij doet spreekt tot mij als een inbreuk op mijn natuurlijke neiging om alles om mij heen uitsluitend te zien, te duiden en te organiseren in het licht van mijn eigen lust of belang. Die potentiële goedheid, die in de mens geraakt wordt door (het gelaat zoals Levinas zegt van) de ander is eerder de weg naar het goddelijke dan het omgekeerde: dat hij tot het goede komt, uitgaande van een God. Ik zou zeggen, dat deze potentiele - Levinas zegt zelfs aangeboren – goedheid van de mens resoneert in de Tora, althans zeker in het ethische deel van de voorschriften, zoals die zijn neergelegd in bijv. hoofdstuk 19 van de parasja Kedosjiem

Haftara bij de parasjot Tazria-Metsora

Jesaja 66:10-23

De parasja Tazria (Wajikra/Leviticus 12-14) handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over de huidziekte tsaraät, vermoedelijk een vorm van melaatsheid. Het is aan de priester om de diagnose te stellen en de verschillende reinigingshandelingen te verrichten. In de volgende parsje Metsora (Wajikra/Leviticus 14-16) volgen vergelijkbare reinigingsprocedures voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsaraät en voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen.(1)

Het is logisch, dat dan een parallel met melaatsheid wordt gezocht in het boek Neviïem (Profeten) en zo komen we als haftara bij het mooie verhaal in 2 Koningen 4:42-5:19 over de genezing door de profeet Elisja van Naäman, de Aramese generaal, die leed aan melaatsheid (metsora). Maar nu hebben we deze week een andere haftara, Jesaja 66:10-23. Als een sjabbat valt vlak na of op het begin van een nieuwe maand (Rosj Chodesj) wordt er een andere dan de reguliere haftara gekozen.  Dat is nu het geval. De maand Niesan is afgelopen en nu begint de maand Ijar

De verzen van deze haftara vormen het sluitstuk van het boek Jesaja. Ze zijn vermoedelijk geschreven onder de naam Jesaja door een man die eeuwen later leefde dan de Jesaja van het eerste deel van het boek. Hij moet het einde van de Babylonische ballingschap hebben zien aankomen of heeft hem zelfs meegemaakt. 

Bij monde van deze Jesaja propageert de godheid en maker van alles nog eenmaal zijn grootheid. De hemelen zijn zijn troon en de aarde zijn voetenbank. Een tempel heeft hij niet nodig en de rituele offers van hypocrieten en kwaaddoeners verafschuwt hij, maar wel ziet hij om naar de arme die berouw heeft en naar Zijn woord luistert. Maar de spotters en zij die voor het kwaad kezen zullen hun trekken thuis krijgen (2)

Maar dan verandert de toon en komt de profeet met een letterlijk beeld van verlossing. Zoals een vrouw zwanger is en de geboorte van het kind aanstaande, zo zal Israël uit de ballingschap geboren worden in een snelle bevalling, een geboorte zonder weeën. Het is met dit ongebruikelijke vrouwelijke beeld van een moeder, dat de Eeuwige zich hier als een vroedvrouw ontpopt. En niet alleen wedergeboren wordt Israel, het zal ook bloeien en welvaren en goddelijke bescherming geniete tegen de vijanden die tegen Israel zullen optrekken.

De tekst krijgt nu steeds meer eschatologische trekken. Er wordt in vlammende bewoordingen gerept van een eindstrijd te vuur en te zwaard en een eindoordeel over kwaaddoeners en rechtvaardigen. De rabbijnen (zoals Rasji) zien parallellen met Ezechiël hfst 38, waarin de profeet een visioen heeft over hoe de gezamenlijke volken onder leiding van Gog van Magog tegen Israël zullen optrekken en het onderspit zullen delven, getroffen door een vreselijke natuurrampen en ziekten.
Na deze strijd ziet Jesaja in een groots vergezicht de terugkeer van de Joden uit alle delen van de wereld (een kiboets galoejot) zich voltrekken. Diep onder de indruk van de macht van de Eeuwige zullen de volkeren de bij hen wonende Joden terugbrengen (66:20) ‘op paarden en op wagens, met huifkarren, op muildieren en op snelle ​kamelen, naar Mijn ​heilige​ berg​ toe, naar ​Jeruzalem, zegt de Eeuwige, zoals de Israëlieten het ​graanoffer​ in ​rein​ ​vaatwerk​ naar het ​huis​ van de Eeuwige brengen.’

Het boek eindigt met het visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (vers 22)  waarop elke ​nieuwe maan​ ((3) en elke ​sabbat​ alles wat leeft opnieuw naar Jeruzalem zal komen ‘om zich voor mij neer te buigen – zegt de Eeuwige’,  aldus de profetie van Jesaja’. Het is een beeld, waarin alle naties zich zullen verenigen rond een (symbolisch) Jeruzalem. Het is wellicht een wat judeocentrisch beeld van de eindtijd, maar het idee dat alle naties in één groot spiritueel basisverbond (met allerlei verscheidenheid in uitwerking) verbonden zijn, spreekt dat niet aan?

De visoenen van eindstrijd en eindoordeel in Ezechiël, Jesaja (en ook Daniel) klinken nog na in het Tweede Testament waar Johannes in het boek Openbaringen op Ezecheliaanse wijze eerst de catastrofale veldslag tussen de goeden en de kwaden in Armageddon (4) heeft beschreven en daarna de eindstrijd met de satanische legers van Gog en Magog. In de christelijke traditie heeft de apocalyptische literatuur grote invloed gehad en nog steeds, vooral in meer sektarische en evangelicale kringen, waarin het op handen zijnde Armageddon wordt geassocieerd met de acceptatie door alle Joden van Christus als messias.

Ik denk, dat we apocalyptische visioenen moeten toetsen aan een nuchtere kennis van de mens. Deels komen de fantasierijke beelden van een verenigd Joods volk en een verenigd en gezuiverd mensdom voort uit een authentiek verlangen in de diepten van de ziel naar een wereld van rechtvaardigheid en vrede, waarin het kwaad is bedwongen. Deels komen de beelden van genadeloze afrekening met bliksemend vuur, flitsende zwaarden en vreselijke ziekten voort uit bronnen van angst, ressentiment, overmatig zondebesef en onzekerheid, vooral in tijden van onderdrukking en rampen. Die bronnen zijn maar al te menselijk, een echte leidraad voor ons leven bieden deze horrorbeelden niet; ze vinden tegenwoordig een betere uitweg in goede romans en in de volkscultuur van spannende films.

De afgelopen week hebben we een dieptepunt in de Joodse geschiedenis herdacht, de Sjoa (Jom Ha-sjoa we-hagevoera). In de komende week herdenken we een hoogtepunt, Onafhankelijksdag (Jom ha-Atsmaoet). De sjabbat wordt ook wel Sjabbat Tekoema genoemd (sjabbat van de stichting) en dan wordt in sommige synagogen ook Deuteronomium/Devariem 8:1-10 gelezen, waarin Israël op het hart wordt gedrukt ook in betere tijden God en zijn geboden niet te vergeten en waar als haftara Zacharia/Zecharja 8 :1-19 wordt gelezen, waarin een profetisch en messianistisch beeld van een hersteld en vredig Jeruzalem wordt geschetst.

noten
(1) Commentaren op de parasjot Tazria en Metora zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Dit is mijn parafrase van het onduidelijke Hebreeuws, dat meerdere uiteenlopende rabbijnse uitleggingen heeft opgeleverd
(3) Die nieuwe maan is  waarschijnlijk de link met Rosj Chodesj
(4) Grieks-Romeinse verbastering van har Megiddo, de heuvel van de stad Megiddo, waar vroeger vele veldslagen zijn uitgevochten

 

Haftara bij de parasja Sjemini

2 Samuel 6:1-19

In de parasja Sjemini (Leviticus/Wajikra 9:1 - 12:1) brengen Nadav en Avihoe, de twee oudste zonen van Aharon, tijdens de plechtige inwijding van de tabernakel impulsief en in extase een reukoffer met ‘vreemd vuur' (eesj zara), een vurige daad waarom de Eeuwige niet gevraagd had. De twee overenthousiaste zonen worden door een vuur uit de hemel verteerd en komen om tot schrik en ontsteltenis van de menigte. Wat heeft de Eeuwige aan hun zo toegewijd gebracht reukoffer niet behaagd? Wat hebben ze verkeerd gedaan?

De plotselinge dood van Nadav en Avihoe vindt een parallel in de haftara uit het tweede boek Samuel. Daar speelt zich een vergelijkbaar incident af. De nog jonge koning David wilde na een succesvolle veldtocht tegen de Filistijnen de heilige ark terughalen van de plek waar hij na zijn verblijf in Filistijnenland was terecht gekomen (1). Twintig jaar had hij gestaan bij Avinadab in het dorp Kirjat Jeariem. De ark werd opgeladen op een splinternieuwe wagen met een os ervoor en begeleid door de twee zonen van Avinadab, Uzza en Achio. Vergezeld door een dansende David en een leger van 30.000 man en veel muziek ging de ark op weg naar Jeruzalem. Op een bepaald moment struikelde de os. Blijkbaar dreigde de wagen te kantelen. De man Uzza strekte zijn hand en greep de ark vast uit om hem voor vallen te behoeden. We citeren vers7: Toen ontbrandde de toorn van de Eeuwige tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ​ark​ van God.’

Dat roept vragen op en wekt verontwaardiging over deze onbillijk lijkende goddelijke sancties. Ook David werd aanvankelijk kwaad over de gewelddaad tegen Uzza (vers 8). In het geval van Nadav en Avihoe zijn er nog wel nog wel een aantal verklaringen te construeren. In theïstische termen uitgedrukt: God houdt niet zo van fanaten die in extatische vergetelheid de zorgvuldige regels omtrent benadering van het heilige overtreden. (3)
In het geval van Uzza ligt het moeilijker. Hij wilde de ark voor vallen behoeden. Wat heeft deze arme trouwe dienaar nu verkeerd gedaan? Ook de rabbijnen van de Talmoed hebben zich het hoofd gebroken over de vraag wat de onbedachtzaamheid – in het Hebreeuws sjal (4) -  van Uzza was. (5) Rabbi Jochanan (3e eeuw CE) zegt, het was onachtzaamheid, omdat de goede man was vergeten, dat de ark zichzelf draagt. Want ga maar na het boek Jozua: het volk betrad het beloofde land en stak droogvoets lopend de Jordaan over. Toen sloten de wateren zich weer en droeg de ark die nog aan de ene kant stond zichzelf en de priesters vliegend over het water naar de overzijde, zo was Jochanans uitleg (6). Een andere geleerde, Rava (4e neeuw), legt de schuld bij David zelf. De koning had het vervoer van de ark te licht opgevat; hij had uit de Tora moeten weten, dat de heilige ark niet in een wagen mag worden vervoerd maar door de levieten moet worden gedragen (7) en nu is dit zijn straf.

Nu weten wij tegenwoordig beter dat een correlatie tussen twee gebeurtenissen in tijd niet altijd een causale relatie hoeft te betekenen (post hoc ergo propter hoc). Uzza’s aanraken van de ark en zijn dood vlak daarna kan toeval zijn geweest. Misschien had hij een hartafwijking en werd de schrik hem fataal. Door de aanwezigen en late verklaarders werd het als een negatief wonder (straf) ervaren. Een begrijpelijke reactie. De plotselinge en ontijdige dood van een verdienstelijk mens dringt ons tot wanhopige vragen naar het waarom, toen en nu. Ieder antwoord lijkt beter dan het bitter besef, dat het louter toeval is. Maar misschien is het een vorm van (al dan niet religieuze vaak moeizaam verworven) levenskunst het toeval te laten zijn voor wat het is en onze boosheid, wanhoop, verbijstering erover te aanvaarden in een vorm van overgave, die zich dan pas kan onthullen als betekenis.

Koning David was aanvankelijke boos, maar daarna werd hij bevreesd. Hij liet de ark drie maanden lang staan bij een man genaamd Oved-Edom, die opeens met allemaal weldaden werd gezegend. Toen pas waagde de koning een nieuwe etappe en nam het vervoer van de ark met zijn onberekenbare effecten weer op. Nu werd de ark inderdaad gedragen door levieten. Na iedere zes stappen werd er een stier en een koe geofferd (dat moet hele kudden hebben gekost). Hij bracht de ark niet naar zijn oorspronkelijke tabernakel in Sjilo, maar plaatste hem in een tent in Jeruzalem. Daar vatte hij het plan op om een tempel te bouwen, hetgeen pas door zijn zoon Salomo zou worden verwezenlijkt. (7)

De ark van het verbond heeft vele eeuwen in de tempel gestaan in het heilige der heiligen. In het begin van de periode van de Babylonische ballingschap is hij verdwenen, opgelost in de mist van de geschiedenis. Verschillende legenden zijn van oudsher in omloop. Ligt hij begraven in de tempelberg of verscholen diep in een grot aan de Dode Zee? Rust hij in de kerk van de heilige Maria in het Ethiopische Aksum? Of in Rome, in de Aartsbasiliek van Sint-Jan van Lateranen? Daar zou hij gelegen kunnen hebben in de rijke fantasie van schrijver Harry Mulisch in zijn ‘Ontdekking van de Hemel’, een boek met een pessimistische ondertoon, waarin aan het slot de letters van de Tien Geboden de aarde hebben verlaten.  In de hedendaagse volksmythologie is de ark en zijn stenen tafelen niet verdwenen en nog steeds een bron van inspiratie voor literatuur en malle maar spannende films als Raiders of the lost Ark. De geest van de tien geboden tracht in allerlei moderne vormen in onze (westerse) cultuur te overleven. Hij heeft onze moraliteit diepgaand beïnvloed ondanks altijd werkzame tegenkrachten van amorele ideologieën.

Noten
(1) Hoe hij daar terecht is gekomen wordt beschreven in 1 Samuel 6
(2) Zie over verklaringen van Chazal (de Oude Wijzen) o.a. Wajikra Rabba 20: 8 en 9 en het commentaar op mijn website en in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA deel 2, p. 44
(3) In het Hebreeuws komt het woord sjal, dat is vertaald met onbedachtzaamheid, onachtzaamheid, vergrijp of indiscretie maar één keer voor in Tanach, nl op deze plaats (tps://biblehub.com/hebrew/79)
(4) Uit de uitgebreide rabbijnse discussie in he Talmoed tractaat Sota 35a
(5) Zie Jozua 4:18 (in combinatie met vers 11); de Hebreeuwse tekst maakt deze geforceerde uitleg met enige moeite mogelijk. De Talmoed kent nog niet de latere preutsheid in taal en gedachten: een andere uitlegger R. Elazar meent, dat Uzza in het aanzicht van de ark zijn kleed heeft opgetild en zijn behoefte heeft gedaan…
(6) Numeri/Bamidbar 7:9
(7) De overgang van tent (tabernakel) naar tempel is een evolutie met twee gezichten. Het is een ontwikkeling van eenvoud naar complexiteit, van onschuld naar sophistication, van innerlijkheid naar uiterlijkheid.

Pesach overdenking 2020

Pesach is het feest waarin de bevrijding meer dan drieduizend jaar geleden van de Israëlieten uit Egyptische onderdrukking wordt herdacht. De afstammelingen van Jacob, de Israelieten, ooit in Egypte aangeland op de vlucht voor hongersnood, waren in de loop van ruim vierhonderd jaar uitgegroeid tot een groot volk, maar gaandeweg tot slavernij gebracht en steeds wreder door de Farao onderdrukt; onder brandende zon moesten de slaven zwoegen tot de uitputting toe, tranen van wanhoop werden vergoten. Maar de tien plagen brengen de Farao uiteindelijk tot hun vrijlating van de slaven.

Ons land en de wereld ondergaan nu een grote plaag, van een tot nu toe onbekend virus. De hele wereld is in zekere zin als het bijbelse Egypte. Egypte, vertaald in het Hebreeuws, is Mietsrajiem.  Er zit het woord ’tsar’ in, dat betekent ‘nauw’. Het woord is een dualis, een tweevoud van ‘meetsar’, benauwenis, zee-engte. Eigenlijk betekent Egypte ‘twee benauwenissen’. De wereld lijdt ook aan twee benauwenissen. Letterlijk lijden een groot aantal mensen aan de adembenauwenis van de door een virus aangetaste longen en wij voelen de angst om de ziekte te krijgen; van overheidswege daartoe dringend verzocht sluiten we ons op in een onzichtbare cel van anderhalve meter afstand.
De tweede benauwenis is de angst van heel veel mensen voor een economische crisis in wording en de onzekerheid over hoe we het materieel gaan redden komt op ons af.
We leren weer het verlangen naar bevrijding uit benauwdheid kennen. We hopen met de dag meer onze cel te mogen verlaten zodat we weer vrijuit kunnen ademen, onbekommerd naar buiten kunnen, onze geliefden weer in de armen kunnen sluiten. We staan te springen om onze dagelijkse activiteiten om brood op de plank te krijgen weer op te vatten of zonder zorgen te kunnen uitoefenen.
We verlangen naar de vrijheid van voor de Coronaplaag.
Maar waren we toen eigenlijk wel vrij?
De Hebreeuwse slaven waren duidelijk niet vrij. Ze waren gevangen in een hiërarchisch systeem en als slaven werden ze opgejaagd in een genadeloze productierace van bouwstenen voor steden en paleizen van de farao. Ze kregen slaag en veel te weinig te eten en hun kinderen werden hen afgenomen en gedood. Zo erg is het met ons in het grootste deel van de wereld niet. Wel zijn ook wij meer onmerkbaar in een productie- en consumptiesysteem gevangen, het kapitalisme. In ons woont zowel een slavendrijver als een slaaf. Bij de een is het meer de slavendrijver, die de overhand heeft, bij de ander is het meer de slaaf. Ieder draagt heel Egypte in zich.  We worden door elkaar in het systeem gehouden, een systeem waarin we keihard moeten werken om te consumeren en keihard moeten consumeren om aan het werk te kunnen blijven.  

We worden niet fysiek gemarteld en komen niet om van de honger. Integendeel. We worden verleid tot productie en consumptie van een overvloed aan producten die we meestal zorgeloos consumeren, goedkope etenswaren, ontelbare gadgets, verre exotische reizen. We worden constant aangespoord om steeds nieuwe dingen en diensten te kopen, zodat de economie op gang kan blijven en winsten gegarandeerd blijven. De meesten van ons althans in Europa voelen zich best senang omgeven als we zijn door een staat en een gezondheidszorg die ons in de regel opvangt bij tegenslag.  

De corona heeft een spaak gestoken in het steeds voortdraaiende wiel van deze vicieuze cirkel. Het heeft ons voor het blok gezet, zet ons tot denken aan. Onze onzichtbare cel van 3 meter breed en 3 meter lang dwingt ons tot reflectie op dieper niveau over onze plek in het leven en over onze relatie met medemens en maatschappij. De discussie over wat er mis ging en hoe het beter moet gaan worden zijn al begonnen. De plagen van de bijbel doen denken aan de huidige verstoringen van het ecologisch evenwicht. Denk bv aan de milieuvervuiling of het massaal ophokken en doorfokken van dieren. Het ongelimiteerde reizen en wereldwijd handelen werkt globale verspreiding van virussen en bacteriën in de hand.

De Israëlieten, de slaven van toen, is het gelukt was om te ontkomen aan de farao en zijn leger. Toen ze na de doortocht door de rietzee in de weidse leegte van de woestijn beland waren, lachte een eindeloze openheid van mogelijkheden hen toe. Ze konden nu als vrije mensen en nieuw samenleving gaan vormen. Ook onze wereld wordt nu mijns inziens een kans geboden om het leven en de samenleving op een andere manier vorm te gaan geven

RC april 2020

Haftara bij de parasja Tsav, sjabbat ha-gadol

Malachi 3:4-24

Deze sjabbat is het de sjabbat ha-gadol, de grote sjabbat. Zo wordt de laatste sjabbat voor Pesach genoemd. Waarom is niet duidelijk, misschien wegens het noemen van de ‘grote en ontzagwekkende dag’ (des oordeels) aan het slot van Malachi 3:4-24, de verzen die in vrijwel alle liturgische tradities dan als haftara worden gelezen, ook als een andere parasja dan de parasja Tsav (1) die nu aan de orde is valt op deze sjabbat. De link met Tsav (Leviticus /Wajikra 6: 1-8:36), waarin de tempeloffers, die in de parasja Wajikra al werden beschreven, nog eens opnieuw worden doorgenomen, is dan ook mager; alleen het vernieuwde graanoffer wordt in het begin van het haftara-gedeelte genoemd.

Malachi -  ‘mijn engel’, vermoedelijk een pseudoniem - was de laatste profeet van de zogenoemde twaalf kleine profeten. Hij leefde in de tijd toen de tweede tempel was opgebouwd in het weer opnieuw door Joden bewoonde Jeruzalem. Het boek is de laatste profetische donderpreek die in Judea over de mensen worden uitgestort. Kennelijk zag hij alweer nieuwe rituele en morele missstanden ontstaan; de offerdienst werd verwaarloosd, de priesters gaven geen goede uitleg, de mannen bleven niet trouw aan hun vrouwen.
In het nu aan de orde zijnde hoofdstuk drie verschijnt een nieuwe gestalte in Malachi’s vergezicht:  mijn bode (er staat letterlijk: malachi van malach, bode, afgezant, engel), die de weg zal bereiden voor de komst van de Almachtige persoonlijk. Deze bode of afgezant zal met name de in het slop geraakte tempeldienst en haar lakse levieten zuiveren ‘als iemand die zilver smelt en het zuivert’. In het christendom denkt men, dat met de bode de Johannes uit het Tweede Testament wordt bedoeld. Waarschijnlijker is dat dit verwijst naar de komst van Elia, die in vers 23 wordt aangekondigd. Als dan die zuivering heeft plaatsgevonden, dan zal ‘het ​graanoffer​ van Juda en ​Jeruzalem voor de Eeuwige aangenaam zijn’ als vanouds, zoals staat in vers 4, het begin van onze haftara. Daarna zal ook de Eeuwige persoonlijk komen voor wat niet anders dan een angst inboezemende dag des oordeels genoemd kan worden. Wie moeten vooral dan hun hart vasthouden?
3:5 (NBV) Tovenaars en echtbrekers, mensen die ​meineed​ plegen en mensen die hun dagloners uitbuiten, en allen die ​weduwen​ en wezen​ onderdrukken en ​vreemdelingen​ geen plaats gunnen. Want geen van allen hebben zij ​ontzag​ voor mij – zegt de Eeuwige van de hemelse machten.

Als iemand ontzag voor de Eeuwige, godvrezendheid (godsvrucht met een archaisch woord) had kon je erop aan, dat hij of zij betrouwbaar, eerlijk, gastvrij, was. (2) Een waarachtig godvrezend mens geeft zijn tienden (ontduikt geen belastingen), blijft bi zijn vrouw, verkoopt geen leugens, is geen kwaadspreker, geen oplichter, ziet om naar zijn behoeftige medemens en bij hem of haar ben je veilig als gast. God was (of is voor wie wil geloven) de absolute autoriteit die de mensen nodig hadden (en vaak nog hebben) om dit gedrag over een hele gemeenschap ingang te doen vinden ten einde een leefbare samenleving mogelijk te maken. De hem toegedichte almacht hield (en houdt voor sommigen nog steeds) in, dat hij ‘goddeloos’ gedrag (op den duur) zou bestraffen en godvrezend (vroom) gedrag (op den duur) zou belonen. Voor de meer mystiek angehauchte is ontzag voor de Eeuwige losgemaakt van straf en beloning en verwijst naar ervaring van eigen nietigheid tegenover de schepper van de kosmos en schenker van levend bewustzijn.
Toch is het maar al te begrijpelijk, dat ook in de tijd van Makachi de twijfel van de vromen aan de steeds maar uitblijvende beloning voor hun goed gedrag toesloeg:
NBV 3:14 (…) ‘Wat heeft het voor nut om God te dienen, wat hebben we eraan dat we zijn voorschriften in acht nemen en ons in een boetekleed hullen voor de Eeuwige van de hemelse machten? We moeten de hoogmoedigen wel gelukkig prijzen, want wie zich goddeloos gedraagt gaat het voor de wind, en wie God beproeft komt er goed vanaf!’  
Dit gevoel van blijkbare grote willekeur in de verdeling van wel en wee, geluk en ongeluk, is van alle tijden.

Het paradigma van beloning voor ‘goed’ gedrag (goede oogst, welvaart) en straf voor ‘slecht’ gedrag (ziekte nederlaag, ballingschap, ondergang) is toch veel te simpel, meestal onwaar en zelfs gevaarlijk. Zo is het onzin – in veel extreem religieuze kringen wordt misschien zo gedacht - de Corona crisis te zien als een straf voor de hoogmoedige mensheid. Maar de crisis is wel een signaal. Als met veel opoffering van mensenlevens, ten koste van een hoge economische en psychische prijs en met grenzeloze inzet van geweldige medische hulpverleners en wetenschappers het virus hopelijk is ingedamd kan de crisis mede begrepen worden als een wake up call om ons te bezinnen op onze eigen levenswijze en op onze hectische, kapitalistische en consumentistische samenleving. Neem bijvoorbeeld onze uitbuiting van dieren, waar immers vele soorten virusbesmettingen vandaan komen. Velen van ons hebben nu al de tijd om thuis met reflectie te beginnen. Nieuwe inzichten en voornemens kunnen uit deze crisis voortkomen Of gaan we als dit achter de rug is onze gedwongen retraite met zijn ontberingen zo snel mogelijk vergeten om ons weer over te geven aan consumptieve uitspattingen, waanzinnige events en festivals en te gekke exotische reizen?.

De laatste woorden van Malachi zijn ook de laatste woorden van het boek Neviïem, zoals de geschriften van Jozua tot en met Malachi worden genoemd. Die woorden vormen ook een laatste wake-up call
3:22 Houd je aan het onderricht van ​Mozes, mijn dienaar, aan wie ik op de ​Horeb​ regels en wetten heb gegeven die gelden voor heel Israël. 23Voordat de ​dag van de Eeuwige​ aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur ik jullie de ​profeet​ ​Elia,
Niet meer zou de Eeuwige rechtstreeks via de menselijke mond spreken met de mensen, tenminste volgens de opvatting in het mainstream rabbijnse Jodendom. Met Malachi kwam aan het profetendom een einde. Vanaf toen was het aan de Joden (mensen) zelf om de Tora en zijn geboden te bewaken, uit te leggen en de toepassing aan te passen aan nieuwe omstandigheden; niet lang daarna deden de rabbijnen hun intrede, rabbijnen die geen profeten waren, geen priesters, maar leraren.
Maar nog eenmaal zal er een profeet komen – zo voorziet Malachi - die die messiaanse dag zal voorbereiden: Elia (3). Voor hem wordt tijdens de seidermaaltijd nog altijd de deur opengedaan voor het geval hij dan mocht komen. Ik wens allen te midden van de geldende beperkingen een Pesach kosjer we-sameach en een gezegend Pasen en blijf gezond!

Noten
(1) Commentaren op de parasja Tsav zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Zie bijv Genesis 20:11 Hier verklaart Abraham aan Avimelech, dat hij bang was, dat er in het huis van de laatste geen vreze Gods zou zijn, reden waarom hij heeft gezegd, dat zijn vrouw Sara zijn zuster was. “ Er is vast geen vreze Gods in deze plaats, daarom zullen zij mij omwille van mijn vrouw doden”.
(3) Zie mijn artikel over Elia op mijn website
Over de nabijbelse Elia is een interessant stuk https://www.uscj.org.il/commentaries/haftarah-parshat-tzav-shabbat-hagadol-2/

Haftara bij de parasja Wajikra

Jesaja 43:21-44:23

We leven momenteel in een uitzonderlijke periode. Onder invloed van de corona crisis zijn we aan huis gebonden. Straten zijn verlaten. Ouderen als het ware gevangen in hun appartement. Zij die tot de vitale beroepen behoren werken zich een slag in de rondte om levens te redden. Vele mensen uit het MKB maken zich grote zorgen. Kerk- en sjoeldiensten zijn opgeschort. Eigenlijk zijn we min of meer ballingen in eigen land. Het bespreken van een haftara die betrekking heeft op een situatie van 2500 jaar geleden lijkt opeens een futiele zaak. Maar in het beeld van ballingschap ligt misschien een link met de haftara van deze week.

Het gaat om dat deel van Jesaja (Jesjajahoe), dat vermoedelijk is geschreven door een tweede Jesaja (zg deutero-Jesaja) die twee eeuwen later leefde dan de eerste Jesaja. Hij verbleef in ballingschap in Babylonië, het grote rijk dat toen al wankelde onder de aanstormende Perzen en Meden. De Joden konden in Babylon hun normale rituelen in de tempel niet verrichten. Het is niet zeker in hoeverre de Babylonische regering de Joden vrijliet in andere aspecten van hun godsdienstoefening. (1) Tegelijk waren die 70 jaren ballingschap een kweekbed voor vernieuwing. Geleerden herinnerden zich de oude verhalen, herlazen oude geschriften, bespraken ze en redigeerden ze tot een bruikbaar boek. Een van hen was Ezra, die de hand zou gaan hebben in de totstandbrenging van een gezaghebbende versie van die geschriften, ongeveer wat wij nu kennen als de Tora. Intussen verlangden de Joden hevig naar normalisatie van hun situatie, dat wil zeggen om terug naar huis, naar Judea, te gaan en hun normale leven weer op te pakken, het land te gaan bewerken en hun stad en tempel weer op te bouwen.

Jesaja voorzag de val van de machthebbers die hen verbannen hield en voorvoelde dat een massale terugkeer van de joodse ballingen naar huis op komst was. Zo’n tweede exodus bezingt hij in de verzen die voorafgaan aan het gedeelte dat is gekozen voor de haftara (het zou ook een haftara kunnen zijn, gezien het binnenkort aanstaande Pesach).
De haftara begint met verzen die betrekking hebben op het nalaten van de tempeloffers – en hier ligt waarschijnlijk het verband met de parasja Wajikra (Leviticus/Wajikra 1:1 – 5:26) die ook gaat over de verschillende offers, die in de tabernakel verricht moeten worden. (2) Zo staat er bijv in de haftara
 
43:23: U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee
en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u Mij niet laten dienen met het
graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met
wierook.

Ik denk, dat het hier niet een verwijt betreft. Immers in de ballingschap was er geen tempel voorhanden, waar offers konden worden gebracht. In dit vers gaat het meer om een constatering. Sowieso was al de God van de ‘eerste Jesaja’ geen enthousiast voorstander van offers.  Dat maakt dan logisch dat er staat in vers 43:25

 Ik, Ik (Anochi, Anochi) ben het Die uw overtredingen uitwist omwille van Mijzelf, (dwz niet om jullie verdiensten) en aan uw zonden denk Ik niet.

Je zou dit kunnen opvatten als een divine dispensatie, opschorting van het normale strakke regiem van rituelen, iets waartoe een toestand van ballingschap aanleiding geeft. Het gaat immers niet om de rituelen en de offers. (3) Waar gaat het dan om?

1:16 Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de ​weduwe!

Waarhebben de Joden dan hun ballingschap aan verdiend? Een raadselachtig vers geeft antwoord>

43:27 Uw eerste vader heeft gezondigd,
en uw uitleggers zijn tegen Mij in opstand gekomen.

Wie is die eerste vader? Wie zijn de uitleggers? Volgens Abraham Ibn Ezra (12e eeuw) is Jerobeam bedoeld, de koning van het noordelijk rijk Israël die twee gouden kalveren ter verering installeerde (zie 1 Koningen 12:28). De uitleggers zijn de priesters en Levieten (en misschien de valse profeten), die om de koning naar de mond te praten de wet van Mozes verdraaiden en verkeerd uitlegden. Ook toen waren nepnieuws, halve waarheden, structurele desinformatie en pertinente leugens bijkomende virussen die fataal konden uitpakken.

In hoofdstuk 44 slaat de profeet een heel andere toon aan. Nu klinkt weer het verlangen naar en de verwachting van een tijd van heil en verlossing door zoals in 44:3
Want Ik zal water gieten op het dorstige
en stromen op het droge.
Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten
en Mijn ​zegen​ op uw nakomelingen.

Noten
(1) De profeet Jeremia bepleitte aanpassing aan de situatie waarin ballingen zich bevinden in zijn brief aan hen Jer 29:7: Zoek de ​vrede​ voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. ​Bid​ ervoor tot de Eeuwige, want in haar ​vrede​ zult u ​vrede​ hebben.
(2) Commentaren op de parasja Wajikra zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(3) Sowieso was de God van de ‘eerste Jesaja’ al geen enthousiast voorstander van offers.
Jesja !:11 Waartoe dienen voor Mij uw vele ​offers?
 zegt de Eeuwige
Ik heb genoeg van de ​brandoffers​ van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het ​bloed​ van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.

RC 2020 

De haftara bij de parasja Wajekheel-Pekoedee

1 Koningen 7:51-8:21 Ezechiel 45:16-46:18   Ezra 7: 1-28

De twee vrij korte parasjot Wajakheel(Sjemot/Exodus 35:1-38:20) en Pekoedee (Sjemot/Exodus 38:21-40:38) – de laatste twee van het boek Sjemot/Exodus – worden, zoals ook nu, gecombineerd in het gewone Joodse kalenderjaar; in een Joods schrikkeljaar met zijn ingevoegde maand komen ze apart aan de orde.
De parasja Wajekheel beschrijft hoe de uitgebreide instructies in de vorige parasjot voor de bouw en inrichting van de tabernakel nu eendrachtig door het volk worden uitgevoerd. In de parasja Pekoedee wordt in detail rekenschap afgelegd van de gebruikte materialen en worden regels voor de inwijding gegeven. Mozes (Mosjee) richt de tabernakel op en in.
Een opmerkelijk actueel detail(40:30-32): Vervolgens plaatste hij het wasvat tussen de tent van ontmoeting en het altaar, en hij deed er water in om te wassen. Mozes, Aäron en zijn zonen wasten daarmee hun handen en hun voeten. Telkens wanneer zij de tent van ontmoeting binnengingen en het altaar naderden, wasten zij zich, zoals de Eeuwige Mozes geboden had.
Het wassen gebeurde om de geest te zuiveren en niet bewust om ziektekiemen, laat staan om virussen als Corona ver te houden, maar dit zal toch een onvermoed prettig bijverschijnsel zijn geweest, zoals dat ook later het geval is geweest toen het wassen van de handen na het opstaan en voor en na het eten ook een niet priesterlijke mitswe werd (1); daardoor was dit hygiënisch gebruik  in het jodendom veel meer verbreid was dan in omringende culturen. (2) Misschien moeten we het ook maar gaan doen voor het betreden en verlaten van de synagoge.(3)
Toen het teken van goddelijke aanwezigheid, de tabernakel, de kroon op het werk, voltooid was (40:34) overdekte de wolk de tent van ontmoeting, en de heerlijkheid van de Eeuwige vervulde de tabernakel.
De eerste fase van de uittocht was afgesloten. De voortzetting van de woestijntocht zal pas weer in het boek Bemidbar/Numeri hervat worden

Dit karakter van markante afsluiting en een nieuw begin treffen we ook aan in de verschillende haftarot, die aan deze sjabbat zijn toegevoegd. De reguliere haftara bij Wajakheel-Pekoedee is  1 Koningen 7:51 - 8:21 (bij de sefardiem sef 1 Konningen 7:40 - 7:50). Al eerder in de haftara bij de parasja Teroema kwamen we koning Salomo (Sjelomo) tegen als voorbereider en bouwer van de tempel. In dit deel van het boek 1 Koningen is de tempel klaar, een gebeurtenis die rijmt met de voltooiing van de tabernakel. We lezen hoe de heilige ark vanuit de davidsburcht triomfantelijk en gepaard met veel offers naar het nieuwe gebouw wordt gebracht en geplaatst in de binnenste kamer, het heilige der heiligen, waar reuzengrote cherubs hun vleigels boven de ark spreiden. (8:10) En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom gingen, dat de wolk het huis van de Eeuwige vervulde; bijna letterlijk overeenkomend met Ex/Sjem 40:34.

Niet zelden – zoals nu -  valt deze sjabbat vlak voor het begin van de maand Niesan, de maand waarin Pesach valt. Dan wordt hij sjabbat hachodesj (nl Niesan) genoemd en leest men een andere haftara, Ezechiël 45:16 - 46:18. In dit stuk vervolgt de profeet zijn visioen over een toekomstige tempel met het voorschrijven van wat er volgens hem allemaal aan offers van dieren en meel moeten worden gebracht op sjabbat en de andere feestdagen. Het is de taak van de vorst (nasi) om te zorgen voor de enorme massa dieren, die in Ezechiëls visie op het altaar het leven zullen moeten laten. Ook het Pesachfeest wordt genoemd, en dat rijmt met het tijdstip van deze sjabbat, waar Pesach in de kalender in zicht komt; de schoonmaak van keuken, huis en servies (kasjeren) en de inkoop van kosjere wijn en matses komt op gang etc. Men leze 45:21: In de eerste maand (dwz Niesan, in de oude telling de eerste maand van het jaar), op de veertiende dag van de maand, zal voor u Pesach zijn, een feest van zeven dagen: men moet dan ongezuurde broden eten.

In liberale kringen heeft men toch nog een ander stuk als haftara gekozen: Ezra 7: 1-28, misschien omdat het wat dichterbij onze belevingswereld ligt dan de atavistische slachting van groot- en kleinvee in Ezechiël. Ook in deze haftara wordt een belangrijk omslagpunt beschreven: de komst van Ezra uit Babel naar Jeruzalem, Ezra, de man die de wet zal hernieuwen.
In het gelijknamige boek Ezra wordt de terugkeer van de ballingen beschreven, een terugkeer die eigenlijk in twee (sommigen zeggen drie) golven (aliyot) ging. De eerste vond na het goedgunstig decreet van de Perzische koning Cyrus plaats en stond onder leiding van o.a. Zerubbabel. Een enorme karavaan van 50.000 personen (incl. vrouwen, kinderen, slaven, vee) bereikten omstreeks 530 BCE Judea en Jeruzalem. In de ruïnes van Jeruzalem begon de herbouw van de tempel, die na vele tegenslagen en onder stimulering van de profeten Zacharia (Zecharja) en Chaggai plaats vond. De tweede migratiegolf vond vele decennia later plaats (plm 460 BCE) onder leiding van Ezra. Hier begint de haftara, in hoofdstuk 7. Ezra was een ‘vaardig schriftgeleerde, bedreven in de wet van Mozes, die de Eeuwige, de God van Israël, gegeven heeft’, zoals herhaaldelijk wordt benadrukt. Hij kwam met de opdracht om, zoals de toenmalige Perzische koning Artaxerxes II het in zijn epistel formuleerde, ‘onderzoek te doen in Judea en in Jeruzalem naar de wet van uw God, waarover u beschikt’. Ezra bracht door de koning geschonken zilver en goud voor de tempel mee en had grote bevoegdheden om financiële en andere medewerking te vragen. Hij werd vergezeld door 5000 medereizigers waaronder vele Levieten. Ezra houdt zich vooral bezig met het streven een einde te maken aan de vermenging die had plaats gevonden tussen Joden en Samaritanen, dwz de destijds door de Assyriërs geïmporteerde volken. De vele gemengd gehuwde mannen, waaronder zelfs priesters, moesten hun niet-Joodse vrouwen wegsturen. Maar de belangrijkste verrichting van Ezra staat niet in het boek Ezra, maar in het boek Nehemia (Nechemja).
Nehemia, een hoge hofdignitaris aan het Perzische hof, kwam zo’n 15 jaar na Ezra in Jeruzalem aan met een onbekend aantal mee terugkerende ballingen, mogelijk een derde immigratiegolf. Op dringend verzoek hadt hij van de Perzische koning toestemming gekregen tijdelijk in Jeruzalem te verblijven met de volmacht om de muren van Jeruzalem te herbouwen en om aan een aantal ontstane sociale misstanden onder de Joden een eind te maken. In hoofdstuk 8 van het boek Nehemia speelt Ezra’s finest hour zich af als hij op een hoog spreekgestoelte op een plein midden in Jeruzalem voor het voltallig verzamelde Judese volk voorleest uit de wet van Mozes. Het is de verdienste van Ezra geweest, dat hij de versnipperde, in vergetelheid verglijdende kennis heeft opgerakeld, verzameld en gebundeld tot één samenhangend geschrift. Met enig recht wordt dan ook aangenomen, dat Ezra, soms een tweede Mozes genoemd, de redacteur is geweest van de Tora, zoals wij die kennen. Als zodanig betekende zijn terugkeer naar Jeruzalem een kardinaal wendingspunt in de geschiedenis van het Jodendom.

Noten
(1) Zie Kitsoer Sjoelchan Aroech par. 40
(2) De hygienische voorschriften van de Joden konden hun ook noodlottig worden. Tijdens de pestepidemie in de 14e eeuw vielen opvallend minder slachtoffers onder de Joden, wat hen verdacht maakte naast het nepnieuws, dat zij de bronnen vergiftigden. Gruwelijke pogroms in Frankrijk en het Rijnland waren het gevolg en veroorzaakten een grote vlucht naar het Oosten van Europa. Hopelijk gaan we niet het nepnieuws vernemen, dat de Joden (of Israël) het corona virus hebben veroorzaakt.
(3) Commentaren op de parasjot Wajakheel en Pekoedee zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.

Haftara bij de parasja Ki tisa

1 Koningen 18:20–39
Sjabbat Para: Ezechiël 36:16-36

Deze sjabbat lezen we de parasja Ki tisa. Daarin springt het bekende verhaal over het gouden kalf naar voren; toen Mozes (Mosjee) in zijn missie op de berg van God lang wegbleef gaf een invloedrijke minderheid gretig toe aan het oude verlangen naar de vertrouwde totems van dierenbeelden, i.c. het gouden stierkalf, een misstap waar Mozes veel moeite voor moest doen om verzoening voor te krijgen. (1) Van de eeuwenlange strijd tussen de nieuwe religie van de beeldloze godheid met zijn morele geboden en de plaatselijke amorele natuur- en vruchtbaarheidsgoden getuigen de boeken van de profeten. De haftara die bij de parasja Ki Tisa hoort beschrijft een van de hoogtepunten in dit proces.
De hoofdrol is voor de profeet Elia (Elijahoe), die tijdens de regering van koning Achab (Achav, 870-851) opereerde. Tijdens diens regering was de verering van Baäl en Astarte enorm toegenomen, mede onder invloed van Achabs echtgenote Izebel, die tientallen profeten van de Eeuwige – Elia was dus niet de enige, wellicht waren het zijn leerlingen – rabiaat liet vervolgen. Ook Elia was een mikpunt van koninklijke haat en had zich schuilgehouden, omdat hij Achabs afvalligheid aan de kaak had gesteld en jaren van droogte had voorspeld. Na drie jaar kreeg Elia de goddelijke oproep om voor de koning te verschijnen, een riskante daad, die goed afliep want de koning ging in op Elia’s voorstel om een soort religieuze wedstrijd te organiseren op de berg Karmel. Het ging erom welke godheid een merkbare reactie zou geven op het offer van een stier, maar geen van beide partijen mocht zelf vuur maken. Het volk verzamelde zich om het gebeuren te aanschouwen. De vierhonderden vijftig Baälpriesters offerden een stier en onder honende woorden van Elia dansten ze als extatische sjamanen om hun altaar, maar geen reactie van Baäl. Toen kwam Elia’s beurt. Hij bouwde van twaalf stenen (vertegenwoordigend de twaalf stammen) een altaar voor de Eeuwige, slachtte zijn stier, goot zelfs water op het dier en om het altaar en een riep de Eeuwige op om een antwoord te geven. Dat kwam in de vorm van een vuur uit de hemel, dat het ​brandoffer, het hout, de stenen en het stof verteerde. (1839)Toen heel het volk dat zag, wierpen zij zich met hun gezicht ter aarde en zeiden: De Eeuwige is God, de Eeuwige is God! (en dat roepen we ook nu nog aan het eind van Jom Kipoer).
We kijken nog even verder dan het haftara gedeelte en lezen dan, dat Elia de vierhonderdenvijftig Baälpriesters (die in de tekst overigens ook profeten, neviïem, worden genoemd) persoonlijk bij de Kisjon beek heeft afgeslacht (jisjchatam), een Herculische daad van verbijsterende wreedheid.
Daarna klom ​(18:42:) Elia naar de top van de Karmel, boog zich voorover ter aarde. Vervolgens legde hij zijn gezicht tussen zijn knieën.
Wat deed hij daar? Treurde hij om zijn bloedige fanatisme? Er staat niet dat hij bad om vergeving. Waarschijnlijk is, dat nu het werkelijk gebed plaats vond om regen en nadat hij zijn knecht herhaaldelijk op de uitkijk zond bespeurde deze de zevende keer het wolkje, dat zou uitlopen op een zegen gevende regen. Tot zover de haftara Ki tisa.

Deze sjabbat is de derde sjabbat van de vijf sjabbatot, die Pesach vooraf schaduwen. Hij valt na het feest van Poeriem en wordt sjabbat Para (koe) genoemd omdat op deze dag de passages uit Numeri/Bamidbar (19:1-22) in herinnering worden gebracht die betrekking hebben op de besprenkeling met een speciaal reinigingswater, dat is vermengd met de as van een geofferde rode koe; de zuivering met dit speciale water zou moeten worden toegepast op mensen en dingen die met een dode in aanraking zijn geweest. Het ritueel wordt al lang niet meer toegepast, maar het idee van zuivering in de aanloop naar Pesach spreekt nog steeds aan. De daarbij behorende haftara wordt gehaald uit hoofdstuk 36 van Ezechiël (Jechezkel), de profeet die aan de rivieren van Babel zijn medeballngen confronteerde met hun misstappen en afdwalingen, maar ook troost gevende perspectieven bood op herstel van land en welvaart.
Ook in hoofdstuk 36 zien we dit patroon terug; tot nu toe bracht het volk niet veel van zijn missie terecht, wrijft de profeet zijn gehoor in. De ook hier door Ezechiël voorspelde restauratie van het Joodse volk zal de Eeuwige dan ook niet zozeer bewerkstelligen omdat het volk dit zou verdienen, maar om zijn goede naam te redden (22,23), een motivatie waar ook Mozes in de parasja Ki tisa  bij de Eeuwige op inspeelde.

Een verband tussen de haftara en het ritueel van de rode koe moet ook gezocht worden in het vers 36:25, waar eveneens sprake is van besprenkeling met reinigend water:  Ik zal ​rein​ water op u sprenkelen en u zult ​rein​ worden. Van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u ​reinigen. 26Dan zal Ik u een nieuw ​hart​ geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het ​hart​ van steen uit uw lichaam wegnemen en u een ​hart​ van vlees geven
De rabbijnen leggen in hun verklaring van het stenen hart vooral de nadruk op de verleiding van de (seksuele) lusten en ons onverbeterlijk moreel tekortschieten. Het nieuwe hart, het hart van vlees, is vol ontzag voor de Eeuwige en zijn liefde. (2)

Wat is mijn persoonlijke vertaling van ‘een hart van steen’, respectievelijk ‘een nieuw hart’, ‘een hart van vlees’? Loodzwaar is het hart van steen, het zit dicht, het zit vol met ballast van het verleden, het laat zich niet meer raken door verlangen en liefde. Een nieuw hart is weliswaar kwetsbaar (‘van vlees’, menselijk) maar tegelijk licht, laat zich raken door de liefde, is open naar de wereld en heeft mededogen met de medemens. Voor een nieuw hart hoeven we niet tot de messiaanse tijd te wachten zoals sommige rabbijnen wel menen. Ook nu kan je eraan werken. Iedere dag het begin is van de rest van je leven stond op een affiche in mijn hippe studentenkamer. Je kan in principe de lei van gister schoonvegen en de nieuwe dag met een nieuw hart tegemoet treden, met verwondering, open naar nieuwe mogelijkheden. Aan het einde van de dag is het hart vaak zwaar geworden van ons onvolmaakt streven en bieden we het aan de nacht aan ter vernieuwing voor de volgende morgen.

Noten
(1) Commentaren op de parasja Teroema zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Een commentator uit de 19e eeuw Malbim zegt ongeveer: een nieuw hart is alleen maar geneigd naar het goede en de beelden die in de nieuwe geest oprijzen zullen alleen maar goed zijn. Tot nu toe was het voor het hart dat vooral door taäwa (lust, begeerte) werd beheerst moeilijk om moreel te handelen (moesar) en kritiek (tochacha) te accepteren, nog moeilijker dan het is om in een steen te graveren.

Haftara bij de parasja Tetsawee

Ezechiël 43:10-27        I Samuel 15:2-34       

In de sidra Tetsawee (Exodus/Sjemot 27:20 - 30:11) wordt uitgebreid aandacht besteed aan de kleding van de priesters, en met name aan de uitdossing van de hogepriester (Aharon). Aan het slot volgen nog enkele voorschriften over de offerdienst en wordt een de opdracht gegeven om een reukofferaltaar te maken volgens de daar gegeven omschrijving. (1) Op dit laatste deel van de parasja sluit de reguliere haftara aan, een gedeelte uit hoofdstuk 43 uit het boek van de profeet Ezechiël (Jechezkel), die als balling in de zesde eeuw BCE in Babylonie woonde en daar de ballingen confronteerden met hun misdragingen in het verleden, maar ook troostte met visioenen van een grootse toekomst. Een van de bekendste visoenen is die over de nieuwe tempel die ooit op de heilige berg zal verrijzen; de profeet krijgt een beschrijving door met afmetingen en al, die de hoofdstukken 40-48 beslaan. Het haftara gedeelte beschrijft het nieuwe offeraltaar met de vier hoorns en de daarbij te offeren dierenoffers ter inwijding van de tempel, zeven dagen lang, net zoals in de parasja Tetsavee wordt verordend en later in Leviticus (Wajikra) ook wordt uitgevoerd.

De sjabbat van Tetsawee is de tweede sjabbat van de vijf sjabbatot, die Pesach vooraf schaduwen. De sjabbat valt voor feest van Poeriem en wordt sjabbat Zachor (herinner!) genoemd omdat op deze dag uit Deuteronomium/Devariem 25:17-19 wordt gelezen waarin de slinkse aanval wordt gememoreerd van het volk van Amalek op de Israëlitische woestijnreizigers en het gebod wordt gegeven om dit nooit te vergeten. In liberale kringen wordt dan ook de voorkeur gegeven om als haftara te lezen over de veldtocht van koning Saul (Sjaoel) tegen de Amalekieten in I Samuel 15:2-34. Bedenk daarbij dat de bad guy uit het boek Ester, het boek dat op Poeriem wordt gelezen, niemand minder is dan Haman, een afstammeling van de koning Agag van Amalek uit deze haftara. (2)

In de haftara lezen we hoe de oude richter Samuel (Sjmoeëel) het gebod uit Deuteronomium inderdaad niet heeft vergeten. Hij beval Saul nietsontziend te werk te gaan:
15:3 Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, en van kameel tot ezel , aldus sprak de profeet met de autoriteit van een groot-ayatollah tot de koning.
Saul volvoerde de opdracht succesvol, maar toch net niet helemaal en net niet helemaal is helemaal niet in de ogen van de onverbiddelijke opdrachtgever. Het beste van het vee werd niet gedood; de koning en zijn leger namen het mee. Alle mannen, vrouwen en kinderen sloeg Saul met het zwaard, maar één man niet: de koning van de Amalekieten, Agag, die voerde hij met zich mee naar huis. Dit tot beweerd ongenoegen van de Eeuwige en tot ontsteltenis van zijn middelaar Samuel, die hierdoor diep geschokt was, de hele nacht wakker lag en riep tot de Eeuwige. De volgende ochtend legde hij woedend de koning zijn nalatigheid inzake de opdracht voor. Saul probeert zich er nog uit te redden. Het vee was immers bestemd tot dankoffer aan de Eeuwige. Het zou kunnen, maar het klinkt toch een beetje als een uitvlucht. Daarna geeft hij toe: ik was bang voor de aandrang van de soldaten, die kennelijk buit wilden. Dat is goed voorstelbaar want vaak is de buit ook de betaling van de soldaten. De koning vraagt Samuel vergeving, maar de oude profeet blijft onvermurwbaar. Het koningschap wordt hem ontnomen en de Eeuwige komt nooit op zijn besluiten terug, zo zegt de profeet.
Dan komt het geval Agag aan de orde, de koning van Amalek, wiens leven is gespaard, als trofee van de overwinning of uit een spoor van compassie, dat is de vraag. De bejaarde richter beveelt de man voor hem te leiden, die nog denkt dat zijn leven zal worden gespaard, en houwt hem zonder pardon in vieren.

Als we uit de huid van Samuels tijd kruipen, wat kan het ons als bijbelstuk nu leren?  Vanuit het referentiekader van de zogenoemde moderniteit, noemen wij de opdracht aan koning Saul zonder meer een opdracht tot genocide. Niet zozeer de ongehoorzaamheid van de koning aan God, c.q. de profeet is dan het kwaad, maar de gehoorzame uitvoering van die opdracht om een volk van de aardbodem weg te vagen. Laat er geen misverstand over bestaan: ik zie de Tora en de Tanach als goddelijk geïnspireerd maar door menselijke geest ontvangen en door menselijke hand geschreven. Er is in de geschriften een progressie waar te nemen in de mate van verlichting waarin de divine inzichten zijn ervaren, waargenomen, opgetekend en geïnterpreteerd.
Van een partijdige stammengod, die gunstig gestemd moet worden met dierenoffers en die wanneer hij niet stipt gehoorzaamd wordt straft met plagen en nederlagen zien we een ontwikkeling naar een schenker van inzichten in universele waarden van gerechtigheid en compassie, gepaard aan een oproep aan de mensen die te realiseren. Een liberale opinion leader als John Rayner zegt het zo: Wanneer je jezelf eenmaal bevrijd hebt van dogmatische vooronderstellingen, kan niets ter wereld je er ooit weer van overtuigen dat de God van rechtvaardigheid en barmhartigheid, zoals hij in veel delen van Tenach naar voren komt opdracht gaf op de genocide op de Amalekieten . (3)

Noten
(1) Commentaren op de allerlei aspecten van de parasja Tetsawee zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website.
(2) Lees het boek Ester in een versie voor jongeren op mijn website
(3) John D. Rayner, Halacha, een progressief Joods perspectief, Stichtng Sja’ar, 2003, p 11, 12
Toch is het goed om ook een poging tot een  verdedigend woord tbv Samuel op te voeren:
Al wie zich vergevingsgezind toont ten opzichte van de wreedaard zal tenslotte wreed worden tegen de vergevingsgezinden, aldus R. Elazar in Tanchuma Metzora , maw mildheid tov de wredaards zal uiteindelijk op jezelf terugslaan, omdat je uiteindelijk wel wreed zal moeten worden tegen de aanvankelijk toegestane uitwassen. Had Hitler gespaard moeten worden?  zie http://www.uscj.org.il/commentaries/parashat-tetsavveh/

Vrolijk Poeriem Chag Poeriem sameach !

Nieuws

Haftara bij de parasja Bamidbar I Samuël 20:18-42 (Sjabbat Machar Chodesj ) het prachtige verhaal over de grootste mannenvriendschap in de hele Tanach, die tussen David en Jonathan Lees meer >>

mei

  • <  
  •   >
z m d w d v z
 
 
 
 
 
1
 
2
 
3
 
4
 
5
 
6
 
7
 
8
 
9
 
10
 
11
 
12
 
13
 
14
 
15
 
16
 
17
 
18
 
19
 
20
 
21
 
22
 
23
 
24
 
25
 
26
 
27
 
28
 
29
 
30
 
31